Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van het menselijk wezen met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde: Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde

Type Verdrag
Publication 1997-04-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Lidstaten van de Raad van Europa, de andere Staten en de Europese Gemeenschap, ondertekenaars van dit Verdrag,

Indachtig de Universele Verklaring van de rechten van de mens, afgekondigd op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties;

Indachtig het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950;

Indachtig het Europees Sociaal Handvest van 18 oktober 1961;

Indachtig het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 16 december 1966;

Indachtig het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens van 28 januari 1981;

Tevens indachtig het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989;

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het bereiken van een grotere eenheid tussen zijn leden, en dat een van de middelen om dit doel te bereiken is de handhaving en de verdere verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

Zich bewust van de snelle ontwikkelingen in de biologie en de geneeskunde;

Overtuigd van de noodzaak het menselijk wezen, als individu en lid van de menselijke soort te eerbiedigen, en erkennende dat het van belang is de waardigheid van het menselijk wezen te waarborgen;

Zich ervan bewust dat een verkeerd gebruik van de biologie en de geneeskunde kan leiden tot handelingen die een bedreiging vormen voor de menselijke waardigheid;

Bevestigende dat de vooruitgang in de biologie en de geneeskunde dient te worden gebruikt ten gunste van de huidige en toekomstige generaties;

Benadrukkende de noodzaak van internationale samenwerking zodat de gehele mensheid kan profiteren van hetgeen de biologie en de geneeskunde te bieden hebben;

Erkennende het belang van de bevordering van een openbaar debat over de vragen die de toepassing van de biologie en de geneeskunde oproept en over de hierop te geven antwoorden;

Geleid door de wens alle leden van de samenleving te herinneren aan hun rechten en verantwoordelijkheden;

Rekening houdende met de werkzaamheden van de Parlementaire Vergadering op dit terrein, met inbegrip van Aanbeveling 1160 (1991) betreffende de voorbereiding van een Verdrag inzake bio-ethiek;

Vastbesloten die maatregelen te treffen die nodig zijn om de menselijke waardigheid en de fundamentele rechten en vrijheden van het individu met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde veilig te stellen;

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Doel en onderwerp

De Partijen bij dit Verdrag beschermen de waardigheid en identiteit van het menselijk wezen en waarborgen iedereen, zonder onderscheid, dat zijn integriteit en andere rechten en fundamentele vrijheden met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde worden geëerbiedigd.

Iedere Partij neemt in zijn nationale recht de maatregelen die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 2. Het primaat van het menselijk wezen

De belangen en het welzijn van het menselijk wezen gaan boven het uitsluitende belang van de samenleving en de wetenschap.

Artikel 3. Gelijke toegangsmogelijkheden tot de gezondheidszorg

De Partijen nemen, rekening houdend met de behoefte aan gezondheidszorg en met de beschikbare middelen, de nodige maatregelen teneinde, binnen hun jurisdictie, zorg te dragen voor gelijke toegangsmogelijkheden tot gezondheidszorg van passende kwaliteit.

Artikel 4. Professionele standaarden

Elke handeling op het gebied van de gezondheidszorg, met inbegrip van onderzoek, dient te worden verricht overeenkomstig de desbetreffende professionele verplichtingen en standaarden.

HOOFDSTUK II. TOESTEMMING

Artikel 5. Algemene regel

Handelingen op het gebied van de gezondheidszorg mogen alleen worden verricht nadat de betrokken persoon vrijwillig, op basis van verkregen informatie, zijn toestemming heeft gegeven.

De desbetreffende persoon behoort vooraf de benodigde informatie te krijgen omtrent het doel en de aard van de handeling alsmede omtrent de gevolgen en risico's ervan.

Het staat de betrokkene vrij te allen tijde zijn toestemming in te trekken.

Artikel 6. Bescherming van personen die niet in staat zijn toestemming te geven
1.

Onverminderd de artikelen 17 en 20 mag een handeling ten aanzien van een persoon die niet in staat is zijn toestemming te geven alleen worden verricht wanneer deze hem of haar rechtstreeks ten goede komt.

2.

In de gevallen waarin, volgens de wet, een minderjarige niet bekwaam is om voor een handeling toestemming te geven, mag deze handeling alleen worden verricht met machtiging van zijn of haar vertegenwoordiger of van een bij wet aangewezen autoriteit, persoon of instantie.

