Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid

Type Verdrag
Publication 2019-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Ter uitvoering van de artikelen 15, tweede lid, 17, zesde lid, 31, eerste lid en 32 van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake sociale zekerheid (hierna aangeduid met de term „Verdrag”), hebben de bevoegde Nederlandse en Kaapverdische autoriteiten in gemeen overleg de volgende bepalingen vastgesteld:

TITEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Akkoord hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit Akkoord worden als „verbindingsorganen” aangewezen:

Artikel 3
1.

In het in artikel 7, letter a) onder i), van het Verdrag bedoelde geval reikt de hierna genoemde instelling van het land waarvan de wetgeving van toepassing blijft, de werknemer op verzoek een detacheringsbewijs uit waarin wordt verklaard dat op hem de wetgeving van dit land van toepassing blijft.

2.

Dit bewijsstuk wordt opgemaakt:

3.

In het in artikel 7, letter a) onder ii) van het Verdrag bedoelde geval richt de werkgever, zo mogelijk vóór het einde van de eerste periode van twaalf maanden, een verzoek om verlenging van detachering aan de instelling die het eerste bewijsstuk heeft uitgereikt; laatstbedoelde instelling vraagt de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van het land waar de tijdelijke werkzaamheden worden verricht en reikt, nadat goedkeuring is verkregen, een tweede bewijsstuk uit.

Artikel 4
1.

De werknemer die overeenkomstig artikel 8, tweede lid van het Verdrag zijn keuzerecht uitoefent, deelt dit mede aan de aangewezen instelling van het land voor de wetgeving waarvan hij heeft gekozen, terwijl hij tegelijkertijd zijn werkgever op de hoogte stelt. Deze instelling reikt de werknemer een bewijsstuk uit waaruit blijkt dat op hem bedoelde wetgeving van toepassing is en stelt de instelling van het andere land hiervan in kennis.

2.

Voor de toepassing van het vorige lid wordt aangewezen:

3.

De keuze wordt van kracht op de datum waarop het Verdrag in werking treedt of waarop de werknemer door de diplomatieke zending, de consulaire post, onderscheidenlijk de ambtenaar van deze zending of post, in dienst wordt genomen.

TITEL II. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 1. Ziekte en moederschap

Artikel 5
1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de begripsomschrijving „orgaan van de woonplaats” verstaan:

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de begripsomschrijvingen „bevoegd orgaan” en „bevoegd orgaan voor toekenning van de zorgtoeslag” verstaan;

in Nederland:

3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de begripsomschrijving „orgaan van de verblijfplaats” verstaan:

Artikel 6
1.

Om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 10 van het Verdrag, legt de werknemer aan het bevoegde orgaan een verklaring over waarin zijn vermeld de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving waaraan hij voorheen laatstelijk onderworpen is geweest, zijn vervuld.

2.

De verklaring wordt op verzoek van de werknemer verstrekt:

3.

Indien de werknemer de verklaring niet overlegt, vraagt het bevoegde orgaan deze aan het genoemde orgaan van het andere land.

Verstrekkingen

Artikel 7
1.

Om krachtens artikel 11, eerste lid van het Verdrag in aanmerking te komen voor verstrekkingen, laat de werknemer zich bij het orgaan van de woonplaats inschrijven, onder overlegging van een verklaring waaruit blijkt dat hij recht heeft op verstrekkingen. Deze verklaring wordt op verzoek van de werknemer afgegeven door het bevoegde orgaan. Indien de werknemer bedoelde verklaring niet overlegt, vraagt het orgaan van de woonplaats deze aan het bevoegde orgaan. Deze verklaring blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats geen bericht heeft ontvangen dat de verklaring is ingetrokken.

2.

Om krachtens artikel 11, tweede lid van het Verdrag in aanmerking te komen voor verstrekkingen, laten de gezinsleden zich bij het orgaan van de woonplaats inschrijven onder overlegging van de volgende stukken:

3.

Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van elke inschrijving waartoe het overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden is overgegaan.

4.

De toekenning van verstrekkingen is afhankelijk van de geldigheid van de in het eerste lid en tweede lid, onder (i) bedoelde verklaring.

5.

De werknemer of diens gezinsleden dienen het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking van de werknemer of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats van hemzelf of van een gezinslid.

8.

Het orgaan van de woonplaats deelt, zodra het hiervan kennis heeft gekregen, aan het bevoegde orgaan iedere verandering mede, waardoor het recht op verstrekkingen van de werknemer of zijn gezinsleden kan vervallen.

7.

Het orgaan van de woonplaats verleent zijn goede diensten aan het bevoegde orgaan, met het oog op het uitoefenen van verhaal op degene die ten onrechte verstrekkingen heeft genoten.

Artikel 8
1.

Om gedurende een verblijf in het andere dan het bevoegde land in aanmerking te komen voor verstrekkingen, legt de in artikel 13, eerste lid van het Verdrag bedoelde werknemer aan het orgaan van de verblijfplaats een door het bevoegde orgaan, zo mogelijk voor dat hij het bevoegde land verlaat, afgegeven verklaring over, waaruit blijkt dat hij recht heeft op deze verstrekkingen. In deze verklaring wordt met name de duur vermeld waarover verstrekkingen mogen worden verleend. Indien de werknemer deze verklaring niet overlegt, vraagt het orgaan van de verblijfplaats deze aan het bevoegde orgaan.

