Vredesverdrag tussen de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië

Type Verdrag
Publication 1949-02-17
State In force
Source BWB
artikelen 166
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Verenigde Staten van Amerika, China, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken, Australië, België, de Wit-Russische Socialistische Sowjet-Republiek, Brazilië, Canada, Ethiopië, Griekenland, India, Nieuw-Zeeland, Nederland, Polen, Tsjechoslowakije, de Socialistische Sowjet Republiek Oekraïne, de Unie van Zuid-Afrika, de Federatieve Volksrepubliek Zuidslavië, hieronder aangeduid als „de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden”, enerzijds en Italië anderzijds;

Overwegende, dat Italië, onder het fascistische regime, partij is geworden bij het driemogendhedenverdrag met Duitsland en Japan, dat het een aanvalsoorlog heeft ontketend en dientengevolge de oorlogstoestand in het leven heeft geroepen met alle Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en met andere Verenigde Naties, en dat het zijn deel draagt in de verantwoordelijkheid voor de oorlog;

Overwegende, dat tengevolge van de overwinningen der Geallieerde strijdkrachten en met bijstand van de democratische elementen uit het Italiaanse volk, het fascistische regime in Italië op 25 Juli 1943 omvergeworpen is, en dat Italië, nadat het onvoorwaardelijk gecapituleerd had, op 3 en 29 September van hetzelfde jaar wapenstilstandsvoorwaarden heeft ondertekend;

Overwegende, dat na voornoemde wapenstilstand Italiaanse strijdkrachten, zowel van de Regering als van het verzet, een werkzaam aandeel hebben genomen in de oorlog tegen Duitsland, en Italië op 13 October 1943 aan Duitsland de oorlog heeft verklaard en aldus mede-oorlogvoerende is geworden in de oorlog tegen Duitsland;

Overwegende, dat de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië een vredesverdrag wensen te sluiten, dat in overeenstemming met de beginselen van het recht kwesties zal regelen, die nog hangende zijn tengevolge van de hierboven vermelde feiten en de basis zal vormen van onderlinge vriendschappelijke betrekkingen, aldus de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden in staat stellende het verzoek van Italië te ondersteunen om lid te worden van de Verenigde Naties en tevens toe te treden tot ieder verdrag, dat gesloten is onder de auspiciën van de Verenigde Naties;

Zijn mitsdien overeengekomen de oorlogstoestand voor geëindigd te verklaren en met dit doel het onderhavige Vredesverdrag te sluiten, en hebben derhalve de Ondergetekende Gevolmachtigden aangewezen, die, na overlegging van hun volmachten, in juiste en behoorlijke vorm bevonden, de volgende voorwaarden hebben aangenomen:

DEEL I. TERRITORIALE BEPALINGEN

PARAGRAAF I. GRENZEN

Artikel 1

Behoudens de wijzigingen, vervat in de artikelen 2, 3, 4, 11 en 22, blijven de grenzen van Italië zoals die waren op 1 Januari 1938. Het verloop van deze grenzen is aangegeven op de kaarten, gevoegd bij dit verdrag (bijlage I). In geval van afwijking tussen de beschrijvende tekst en de kaarten, is de tekst beslissend.

Artikel 2

De op 1 Januari 1938 bestaande grens tussen Italië en Frankrijk wordt gewijzigd als volgt:

    1. Kleine St. Bernard Pas. De nieuwe grens volgt de waterscheiding, afwijkende van de bestaande grens op een punt ongeveer 2 km ten Noord-Westen van het Hospitium, kruist de weg ongeveer 1 km ten Noord-Oosten van het Hospitium en verenigt zich ongeveer 2 km ten Zuid-Oosten van het Hospitium met de bestaande grens.
    1. Mont Cenis Plateau. De nieuwe grenslijn verlaat de bestaande grens ongeveer 3 km ten Noord-Westen van de Rochemelon bergtop, kruist de weg ongeveer 4 km ten Zuid-Oosten van het Hospitium en verenigt zich ongeveer 4 km ten Noord-Oosten van de Mont d'Ambin met de bestaande grens.
    1. Mont Thabor-Chaberton.
  • a. In het Mont Thabor gebied verlaat de nieuwe grenslijn de bestaande grens ongeveer 5 km ten Oosten van Mont Thabor, loopt dan in Zuid-Oostelijke richting om zich ongeveer 3 km ten Westen van de Pointe de Charra met de bestaande grens te verenigen.
  • b. In het Chaberton gebied verlaat de grenslijn de bestaande grens ongeveer 3 km ten Noord-Noordwesten van Chaberton, trekt hier Oostelijk omheen, kruist vervolgens de weg op ongeveer 1 km van de bestaande grens, waarbij zij zich weder aansluit op een punt ongeveer 2 km ten Zuid-Oosten van het dorp Montgenèvre.
    1. Boven-dalen van de Tinée, de Vésube en de Roya. De bestaande grens bij Colla Langa verlatend, volgt de nieuwe grens de waterscheiding langs de Mont Clapier, Col de Tenda, de Mont Marguareis, vanwaar zij naar het Zuiden afbuigt langs de Mont Saccarello, de Mont Vacchi, de Mont Pietravecchia, de Mont Lega tot aan een punt ongeveer 100 m van de bestaande grens bij Colla Pegairolle, ongeveer 5 km ten Noord-Oosten van Breil; vervolgens loopt zij in Zuid-Westelijke richting en verenigt zich ongeveer 100 m ten Zuid-Westen van de Mont Mergo met de bestaande grens.
    1. De gedetailleerde beschrijving van deze grensgedeelten, waarop de wijzigingen, vervat in lid 1, 2, 3 en 4 van dit artikel, van toepassing zijn, is neergelegd in bijlage II van dit Verdrag, en de kaarten, waarop deze beschrijving betrekking heeft, maken deel uit van bijlage I.

