Internationaal Verdrag tot bescherming van vogels

Type Verdrag
Publication 1963-01-17
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend,

zich bewust van het gevaar voor uitsterven, dat zekere vogelsoorten bedreigt, anderzijds verontrust over de getalsvermindering van andere soorten, in het bijzonder van de trekvogelsoorten,

overwegende, dat uit het oogpunt van de wetenschap, van de natuurbescherming en van de economie der afzonderlijke landen in beginsel alle vogels behoren te worden beschermd,

hebben de noodzaak erkend het Verdrag tot bescherming van de voor de landbouw nuttige vogels, ondertekend te Parijs op 19 Maart 1902, te herzien en zijn de volgende bepalingen overeengekomen:

Artikel 1

Dit Verdrag heeft de bescherming ten doel van de in het wild levende vogels.

Artikel 2

Onverminderd de uitzonderingen, vervat in de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag, dienen beschermd te worden:

Artikel 3

Onverminderd de uitzonderingen, vervat in de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag, is het verboden enige dode of levende vogel, die in strijd met de bepalingen van dit Verdrag is gevangen of gedood, of enig deel daarvan in te voeren, uit te voeren, te vervoeren, te verkopen, te koop aan te bieden, te kopen, te schenken of onder zich te hebben gedurende het tijdvak, waarin de soort is beschermd.

Artikel 4

Onverminderd de uitzonderingen, vervat in de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag, is het verboden gedurende het tijdvak waarin een bepaalde soort beschermd is, met name gedurende de voortplantingsperiode, in aanbouw zijnde of bewoonde nesten van in het wild levende vogels te verwijderen of te vernielen, eieren of schalen van eieren, dan wel broedsels daarvan weg te nemen, te beschadigen, te vervoeren, in te voeren, uit te voeren, te verkopen, te koop aan te bieden, te kopen of te vernielen.

Deze verboden zijn evenwel niet van toepassing

enerzijds op eieren, op wettige wijze geraapt en vergezeld van een bewijsstuk, dat zij bestemd zijn hetzij ter bevordering van de vogelstand hetzij voor wetenschappelijke doeleinden, dan wel dat zij afkomstig zijn van in gevangenschap gehouden vogels,

anderzijds op kievitseieren, dit alleen voor Nederland en wel met het oog op reeds voor deze geldende, uitzonderlijke en plaatselijke beweegredenen.

Artikel 5

Onverminderd de uitzonderingen, vervat in de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag, verplichten de Hoge Verdragsluitende Partijen zich de hierna genoemde middelen te verbieden, die tot massale vernietiging of vangst van vogels kunnen leiden of hun onnodig lijden kunnen toebrengen.

Wat evenwel die landen betreft, waar dergelijke middelen op dit ogenblik wettelijk zijn toegelaten, verbinden de Hoge Verdragsluitende Partijen zich in hun wetgevingen van lieverlede die maatregelen in te voeren, welke het gebruik van dergelijke middelen verbieden of beperken:

Artikel 6

Indien in een bepaalde streek een vogelsoort hetzij een gevaar zou gaan vormen voor zekere vormen van landbouw, veeteelt, jacht of visserij ten gevolge van de schade, die zij zou toebrengen aan akkers, wijngaarden, tuinen, boomgaarden, bossen, wild of visstand, hetzij een of meer soorten, welker instandhouding wenselijk is, met uitroeiing of enkel vermindering zou bedreigen, kan het bevoegde gezag door uitgifte van persoonlijke vergunningen voorzover het die soort betreft ontheffing verlenen van de verboden, vervat in de artikelen 2 tot en met 5. Het is evenwel niet wettelijk toegestaan om aldus gedode vogels te kopen of te verkopen en hen te vervoeren buiten de streek, waar zij gedood zijn.

Indien de nationale wetgevingen andere bepalingen bevatten, die het mogelijk maken de schade, door zekere vogelsoorten aangericht, te beperken onder voorwaarden, die het voortbestaan van die soorten waarborgen, kunnen deze bepalingen door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden gehandhaafd.