2.

Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden gedurende hun tijdelijk verblijf in het andere dan het woonland of het bevoegde land.

3.

Het eerste lid is eveneens van toepassing in de in artikel 7, letters a) en b), eerste zin, van het Verdrag bedoelde gevallen.

Artikel 9
1.

Om in aanmerking te blijven komen voor verstrekkingen in het nieuwe verblijfsland, dient de in het tweede lid van artikel 13 van het Verdrag bedoelde werknemer, of het in artikel 13, zesde lid, van het Verdrag bedoelde gezinslid, aan het orgaan van de nieuwe woonplaats een verklaring te overleggen waarbij het bevoegde orgaan hem toestaat na de overbrenging van zijn woonplaats het recht op verstrekkingen te behouden. Bedoeld orgaan geeft in deze verklaring eventueel de maximumduur aan waarover volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving verstrekkingen en nature mogen worden verleend. Het bevoegde orgaan kan op verzoek van de werknemer of van het orgaan van de nieuwe woonplaats, de verklaring ook na de overbrenging van de woonplaats van de werknemer uitreiken, wanneer deze om gemotiveerde redenen niet tevoren kon worden opgesteld.

2.

Bij opneming in een ziekenhuis in de gevallen bedoeld in artikel 13, tweede en zesde lid van het Verdrag, geeft het orgaan van de nieuwe woonplaats binnen drie dagen na de datum waarop het hiervan kennis heeft gekregen, aan het bevoegde orgaan bericht van de datum van opneming in een ziekenhuis of een andere geneeskundige inrichting, alsmede van de vermoedelijke duur van de opneming; bij vertrek uit het ziekenhuis of de andere geneeskundige inrichting geeft het orgaan van de nieuwe woonplaats binnen dezelfde termijn het bevoegde orgaan bericht van de datum van vertrek.

3.

Ter verkrijging van de machtiging waarvan het verlenen van de in het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag bedoelde verstrekkingen afhankelijk is, richt het orgaan van de nieuwe woonplaats een verzoek aan het bevoegde orgaan. Laatstbedoeld orgaan kan hiertegen onder opgave van redenen binnen vijftien dagen, gerekend vanaf de verzending van dit verzoek, eventueel verzet aantekenen; indien na afloop van deze termijn bij het orgaan van de nieuwe woonplaats geen verzet is aangetekend, kent het de verstrekkingen toe.

4.

Wanneer de in het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag bedoelde verstrekkingen in onmiskenbare spoedgevallen zonder machtiging van het bevoegde orgaan moeten worden verleend, stelt het orgaan van de nieuwe woonplaats bedoeld orgaan hiervan onmiddellijk op de hoogte.

5.

De onmiskenbare spoedgevallen in de zin van het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag zijn die gevallen, waarin het verlenen van de verstrekking niet kan worden uitgesteld zonder het leven of de gezondheid van de betrokkene ernstig in gevaar te brengen. In het geval waarin een prothese of een kunstmiddel door een ongeval is gebroken of beschadigd, is het om de onmiskenbare spoed vast te stellen, voldoende de noodzaak van het herstel of de vernieuwing van het desbetreffende kunst- of hulpmiddel aan te tonen.

6.

De bevoegde verbindingsorganen stellen de lijst van verstrekkingen samen, waarop de bepalingen van het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag van toepassing zijn.

Artikel 10
1.

Om in het land van zijn nieuwe woonplaats recht op verstrekkingen te behouden, legt de in artikel 13, tweede lid van het Verdrag bedoelde werknemer aan het orgaan van zijn nieuwe woonplaats een verklaring over, waarbij het bevoegde orgaan hem toestaat na de overbrenging van zijn woonplaats het recht op verstrekkingen te behouden. Bedoeld orgaan geeft in deze verklaring eventueel de maximumduur aan waarover volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving verstrekkingen mogen worden verleend.

Het bevoegde orgaan kan op verzoek van de werknemer of van het orgaan van de nieuwe woonplaats, de verklaring ook na de overbrenging van de woonplaats van de werknemer uitreiken, wanneer deze om gerechtvaardigde redenen niet tevoren kon worden opgesteld.

2.

Wat betreft het verlenen van verstrekkingen door het orgaan van de nieuwe woonplaats, is artikel 9 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11
1.

Om in het land van de woonplaats in aanmerking te komen voor verstrekkingen, laten de in artikel 14, tweede lid van het Verdrag bedoelde pensioengerechtigde, alsmede zijn gezinsleden zich inschrijven bij het orgaan van de woonplaats onder overlegging van de volgende stukken:

2.

Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van elke inschrijving waartoe het overeenkomstig het eerste lid is overgegaan.

3.

De toekenning van verstrekkingen is afhankelijk van de geldigheid van de in het eerste lid, onder (i) bedoelde verklaring.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.