Artikel 3

De grens tussen Italië en Zuidslavië wordt vastgesteld als volgt:

    1. De nieuwe grens volgt een lijn, die begint bij het punt, waar de op 1 Januari 1938 bestaande grenzen van Oostenrijk, Italië en Zuidslavië samenkomen en in Zuidelijke richting loopt langs de Zuidslavisch-Italiaanse grens van 1938 tot aan het punt, waar die grens zich verenigt met de bestuursgrens tussen de Italiaanse provincies Friuli (Udine) en Gorizia;
    1. Van dit punt valt de grenslijn samen met voornoemde provinciale grens tot een punt ongeveer 0,5 km ten Noorden van het dorp Mernico in de Iudrio vallei;
    1. Van dit punt op de grens tussen de Italiaanse provincies Priuli en Gorizia loopt de lijn in Oostelijke richting tot een punt op ongeveer 0,5 km ten Westen van het dorp Vercoglia di Cosbana en vervolgens in Zuidelijke richting tussen het Quarnizzo dal en het Cosbana dal tot een punt op ongeveer 1 km ten Zuid-Westen van het dorp Fleana, nadat de grenslijn een zodanige bocht heeft gemaakt, dat zij de Recca kruist op een punt ongeveer 1,5 km ten Oosten van de Iudrio, waarbij zij de weg van Cosbana via Nebola naar Castel Dobra Oostelijk laat liggen;
    1. De grens zet zich dan voort naar het Zuid-Oosten onmiddellijk ten Zuiden van de weg tussen de punten 111 en 172, vervolgens langs de punten 57 en 122 ten Zuiden van de weg van Vipulzano naar Uclanzi om ongeveer 100 m ten Oosten van punt 122 die weg te kruisen en naar het Noorden om te buigen in de richting van een punt op 350 m ten Zuid-Oosten van punt 266 gelegen;
    1. Ongeveer 0,5 km ten Noorden van het dorp San Floriano lopend, zet de grens zich voort in Oostelijke richting tot Mont Sabotino (punt 610) en laat het dorp Poggio San Valentino Noordelijk liggen;
    1. Van Mont Sabotino loopt de grens in Zuidelijke richting, kruist de Isonzo (Soca) bij de stad Salcano, die op Zuidslavisch gebied blijft, vanwaar zij vlak langs de Westzijde van de spoorweg van Canale d'Isonzo naar Montespino loopt tot een punt ongeveer 750 m ten Zuiden van de weg van Gorizia naar Aisovizza gelegen;
    1. Van de spoorweg buigt de grens naar het Zuid-Westen, laat de stad San Pietro op Zuidslavisch gebied en het Hospitium en de daaraan grenzende weg op Italiaans grondgebied liggen en kruist op ongeveer 700 m van het station Gorizia S. Marco de spoorweglijn, die bovengenoemde spoorweg met die van Sagrado naar Cormons verbindt; zij loopt vervolgens langs het kerkhof te Gorizia, hetwelk op Italiaans gebied blijft, loopt tussen de grote weg No. 55 van Gorizia naar Triëst, welke weg Italiaans blijft, en het kruispunt bij punt 54, terwijl de steden Vertoiba en Merna op Zuidslavisch gebied blijven en bereikt een punt ongeveer bij punt 49 gelegen;
    1. Van hier gaat de grens in Zuidelijke richting over het Karstplateau ongeveer 1 km ten Oosten van de grote weg No. 55 en laat het dorp Opacchiasella Oostelijk en het dorp Iamiano Westelijk liggen;
    1. Van een ongeveer 1 km ten Oosten van Iamiano gelegen punt volgt de nieuwe lijn de grens tussen de provincies Gorizia en Triëst tot aan een punt ongeveer 2 km ten Noord-Oosten van het dorp San Giovanni en ongeveer 0,5 km ten Noord-Westen van punt 208, waar de grenzen van Zuidslavië, Italië en het Vrije Gebied van Triëst samenkomen.

De kaart, waarop deze beschrijving betrekking heeft, maakt deel uit van bijlage I.

Artikel 4

De grens tussen Italië en het Vrije Gebied van Triëst wordt vastgesteld als volgt:

    1. Zij begint bij een punt, gelegen aan de grens tussen de provincies Gorizia en Triëst, ongeveer 2 km ten Noord-Oosten van het dorp San Giovanni en ongeveer 0,5 km ten Noord-Westen van punt 208, waar de grenzen van Zuidslavië, Italië en het Vrije Gebied van Triëst samenkomen; zij loopt dan in Zuid-Westelijke richting tot een punt aan de grote weg No. 14 en ongeveer 1 km ten Noord-Oosten van de plaats, waar de grote wegen No. 55 en No. 14 samenkomen, welke wegen onderscheidenlijk van Gorizia en Monfalcone naar Triëst lopen;
    1. De grens gaat dan in Zuidelijke richting tot een punt in de Golf van Panzano, op gelijke afstand van Punta Sdobba aan de mond van de Isonzo (Soca) en van Castello Vecchio in Duino, ongeveer 3,3 km ten Zuiden van het punt, waar zij de kust verlaat, dat ongeveer 2 km ten Noord-Westen van de stad Duino gelegen is;
    1. Van hier naar de volle zee lopend, volgt de grens een lijn, getrokken op gelijke afstand van de Italiaanse kust en die van het Vrije Gebied van Triëst.

De kaart, waarop deze beschrijving betrekking heeft, maakt deel uit van bijlage I.

Artikel 5

1.

Het juiste beloop van de in de artikelen 2, 3, 4 en 22 van dit Verdrag bepaalde nieuwe grenzen zal ter plaatse definitief worden vastgesteld door Grens-Commissies, samengesteld uit vertegenwoordigers der twee betrokken Regeringen.

2.

Deze Commissies zullen, onmiddellijk na het van kracht worden van dit Verdrag, hun werkzaamheden beginnen en deze zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen een tijdsverloop van zes maanden, voltooien.

3.

Alle aangelegenheden, waaromtrent deze Commissies het niet eens kunnen worden, zullen worden voorgelegd aan de Ambassadeurs te Rome van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie, die, overeenkomstig de procedure in artikel 86 bepaald, op een wijze te hunner keuze een definitieve regeling zullen treffen, zo nodig door het benoemen van een onpartijdige derde Commissaris.