Met de mening van de minderjarige wordt als een in toenemende mate bepalende factor rekening gehouden, al naar gelang zijn of haar leeftijd en mate van volwassenheid.

3.

In de gevallen waarin, volgens de wet, een meerderjarige vanwege een verstandelijke handicap, ziekte of om soortgelijke redenen niet in staat is om toestemming te geven voor een handeling, mag de handeling alleen worden verricht met machtiging van zijn of haar vertegenwoordiger of van een bij wet aangewezen autoriteit, persoon of instantie.

De desbetreffende persoon wordt voor zover mogelijk betrokken bij de machtigingsprocedure.

4.

Aan de in het tweede en derde lid genoemde vertegenwoordiger, autoriteit, persoon of instantie wordt, onder dezelfde voorwaarden, de in artikel 5 bedoelde informatie verstrekt.

5.

De in het tweede en derde lid bedoelde machtiging kan in het belang van de betrokkene te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 7. Bescherming van personen met een geestelijke stoornis

Onverminderd de bij wet voorgeschreven beschermende voorwaarden, met inbegrip van toezicht-, controle- en beroepsprocedures, mag een persoon met een ernstige geestelijke stoornis alleen dan zonder zijn of haar toestemming aan handelingen ter behandeling van zijn of haar geestelijke stoornis worden onderworpen wanneer, zonder een dergelijke behandeling, ernstige schade voor zijn of haar gezondheid te duchten is.

Artikel 8. Noodsituatie

Wanneer vanwege een noodsituatie de vereiste toestemming niet kan worden verkregen, mogen medisch gezien direct noodzakelijke handelingen worden verricht indien zulks voor de gezondheid van de betrokkene nodig is.

Artikel 9. Eerder geuite wensen

Met de wensen eerder geuit met betrekking tot een medische behandeling door een patiënt, die ten tijde van de handeling niet in staat is zijn of haar wensen te uiten, wordt rekening gehouden.

HOOFDSTUK III. PRIVÉ-LEVEN EN RECHT OP INFORMATIE

Artikel 10. Privé-leven en recht op informatie
1.

Een ieder heeft met betrekking tot informatie over zijn of haar gezondheid recht op eerbiediging van het privé-leven.

2.

Een ieder heeft het recht op de hoogte te worden gebracht van alle informatie die is verzameld betreffende zijn of haar gezondheid. De wensen van personen die van deze informatie niet op de hoogte willen worden gebracht, worden evenwel geëerbiedigd.

3.

In uitzonderlijke gevallen kan de wet in het belang van de patiënt beperkingen opleggen ten aanzien van de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde rechten.

HOOFDSTUK IV. MENSELIJK GENOOM

Artikel 11. Non-discriminatie

Elke vorm van discriminatie van een persoon op grond van zijn of haar genetisch erfgoed is verboden.

Artikel 12. Voorspellend genetisch onderzoek

Onderzoek waarmee een genetische ziekte kan worden voorspeld of dat dient om vast te stellen of betrokkene drager is van een gen dat verantwoordelijk is voor een ziekte of om een genetische aanleg of vatbaarheid voor een ziekte op te sporen, mag alleen worden uitgevoerd voor gezondheidsdoeleinden of voor met gezondheidsdoeleinden verband houdend wetenschappelijk onderzoek, en moet vergezeld gaan van passende advisering op genetisch gebied.

Artikel 13. Ingrepen in het menselijk genoom

Een ingreep die ten doel heeft verandering te brengen in het menselijk genoom mag alleen worden verricht voor preventieve, diagnostische of therapeutische doeleinden en uitsluitend wanneer hiermee niet wordt beoogd een verandering aan te brengen in het genoom van nakomelingen.

Artikel 14. Geen selectie op geslacht

Het gebruik van kunstmatige voortplantingstechnieken om daarmee het geslacht van het toekomstige kind te kiezen, is niet toegestaan, behalve ter voorkoming van een ernstige geslachtsgebonden erfelijke aandoening.

HOOFDSTUK V. WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

Artikel 15. Algemene regel

Wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de biologie en de geneeskunde kan vrijelijk worden uitgevoerd, met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag en de overige wettelijke bepalingen ter bescherming van het menselijk wezen.

