Verdrag betreffende de leeftijd waarop kinderen mogen worden toegelaten tot arbeid in de landbouw
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 25 oktober 1921 in haar derde zitting,
Besloten hebbende, verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de arbeid van kinderen in de landbouw tijdens de uren van verplicht schoolbezoek, welk onderwerp vervat is in het derde punt van de agenda der zitting,
Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag,
Neemt het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de minimumleeftijd (landbouw), 1921”, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie:
Artikel 1
Kinderen onder de veertien jaar mogen niet in dienst zijn van of arbeid verrichten in landbouwondernemingen, hetzij van de overheid, hetzij van particulieren, of in een toebehoren daarvan, tenzij buiten de voor schoolonderwijs bestemde uren, en deze arbeid dient, indien hij plaats heeft, van zodanige aard te zijn, dat hij hun regelmatig schoolbezoek niet kan schaden.
Artikel 2
Ten behoeve van praktische vakopleiding kunnen schooltijden en -uren zodanig geregeld worden, dat de kinderen voor lichte landbouwwerkzaamheden gebruikt kunnen worden, in het bijzonder voor lichte oogstwerkzaamheden. De totale schooltijd per jaar mag evenwel niet tot minder dan acht maanden worden teruggebracht.
Artikel 3
De bepalingen van artikel 1 zijn niet van toepassing op werkzaamheden van kinderen in vakscholen, mits deze werkzaamheden geschieden onder goedkeuring en toezicht van de overheid.
Artikel 4
De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag zullen, overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie, ter kennis van de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau worden gebracht en door hem worden geregistreerd.
Artikel 5
Dit Verdrag zal in werking treden zodra de bekrachtigingen van twee Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie door de Directeur-Generaal zullen zijn geregistreerd.
Het zal slechts verbindend zijn voor de Leden die hun bekrachtiging hebben doen registreren bij het Internationaal Arbeidsbureau.
Vervolgens zal dit Verdrag voor ieder Lid in werking treden op de dag waarop zijn bekrachtiging is ingeschreven bij het Internationaal Arbeidsbureau.
Artikel 6
Zodra de bekrachtigingen van twee Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie bij het Internationaal Arbeidsbureau zijn geregistreerd, zal de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau hiervan kennis geven aan alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie. Hij zal hen eveneens in kennis stellen van de registratie van de bekrachtigingen die hem later door andere Leden van de Organisatie worden medegedeeld.
Artikel 7
Behoudens het bepaalde in artikel 5, verbindt ieder Lid dat dit Verdrag bekrachtigt zich om de bepalingen van de artikelen 1, 2 en 3 uiterlijk op 1 januari 1924 in toepassing te brengen en zodanige maatregelen te nemen als nodig zullen blijken om deze doeltreffend te doen zijn.
Artikel 8
Ieder Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie dat dit Verdrag bekrachtigt verbindt zich om het toe te passen op zijn koloniën, bezittingen en protectoraten overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie.
Artikel 9
Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd kan het opzeggen na verloop van een tijdvak van tien jaar na de datum waarop dit Verdrag in werking is getreden, door middel van een verklaring toegezonden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door deze geregistreerd. De opzegging zal eerst een jaar nadat zij is geregistreerd bij het Internationaal Arbeidsbureau van kracht worden.
Artikel 10
Telkens wanneer de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau zulks nodig acht legt deze een verslag inzake de toepassing van dit Verdrag voor aan de Algemene Conferentie, en gaat na of het wenselijk is de kwestie van de gehele of gedeeltelijke herziening van het Verdrag op de agenda van de Conferentie te plaatsen.
Artikel 11
De Franse en de Engelse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.