Met het oog op het bijzondere belang, dat de economische omstandigheden in Zweden, Noorwegen, Finland en de Fär-Öer in dit verband hebben, kan het bevoegde gezag in die landen uitzonderingen toestaan op en zekere ontheffingen verlenen van de bepalingen van dit Verdrag. In het geval, dat IJsland tot dit Verdrag zou toetreden, kunnen op verzoek van dit land de vorengenoemde ontheffingen daar worden toegepast.

Geen enkele maatregel mag in een bepaald land worden genomen, die tot volslagen vernietiging kan leiden van soorten van stand- of trekvogels, als bedoeld in dit artikel.

Artikel 7

Uitzonderingen op de bepalingen van dit Verdrag kunnen door het bevoegde gezag worden toegestaan in het belang van de wetenschap, de opvoeding, de vogelstand, de voortplanting van jachtvogels en de valkenjacht naar gelang van de omstandigheden en onder voorbehoud, dat alle nodige voorzorgen in acht worden genomen om misbruiken te voorkomen. De bepalingen aangaande het vervoer, vervat in de artikelen 3 en 4, zijn niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk.

In alle landen zijn de verboden, vervat in artikel 3, niet van toepassing op veren van vogelsoorten, die daar gedood mogen worden.

Artikel 8

Iedere Verdragsluitende Partij verplicht zich een lijst op te stellen van de vogelsoorten, welke binnen haar eigen gebied mogen worden gevangen of gedood met inachtneming van de in dit Verdrag gestelde voorwaarden.

Artikel 9

Iedere Verdragsluitende Partij is bevoegd een lijst op te stellen van stand- en trekvogelsoorten, welke door particulieren in gevangenschap mogen worden gehouden, en dient de toelaatbare vangmethoden vast te stellen, als ook de voorwaarden, waaronder vogels kunnen worden vervoerd en in gevangenschap gehouden.

Iedere Verdragsluitende Partij dient de handel van door dit Verdrag beschermde vogels te regelen en de nodige maatregelen te nemen om de omvang daarvan te beperken.

Artikel 10

De Hoge Verdragsluitende Partijen verplichten zich middelen te beramen en toe te passen ter voorkoming van de vernietiging van vogels door olie-verontreiniging en andere oorzaken van verontreiniging der wateren, door vuurtorens, electrische leidingen, insecticiden, giften en alle andere oorzaken. Zij zullen er naar streven de kinderen en de openbare mening op te voeden om hen te overtuigen van de noodzaak van het instandhouden en beschermen van vogels.

Artikel 11

Teneinde de gevolgen te verzachten van de snelle verdwijning - door toedoen van de mens - van geschikte vogelbroedplaatsen, verplichten de Hoge Verdragsluitende Partijen zich om zonder uitstel en met alle beschikbare middelen de instelling te bevorderen van vogelreservaten, te water of te land, van de juiste afmetingen en ligging, waar de vogels veilig kunnen nestelen en hun broedsels kunnen grootbrengen en waar trekvogels ongestoord kunnen rusten en hun voedsel kunnen vinden.

La présente convention sera ratifiée et les instruments de ratification seront déposés auprès du Ministère des Affaires Etrangères de la République française qui en notifiera le dépôt à tous les Etats signataires et adhérents.

Tout Etat non signataire de la présente convention pourra y adhérer. Les adhésions seront notifiées au Ministère des Affaires Etrangères de la République Française qui en avisera tous les Etats signataires et adhérents.

La présente convention entrera en vigueur le quatre-vingt-dixième jour qui suivra la date du dépôt du sixième instrument de ratification ou d'adhésion. Pour chacun des Etats qui ratifiera la convention ou y adhérera après cette date, elle entrera en vigueur le quatre-vingtdixième jour qui suivra la date du dépôt par cet Etat de son instrument de ratification ou d'adhésion.

La présente convention est conclue pour une durée illimitée, mais toute partie contractante pourra la dénoncer à tout moment, cinq ans après son entrée en vigueur telle qu'elle est fixée au présent article. Cette dénonciation prendra effet un an après la date de sa notification au Ministère des Affaires Etrangères de la République Française.

La présente convention remplace entre les pays qui la ratifieront ou y adhéreront, les dispositions de la Convention internationale de 1902.

EN FOI DE QUOI les soussignés, dûment autorisés par leurs Gouvernements respectifs, ont signé la présente convention.

Fait à Paris, le 18 octobre 1950.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.