4.

De kosten van de Grenscommissies worden gelijkelijk door de twee betrokken Regeringen gedragen.

5.

Voor de definitieve vaststelling ter plaatse van de in de artikelen 3, 4 en 22 bepaalde grenzen zijn de Commissarissen gemachtigd 0,5 km af te wijken van de in dit Verdrag aangewezen lijn, teneinde de grens aan plaatselijke geographische en economische toestanden aan te passen, op voorwaarde evenwel, dat geen dorp of stad van meer dan 500 inwoners, noch een belangrijke spoorweg of grote weg, noch een voorname bron van water- of electriciteitsvoorziening geplaatst wordt onder een ander gezag dan dat, hetwelk het gevolg is van de in dit Verdrag bepaalde grensregelingen.

PARAGRAAF II. FRANKRIJK (Bijzondere bepalingen)

Artikel 6

Het vroegere Italiaanse gebied, gelegen aan de Franse zijde van de Frans-Italiaanse grens, zoals deze wordt omschreven in artikel 2, wordt door Italië afgestaan aan Frankrijk, dat hierover de volledige souvereiniteit verkrijgt.

Artikel 7

Door de Italiaanse Regering worden aan de Franse Regering overgedragen alle historische zowel als bestuurs-archieven, welke, daterend uit de tijd vóór 1860, betrekking hebben op het gebied, hetwelk bij het Verdrag van 24 Maart 1860 en de Conventie van 23 Augustus 1860 aan Frankrijk werden afgestaan.

Artikel 8

1.

De Italiaanse Regering zal aan de Franse Regering haar medewerking verlenen tot de eventuele totstandkoming van een spoorwegverbinding tussen Briançon en Modane, via Bardonnèche.

2.

De Italiaanse Regering zal, vrij van douanerechten, zonder visitatie, paspoortencontrôle of enige andere formaliteit, het spoorwegvervoer in beide richtingen toestaan van passagiers en goederen welke, om van het ene punt in Frankrijk naar het andere te gaan, op Italiaans gebied van deze verbindingslijn gebruik maken; zij zal de nodige maatregelen treffen om het passeren van de Franse treinen, welke van die verbindingslijn gebruik maken, op de voornoemde voorwaarden van vrijdom en zonder ongemotiveerde vertraging te verzekeren.

3.

De beide Regeringen zullen te gelegener tijd de nodige overeenkomsten treffen.

Artikel 9

1.

Plateau van de Mont Cenis.

Ten einde Italië inzake de hydro-electrische energie- en watervoorziening uit het meer van de Mont Cenis dezelfde faciliteiten te verschaffen, als waarover het beschikte vóór de afstand van deze streek aan Frankrijk, zal Italië van Frankrijk door middel van een bilateraal verdrag de technische garanties ontvangen, welke in bijlage III zijn aangegeven.

2.

De streek Tenda—Briga

Om te voorkomen, dat Italië een verminderde levering van electrische energie verkrijgt, vergeleken bij die, welke voortkwam uit bronnen in de streek Tenda—Briga vóór de afstand van deze streek aan Frankrijk, zal Italië van Frankrijk door middel van een bilateraal verdrag de technische garanties ontvangen, welke in bijlage III zijn aangegeven.

PARAGRAAF III. OOSTENRIJK (Bijzondere bepalingen)

Artikel 10

1.

Italië zal met Oostenrijk regelingen treffen om het vrije passagiers- en goederenverkeer tussen Noord- en Oost-Tirol te verzekeren, of zal bestaande regelingen op dit gebied bevestigen.

2.

De Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden hebben nota genomen van de regelingen (waarvan de tekst in bijlage IV is vervat), waarover de Oostenrijkse en Italiaanse Regeringen op 5 September 1946 overeenstemming hebben verkregen.

PARAGRAAF IV. FEDERATIEVE VOLKSREPUBLIEK ZUIDSLAVIË (Bijzondere bepalingen)

Artikel 11

1.

Italië staat af aan Zuidslavië in volle souvereiniteit het gebied, gelegen tussen de in de artikelen 3 en 22 omschreven nieuwe grenzen van Zuidslavië en de op 1 Januari 1938 bestaande Italiaans-Zuidslavische grens, alsmede de gemeente Zara en alle eilanden en naburige eilandjes in de hieronder omschreven gebieden.

  • a. Het gebied begrensd:
  • in het Noorden door de breedte-cirkel 42° 50' noorderbreedte;
  • in het Zuiden door de breedte-cirkel 42° 42' noorderbreedte;
  • in het Oosten door de meridiaan 17° 10' oosterlengte;
  • in het Westen door de meridiaan 16° 25' oosterlengte.
  • b. Het gebied begrensd: Een kaart van deze gebieden maakt deel uit van bijlage I.
  • in het Noorden door een lijn, die loopt door Porto del Quieto op gelijke afstand van de kustlijn van het Vrije Gebied van Triëst en van Zuidslavië en vandaar naar het punt 45° 15' noorderbreedte 13° 24' oosterlengte;
  • in het Zuiden door de breedte-cirkel 44° 23' noorderbreedte;
  • in het Westen door een lijn , die de volgende punten verbindt: in het Oosten door de westkust van Istrië, de eilanden en het vaste land van Zuidslavië.
  • (1). 45° 15' noorderbreedte — 13° 24' oosterlengte;
  • (2). 44° 51' noorderbreedte — 13° 37' oosterlengte;
  • (3). 44° 23' noorderbreedte — 14° 18' 30'' oosterlengte;
2.

Italië staat af aan Zuidslavië in volle souvereiniteit het eiland Pelagosa met de omliggende eilandjes. Het eiland Pelagosa zal gedemilitariseerd blijven.

Italiaanse vissers zullen op Pelagosa en in de naburige wateren dezelfde rechten genieten als die, welke de Zuidslavische vissers genoten vóór 6 April 1941.

Artikel 12

1.