Artikel 16. Bescherming van proefpersonen

Wetenschappelijk onderzoek met mensen mag alleen worden verricht als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

Artikel 17. Bescherming van personen die niet in staat zijn toestemming te geven voor wetenschappelijk onderzoek
1.

Onderzoek op een persoon die niet in staat is de in artikel 5 bedoelde toestemming te geven, mag alleen worden verricht als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

2.

In uitzonderlijke gevallen en onder de wettelijk voorgeschreven beschermende voorwaarden, kan wanneer niet te verwachten is dat de resultaten van het onderzoek direct nut voor de gezondheid van de betrokkene zullen opleveren, zulk onderzoek worden toegestaan, mits aan de in het eerste lid, sub i, iii, iv en v bedoelde voorwaarden, alsmede aan de volgende aanvullende voorwaarden wordt voldaan:

Artikel 18. Wetenschappelijk onderzoek met embryo's in vitro
1.

Indien onderzoek met embryo's in vitro bij wet is toegestaan, dient de wet voldoende bescherming aan het embryo te bieden.

2.

Het doen ontstaan van menselijke embryo's voor onderzoeksdoeleinden is verboden.

HOOFDSTUK VI. HET VERWIJDEREN VAN ORGANEN EN WEEFSEL BIJ LEVENDE DONORS VOOR TRANSPLANTATIEDOELEINDEN

Artikel 19. Algemene regel
1.

De verwijdering van organen of weefsel bij een levende persoon voor transplantatiedoeleinden mag alleen geschieden in het therapeutische belang van de ontvanger en wanneer er geen geschikt orgaan of weefsel beschikbaar is van een overleden persoon en er geen andere therapeutische methode is die qua doeltreffendheid vergelijkbaar is.

2.

De vereiste instemming bedoeld in artikel 5 moet uitdrukkelijk en specifiek zijn gegeven, hetzij schriftelijk, hetzij ten overstaan van een officiële instantie.

Artikel 20. Bescherming van personen die niet in staat zijn toestemming te geven voor de verwijdering van organen
1.

Bij personen die niet in staat zijn hun toestemming te geven overeenkomstig artikel 5, mag geen orgaan of weefsel worden verwijderd.

2.

In uitzonderlijke gevallen en onder de wettelijk voorgeschreven beschermende voorwaarden, mag toch toestemming worden gegeven voor de verwijdering van regeneratief weefsel bij personen die niet in staat zijn toestemming te geven, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

HOOFDSTUK VII. VERBOD VAN FINANCIEEL VOORDEEL EN BESCHIKKING OVER BESTANDDELEN VAN HET MENSELIJK LICHAAM

Artikel 21. Verbod van financieel voordeel

Het menselijk lichaam en zijn bestanddelen mogen, als zodanig, niet dienen tot verkrijging van financieel voordeel.

Artikel 22. Beschikking over verwijderde bestanddelen van het menselijk lichaam

Wanneer tijdens een medische verrichting een deel van het menselijk lichaam is verwijderd, kan dit alleen worden opgeslagen en gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is verwijderd, indien zulks geschiedt overeenkomstig de passende informatie- en instemmingsprocedures.

HOOFDSTUK VIII. SCHENDINGEN VAN DE BEPALINGEN VAN HET VERDRAG

Artikel 23. Schendingen van de rechten of beginselen

De Partijen bieden een passende juridische bescherming om schendingen van de in dit Verdrag genoemde rechten en beginselen te voorkomen of op korte termijn een halt toe te roepen.

Artikel 24. Vergoeding voor niet te rechtvaardigen schade

Degene die niet te rechtvaardigen schade heeft geleden als gevolg van een verrichting heeft recht op een billijke schadevergoeding overeenkomstig de wettelijke voorwaarden en procedures.

Artikel 25. Sancties

Partijen voorzien in de nodige sancties die moeten worden toegepast in geval van schending van de bepalingen van dit Verdrag.

HOOFDSTUK IX. VERHOUDING TUSSEN DIT VERDRAG EN ANDERE BEPALINGEN

Artikel 26. Beperkingen van de uitoefening van rechten
1.

De uitoefening van de in dit Verdrag vervatte rechten en beschermende bepalingen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van de openbare veiligheid, ter voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de volksgezondheid of ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.