Italië zal aan Zuidslavië teruggeven alle voorwerpen van artistieke, historische, wetenschappelijke, opvoedkundige of godsdienstige aard (met inbegrip van alle akten, handschriften, documenten en bibliografisch materiaal), alsmede bestuursarchieven (dossiers, registers, plannen en documenten van welke aard ook), welke tussen 4 November 1918 en 2 Maart 1924 als gevolg van de Italiaanse bezetting werden weggevoerd uit de gebieden, welke door de op 12 November 1920 te Rappallo en 27 Januari 1924 te Rome getekende Verdragen aan Zuidslavië werden afgestaan. Italië zal eveneens alle voorwerpen teruggeven, vallende onder voornoemde categorieën, welke uit die gebieden werden verwijderd door de Italiaanse Wapenstilstandscommissie, die na de Eerste Wereldoorlog in Wenen zetelde.

2.

Italië zal aan Zuidslavië teruggeven alle voorwerpen, welke onder de in lid 1 van dit artikel genoemde categorieën vallen, juridisch als publiek eigendom zijn te beschouwen en na 4 November 1918 zijn weggevoerd uit het gebied, dat krachtens dit Verdrag aan Zuidslavië is afgestaan, alsmede de voorwerpen, betrekking hebbende op voornoemd gebied, welke Italië van Oostenrijk of Hongarije verkreeg bij de Vredesverdragen, 10 September 1919 te St. Germain en 4 Juni 1920 te Trianon getekend en krachtens de Conventie tussen Oostenrijk en Italië, die op 4 Mei 1920 te Wenen getekend werd.

3.

Mocht Italië in bijzondere gevallen niet in staat zijn de in lid 1 en 2 van dit artikel omschreven voorwerpen aan Zuidslavië terug te geven, dan zal het aan Zuidslavië voorwerpen van dezelfde aard en van ongeveer dezelfde waarde leveren, voor zover zulke voorwerpen in Italië verkrijgbaar zijn.

Artikel 13

De watervoorziening van de gemeente Gorizia en omgeving wordt geregeld in overeenstemming met de bepalingen vervat in bijlage V.

PARAGRAAF V. GRIEKENLAND (Bijzondere bepalingen)

Artikel 14

1.

Italië staat de volgende eilanden van de Dodekanesos in volle souvereiniteit aan Griekenland af, te weten:

Astropalia, Rhodos, Kharki, Scarpanto, Casso, Tilos, Nisuros, Kalymnos, Leros, Patmos, Lipso, Symi, Kos en Castellorizo, alsmede de omliggende eilandjes.

2.

Deze eilanden worden en blijven gedemilitariseerd.

3.

De procedure en technische voorwaarden betreffende de overdracht van deze eilanden aan Griekenland zullen worden bepaald bij overeenkomst tussen de Regeringen van het Verenigd Koninkrijk en Griekenland, terwijl een regeling zal worden getroffen, welke voorziet in het terugtrekken van vreemde troepen binnen 90 dagen na het van kracht worden van dit Verdrag.

DEEL II. POLITIEKE BEPALINGEN.

PARAGRAAF I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 15

Italië zal alle nodige maatregelen treffen om aan alle aan het Italiaanse Gezag onderworpen personen, ongeacht hun ras, geslacht, taal of godsdienst het genot te verzekeren van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, van drukpers en publicatie, van godsdienst, van politieke overtuiging en van vereniging.

Artikel 16

Italië zal zich er van onthouden Italiaanse burgers met inbegrip van leden der Italiaanse strijdkrachten te vervolgen of te molesteren alleen op grond van het feit, dat zij gedurende het tijdvak van 10 Juni 1940 tot aan de inwerkingtreding van dit Verdrag hun sympathie hebben betuigd met, of handelingen hebben verricht ter ondersteuning van, de zaak der Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden.

Artikel 17

Italië, dat overeenkomstig artikel 30 van de Wapenstilstandsovereenkomst maatregelen heeft genomen om de fascistische organisaties in Italië te ontbinden, verbindt zich de wederoprichting van dergelijke politieke, militaire of semi-militaire organisaties, welke ten doel hebben het volk zijn democratische rechten te ontnemen, op Italiaans gebied niet toe te laten.

Artikel 18

Italië verbindt zich de volle waarde te erkennen van de Vredesverdragen met Roemenië, Bulgarije, Hongarije en Finland, alsmede van andere overeenkomsten of regelingen, welke door de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden ten opzichte van Duitsland, Japan en Oostenrijk zijn aangegaan of zullen worden aangegaan voor het herstel van de vrede.

PARAGRAAF II. NATIONALITEIT (Burgerlijke en staatkundige rechten)

Artikel 19

1.

Italiaanse burgers, die op 10 Juni 1940 hun woonplaats hadden in een gebied, hetwelk krachtens dit Verdrag door Italië aan een andere Staat is afgestaan, alsmede hun kinderen, die na die datum geboren zijn, worden, behoudens hetgeen in het volgend lid bepaald is, burgers van de Staat, waaraan het gebied is overgegaan, met het volle genot van de burgerlijke en staatkundige rechten van die Staat, overeenkomstig de wetgeving, die binnen drie maanden na het van kracht worden van dit Verdrag door die Staat te dien einde zal worden afgekondigd. Nadat zij burgers van die Staat zijn geworden, verliezen zij hun Italiaanse nationaliteit.

2.

De Regering van de Staat, waaraan het gebied is overgegaan, zal binnen drie maanden na het van kracht worden van dit Verdrag de nodige wettelijke maatregelen nemen, ten einde alle in het eerste lid genoemde personen boven de leeftijd van achttien jaar (of gehuwde personen, die al of niet die leeftijd bereikt hebben), wier gewone spreektaal Italiaans is, het recht toe te kennen binnen de tijd van een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag de Italiaanse nationaliteit te kiezen. Een ieder, die aldus gekozen heeft, zal de Italiaanse nationaliteit behouden en niet beschouwd worden de nationaliteit te hebben verworven van de Staat, waaraan het gebied is overgegaan. De keuze van de man houdt niet in de keuze van de echtgenote. De keuze van alle ongehuwde kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar wordt automatisch bepaald door de keuze van de vader of, indien de vader overleden is, door die van de moeder.

3.

De Staat, waaraan het gebied is overgegaan, kan eisen, dat zij, die van het recht van keuze gebruik maken, zich binnen een jaar na de dag, waarop zij deze keuze hebben gedaan, in Italië vestigen.

4.

De Staat, waaraan het gebied is overgegaan, zal overeenkomstig zijn fundamentele wetten aan alle binnen dit gebied verblijvende personen, ongeacht hun ras, geslacht, taal of godsdienst, het genot verzekeren van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, van drukpers en publicatie, van godsdienst, van politieke overtuiging en van vereniging.

Artikel 20

1.

Binnen de tijd van een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag kunnen Italiaanse burgers boven de leeftijd van achttien jaar (of gehuwde personen, die al of niet van die leeftijd zijn), van wie een der Zuidslavische talen (Servisch, Kroatisch of Sloweens) de gewone spreektaal is en die hun woonplaats op Italiaans grondgebied nebben, na indiening van een verzoek bij de Zuidslavische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger in Italië, de Zuidslavische nationaliteit verkrijgen, wanneer de Zuidslavische autoriteiten hun verzoek inwilligen.

2.

In die gevallen zal de Zuidslavische Regering langs diplomatieke weg aan de Italiaanse Regering de lijsten doen toekomen van de personen, die op die wijze de Zuidslavische nationaliteit hebben verworven. Op de dag, waarop deze lijsten officieel worden medegedeeld, verliezen de daarop genoemde personen hun Italiaanse nationaliteit.

3.

De Italiaanse Regering kan eisen, dat die personen zich binnen één jaar na de dag, waarop voornoemde lijst officieel is medegedeeld, in Zuidslavië vestigen.

4.

De regeling in lid 2 van artikel 19, betreffende de gevolgen, welke de nationaliteitskeuze voor echtgenoten en kinderen heeft, is eveneens van toepassing op de in dit artikel bedoelde personen.

5.

De bepalingen, vervat in lid 10 van bijlage XIV van dit Verdrag met betrekking tot de overdracht van de bezittingen van personen, die de Italiaanse nationaliteit hebben gekozen, zijn eveneens van toepassing op de overdracht van bezittingen van personen, die ingevolge de bepalingen van dit artikel de Zuidslavische nationaliteit kiezen.

PARAGRAAF III. HET VRIJE GEBIED VAN TRIËST

Artikel 21

1.

Ingevolge dit artikel wordt ingesteld het Vrije Gebied van Triëst, gevormd door het gebied tussen de Adriatische Zee en de grenzen, die in de artikelen 4 en 22 van dit Verdrag omschreven zijn. Het Vrije Gebied van Triëst wordt erkend door de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden, alsmede door Italië, welke overeenkomen, dat de onaantastbaarheid en onafhankelijkheid van dit gebied door de Veiligheidsraad der Verenigde Naties gewaarborgd zullen worden.

2.

De Italiaanse souvereiniteit over het gebied, dat het in lid 1 van dit artikel omschreven Vrije Gebied van Triëst vormt, zal bij het van kracht worden van dit Verdrag ophouden te bestaan.

3.

Na de beëindiging van de Italiaanse souvereiniteit over het betrokken gebied zal het Vrije Gebied van Triëst bestuurd worden volgens de bepalingen van een Regeling voor het voorlopige bewind, vastgesteld door de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken en goedgekeurd door de Veiligheidsraad. Die Regeling blijft van kracht tot de datum, welke de Veiligheidsraad zal bepalen voor de in werking treding van het Permanente Statuut, dat door de Veiligheidsraad zal moeten worden goedgekeurd. Vanaf die datum zullen voor het Vrije Gebied de bepalingen van dit Permanente Statuut gelden. De tekst van het Permanente Statuut, zowel als van de Regeling voor het voorlopig bewind, zijn opgenomen in bijlage VI en VII.

4.

Het Vrije Gebied van Triëst wordt niet beschouwd als afgestaan gebied in de zin van artikel 19 en van bijlage XIV van dit Verdrag.

5.

Italië en Zuidslavië verbinden zich aan het Vrije Gebied van Triëst de in bijlage IX omschreven garanties te geven.

Artikel 22

De grens tussen Zuidslavië en het Vrije Gebied van Triëst wordt vastgesteld als volgt:

    1. De nieuwe grenslijn begint bij een punt aan de grens tussen de provincies Gorizia en Triëst, ongeveer 2 km ten Noord-Oosten van het dorp San Giovanni en ongeveer 0,5 km ten Noord-Westen van punt 208, waar de grenzen van Zuidslavië, Italië en het Vrije Gebied van Triëst samen komen, en volgt de provinciale grens tot de Mont Lanaro (punt 546) en van hier in Zuid-Oostelijke richting tot de Mont Cocusso (punt 672), via punt 461, Meducia (punt 475), Monte dei Pini (punt 476) en punt 407, vervolgens kruist zij de grote weg No. 58 van Triëst naar Sesana op ongeveer 3,3 km ten Zuid-Westen van deze laatste stad, terwijl zij de dorpen Vogliano en Orle Oostelijk en het dorp Zolla ongeveer 0,4 km Westelijk laat liggen.
    1. Van de Mont Cocusso loopt de lijn dóór in Zuid-Oostelijke richting, terwijl zij het dorp Grozzana in het Westen laat liggen, tot aan de Mont Goli (punt 621), loopt dan in Zuid-Westelijke richting, kruist bij punt 455 de weg van Triëst naar Cosina en bij punt 485 de spoorweg, loopt langs de punten 416 en 326, laat de dorpen Beca en Castel op Zuidslavisch gebied liggen en kruist op ongeveer 100 m ten Zuid-Oosten van Opso de weg van Opso naar Gabrovizza d'Istria; vervolgens kruist zij de rivier de Risano en de weg van Villa Decani naar Risano op een punt ongeveer 350 m ten Westen van laatstgenoemd dorp, terwijl zij het dorp Rosario en de weg van Risano naar San Sergio op Zuidslavisch gebied laat; van hier loopt de lijn langs de punten 285 en 354 tot het kruispunt op ongeveer 1 km ten Noord-Oosten van punt 362.
    1. Van hier loopt de lijn tot een punt ongeveer 0,5 km ten Oosten van het dorp Cernova, kruist de rivier de Dragogna ongeveer 1 km ten Noorden van dit dorp, terwijl zij de dorpen Bucciai en Truscolo Westelijk en het dorp Tersecco Oostelijk laat liggen; vervolgens loopt zij in Zuid-Westelijke richting naar de Zuid-Oostkant van de weg, die de dorpen Cernova en Chervoi verbindt, verlaat deze weg ongeveer 0,8 km ten Oosten van het dorp Cucciani, vanwaar zij in een hoofdzakelijk Zuid-Zuid-Westelijke richting lopend, de Mont Braico op ongeveer 0,4 km ten Oosten en het dorp Sterna Filaria ongeveer 0,4 km ten Westen passeert, en de weg van dit laatste dorp naar Piemont Oostelijk laat liggen; vervolgens passeert zij de stad Piemont ongeveer 0,4 km ten Westen daarvan en de stad Castagna ongeveer 0,5 km ten Oosten en bereikt de rivier Quieto op een punt ongeveer 1,6 km ten Zuid-Westen van de stad Castagna.
    1. Van hier volgt de grens de verbeterde voornaamste vaargeul van de Quieto tot aan haar monding en loopt door Porto del Quieto naar de volle zee, waarbij zij een lijn volgt, die op gelijke afstand is getrokken van de kustlijn van het Vrije Gebied van Triëst en die van Zuidslavië.

De kaart, waarop deze beschrijving betrekking heeft, maakt deel uit van bijlage I .

PARAGRAAF IV. ITALIAANSE KOLONIËN

Artikel 23

1.

Italië ziet af van alle rechten en aanspraken op de Italiaanse grondgebieden in Afrika, te weten Libië, Eritrea en Italiaans Somaliland.

2.

In afwachting van de definitieve bestemming zal het tegenwoordig bestuur over deze gebieden gehandhaafd blijven.

3.

De definitieve bestemming van deze gebieden zal binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag gemeenschappelijk door de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie geregeld worden volgens de aanwijzingen, vervat in de gemeenschappelijke verklaring, welke deze Regeringen op 10 Februari 1947 hebben afgelegd en welke is opgenomen in bijlage XI.

PARAGRAAF V. BIJZONDERE BELANGEN VAN CHINA

Artikel 24

Italië doet ten gunste van China afstand van alle voorrechten en voordelen, welke voortvloeien uit de bepalingen van het Slotprotocol, hetwelk 7 September 1901 te Peking getekend werd, met inbegrip van alle aanhangsels, nota's en documenten ter aanvulling daarvan, en aanvaardt de annulering, ten opzichte van Italië, van voornoemd protocol, aanhangsels, nota's en documenten. Italië ziet tevens af van elke aanspraak op schadevergoeding op grond daarvan.

Artikel 25

Italië aanvaardt de vernietiging van de overeenkomst, afgesloten met de Chinese Regering, krachtens hetwelk de Italiaanse Concessie van Tientsin werd verkregen, en verbindt zich aan de Chinese Regering alle eigendommen en archieven, welke aan het bestuur van genoemde concessie behoren, over te dragen.

Artikel 26

Italië doet ten gunste van China afstand van alle rechten, welke aan Italië verleend waren met betrekking tot de Internationale Concessies van Shanghai en Amoy, en verbindt zich de administratie en de contrôle van die Concessies aan China over te dragen.

PARAGRAAF VI. ALBANIË

Artikel 27

Italië erkent de souvereiniteit en onafhankelijkheid van de Staat Albanië en verbindt zich die te eerbiedigen.

Artikel 28

Italië erkent, dat het eiland Saseno deel uitmaakt van het grondgebied van Albanië en doet afstand van alle aanspraken daarop.

Artikel 29

Italië doet ten gunste van Albanië officieel afstand van alle eigendommen (met uitzondering van de gebouwen, waarin de diplomatieke en consulaire missies gewoonlijk verblijven), rechten, concessies, belangen en voordelen van welke aard ook in Albanië, welke aan de Italiaanse Staat of aan Italiaanse semi-officiële instellingen behoren. Italië doet eveneens afstand van alle aanspraken op bijzondere belangen of invloed in Albanië, welke ingevolge de aanval van 7 April 1939 of krachtens vóór die datum gesloten verdragen of overeenkomsten verkregen werden.

De economische bepalingen van dit Verdrag, welke de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden kunnen doen gelden, zijn van toepassing op de andere Italiaanse eigendommen en de andere economische betrekkingen tussen Albanië en Italië.

Artikel 30

Italiaanse onderdanen in Albanië zullen dezelfde rechtspositie hebben als de onderdanen van andere landen; Italië erkent evenwel de rechtsgeldigheid van alle maatregelen, welke door Albanië getroffen worden om de aan Italiaanse onderdanen verleende concessies en bijzondere rechten teniet te doen of te wijzigen, mits die maatregelen binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag genomen worden.

Artikel 31

Italië erkent, dat alle overeenkomsten en regelingen, welke het getroffen heeft met de door Italië tussen 7 April 1939 en 3 September 1943 in Albanië benoemde autoriteiten, van nul en generlei waarde zijn.

Artikel 32

Italië erkent de rechtsgeldigheid van alle maatregelen, welke Albanië nodig mocht achten te treffen ter bevestiging of uitvoering der bovenstaande bepalingen.

PARAGRAAF VII. ETHIOPIË

Artikel 33

Italië erkent de souvereiniteit en onafhankelijkheid van de Staat Ethiopië en verbindt zich die te eerbiedigen.

Artikel 34

Italië doet ten gunste van Ethiopië officieel afstand van alle eigendommen (met uitzondering van de gebouwen, waarin de diplomatieke en consulaire missies gewoonlijk verblijven), rechten, concessies, belangen en voordelen, van welke aard ook, welke te eniger tijd door Italië in Ethiopië verkregen zijn, alsmede van alle semi-officiële eigendommen, omschreven in lid 1 van bijlage XIV van dit Verdrag.

Italië doet eveneens afstand van alle aanspraken op bijzondere belangen of invloed in Ethiopië.

Artikel 35

Italië erkent de rechtsgeldigheid van alle maatregelen, welke de Regering van Ethiopië heeft genomen of zal nemen, teneinde de maatregelen, welke Italië ten opzichte van Ethiopië na 3 October 1935 getroffen heeft, alsmede de gevolgen van die maatregelen, teniet te doen.

Artikel 36

Italiaanse onderdanen in Ethiopië zullen dezelfde rechtspositie hebben als de onderdanen van andere landen; Italië erkent evenwel de rechtsgeldigheid van alle maatregelen, welke door de Regering van Ethiopië getroffen worden om de aan Italiaanse onderdanen verleende concessies en bijzondere rechten teniet te doen of te wijzigen, mits die maatregelen binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag genomen worden.

Artikel 37

Binnen achttien maanden na het van kracht worden van dit Verdrag zullen alle kunstwerken, voorwerpen van godsdienstige aard, archieven en voorwerpen van historische waarde, welke aan Ethiopië of zijn burgers behoren en na 3 October 1935 uit Ethiopië naar Italië zijn weggevoerd, door Italië worden teruggegeven.

Artikel 38

Als datum, met ingang waarvan de bepalingen van dit Verdrag zullen worden toegepast ten aanzien van alle maatregelen en feiten, van welke aard ook, waarbij de verantwoordelijkheid van Italië of van Italiaanse burgers ten opzichte van Ethiopië betrokken is, wordt bepaald 3 October 1935.

PARAGRAAF VIII. INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

Artikel 39

Italië verbindt zich alle regelingen te aanvaarden, welke zijn of zullen worden overeengekomen voor de liquidatie van de Volkenbond, het Permanente Hof van Internationale Justitie, alsmede voor de Internationale Financiële Commissie in Griekenland.

Artikel 40

Italië doet afstand van alle rechten, aanspraken en vorderingen, welke voortvloeien uit het mandatenstelsel of uit verbintenissen voortvloeiend uit dit stelsel, alsmede van alle bijzondere rechten van de Italiaanse Staat met betrekking tot enig mandaatgebied.

Artikel 41

Italië aanvaardt de bepalingen van de Slotacte van 31 Augustus 1945 en van de Frans-Britse Overeenkomst van dezelfde datum, betreffende het Statuut van Tanger, alsmede alle bepalingen, welke door de Mogendheden, die het Verdrag ondertekenen, mochten worden getroffen, om aan deze Acten uitvoering te geven.

Artikel 42

Italië verbindt zich alle regelingen te aanvaarden, welke door de betrokken Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden getroffen mochten worden tot wijziging van de Verdragen, betreffende het Congo-bekken, teneinde deze in overeenstemming te brengen met het Handvest der Verenigde Naties; het erkent de geldigheid dezer regelingen.

Artikel 43

Italië doet afstand van alle rechten en belangen, welke het mocht hebben krachtens artikel 16 van het op 24 Juli 1923 getekende Verdrag van Lausanne.

PARAGRAAF IX. BILATERALE VERDRAGEN

Artikel 44

1.

Elk der Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden zal, binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag, Italië er van in kennis stellen, welke van haar voor-oorlogse bilaterale verdragen met Italië zij wenst te bestendigen of te doen herleven. Alle bepalingen van genoemde verdragen, welke met dit Verdrag niet in overeenstemming zijn, zullen echter komen te vervallen.

2.

Al dergelijke verdragen, waarvan op deze wijze kennis is gegeven, worden overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties op het Secretariaat van de Verenigde Naties ingeschreven.

3.

Al dergelijke verdragen, waarvan geen kennis is gegeven in bovengenoemde zin, zullen worden beschouwd als te zijn vervallen.

DEEL III. OORLOGSMISDADIGERS

Artikel 45

1.

Italië zal de nodige maatregelen treffen voor de aanhouding en uitlevering ter berechting van:

  • a. personen, beschuldigd oorlogsmisdaden of misdaden tegen de vrede en de mensheid te hebben bedreven, tot het bedrijven daarvan opdracht te hebben gegeven of daaraan medeplichtig te zijn geweest;
  • b. onderdanen van een Geallieerde en Geassocieerde Mogendheid, beschuldigd de wetten van hun land te hebben geschonden door het plegen van verraad of het verlenen van medewerking aan de vijand tijdens de oorlog.
2.

Op verzoek van de betrokken Regering van een der Verenigde Naties zal Italië eveneens de verschijning als getuigen moeten waarborgen van binnen zijn rechtsgebied verblijvende personen, wier verklaringen noodzakelijk zijn voor de berechting van de in lid 1 van dit artikel bedoelde personen.

3.

Alle geschillen omtrent de toepassing van de bepalingen in lid 1 en 2 van dit artikel zullen door ieder van de betrokken Regeringen worden voorgelegd aan de Ambassadeurs te Rome van de Sowjet-Unie, de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, die omtrent de gerezen moeilijkheden een accoord zullen treffen.

DEEL IV. MILITAIRE, MARINE- EN LUCHTVAARTBEPALINGEN

PARAGRAAF I. GELDIGHEIDSDUUR

Artikel 46

Alle militaire, marine- en luchtvaartbepalingen van dit Verdrag zullen van kracht blijven, tot zij door een overeenkomst tussen de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië geheel of gedeeltelijk gewijzigd zijn, of, nadat Italië Lid is geworden van de Verenigde Naties, door een overeenkomst tussen de Veiligheidsraad en Italië.

PARAGRAAF II. ALGEMENE BEPERKINGEN

Artikel 47

  • a. Het stelsel van Italiaanse vaste versterkingen en militaire installaties, alsmede hun bewapening, langs de Frans-Italiaanse grens zal vernietigd of verwijderd worden.
  • b. Onder dit stelsel zijn slechts te verstaan de afzonderlijke of groepsgewijs verenigde artillerie- en infanterie-versterkingswerken, alle soorten kazematten en bunkers, de versterkte onderkomens voor personeel, materieel, voorraden zowel als de munitie, de waarnemingsposten en de militaire kabelbanen, ongeacht hun betekenis en hun staat van onderhoud of hun constructie-stadium, en ongeacht of deze constructies van metaal, metselwerk of beton zijn, dan wel uit de rotsen zijn gehouwen.
2.

De in lid 1 bedoelde vernietiging of verwijdering strekt zich uit over een afstand van niet meer dan 20 km van de grenslijn, zoals die in dit Verdrag omschreven is, en moet binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag voltooid zijn.

3.

De wederopbouw van deze versterkingen en installaties is verboden.

  • a. Ten Oosten van de Frans-Italiaanse grens is de constructie van de volgende werken verboden: vaste versterkingen, waar wapenen kunnen worden opgesteld, waarmede Frans grondgebied en Franse territoriale wateren kunnen worden beschoten; vaste militaire installaties, welke gebruikt kunnen worden om het vuur te leiden of te richten op Frans grondgebied of Franse territoriale wateren; alsmede vaste aanvoer- en opslaginstallaties, uitsluitend opgericht ten gebruike van voornoemde versterkingen en installaties.
  • b. Dit verbod omvat niet de andere soorten van niet-vaste versterkingen of bovengrondse kazernes en installaties, welke slechts bestemd zijn gebruikt te worden, indien binnenlandse aangelegenheden of de plaatselijke verdediging van de grenzen zulks vereisen.
5.

Het is Italië niet geoorloofd in een kuststreek van 15 km diepte, zich uitstrekkende van de Frans-Italiaanse grens tot de meridiaan van 9° 30' oosterlengte, nieuwe marine-bases of vaste marine-installaties op te richten, noch bestaande inrichtingen van die aard uit te breiden. Dit verbod vormt geen beletsel voor onbelangrijke wijzigingen of het onderhoud van bestaande marine-installaties, mits de gezamenlijke capaciteit van die installaties hierdoor geen uitbreiding ondergaat.

Artikel 48

  • a. Alle langs de Italiaans-Zuidslavische grens bestaande Italiaanse vaste versterkingen en militaire installaties, alsmede hun bewapening, moeten vernietigd of verwijderd worden.
  • b. Onder deze versterkingen en installaties zijn slechts te verstaan de afzonderlijke of groepsgewijs verenigde artillerie- en infanterie-versterkingswerken, alle soorten kazematten en bunkers, de versterkte onderkomens voor personeel, materieel, voorraden munitie, de waarnemingsposten en de militaire kabelbanen, ongeacht hun betekenis en hun staat van onderhoud of hun constructie-stadium, en ongeacht of deze constructies van metaal, metselwerk of beton zijn, dan wel uit de rotsen zijn gehouwen.
2.

De in lid 1 bedoelde vernietiging of verwijdering strekt zich uit over een afstand van niet meer dan 20 km van de grens, zoals die in dit Verdrag omschreven is, en moet binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag voltooid zijn.

3.

De wederopbouw van deze versterkingen en installaties is verboden.

  • a. Ten Westen van de Italiaans-Zuidslavische grens is de constructie van de volgende werken verboden: vaste versterkingen, waar wapenen kunnen worden opgesteld, waarmede Zuidslavisch grondgebied of Zuidslavische territoriale wateren kunnen worden beschoten; vaste militaire installaties, welke gebruikt kunnen worden om het vuur te leiden of te richten op Zuidslavisch grondgebied of Zuidslavische territoriale wateren; alsmede vaste aanvoer- en opslaginstallaties, uitsluitend opgericht ten gebruike van voornoemde versterkingen en installaties.
  • b. Dit verbod omvat niet de andere soorten van niet-vaste versterkingen of bovengrondse kazernes en installaties, welke slechts bestemd zijn gebruikt te worden, indien binnenlandse aangelegenheden of de plaatselijke verdediging van de grenzen zulks vereisen.
5.

Het is Italië niet geoorloofd in een kuststrook van 15 km diepte, zich uitstrekkende van de Italiaans-Zuidslavische grens en die tussen Italië en het Vrije Gebied van Triëst tot op 44° 50' noorderbreedte, noch op de voor deze kuststrook gelegen eilanden, nieuwe marine-bases of vaste marine-installaties op te richten of bestaande inrichtingen van die aard uit te breiden. Dit verbod vormt geen beletsel voor onbelangrijke wijzigingen of het onderhoud van bestaande marine-installaties en bases, mits de gezamenlijke capaciteit van die installaties en bases hierdoor geen uitbreiding ondergaat.

6.

Het is Italië niet geoorloofd op het schiereiland Apulië ten Oosten van 17°45' oosterlengte nieuwe vaste militaire land-, -zee- of luchtmachtinstallaties op te richten of bestaande installaties van die aard uit te breiden. Dit verbod vormt geen beletsel voor onbelangrijke wijzigingen of het onderhoud van bestaande installaties, mits hun gezamenlijke capaciteit hierdoor geen uitbreiding ondergaat. Het bouwen van kazernes voor de veiligheidstroepen voor zover deze nodig zijn met betrekking tot binnenlandse aangelegenheden en de plaatselijke verdediging van de grenzen is echter geoorloofd.

Artikel 49

1.

Pantellaria, de Pelagese eilanden (Lampedusa, Lampione en Linosa), alsmede Pianosa (in de Adriatische Zee) worden en blijven gedemilitariseerd.

2.

Deze demilitarisatie moet binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag voltooid zijn.

Artikel 50

1.

Alle vaste kustverdedigingsartillerie-stellingen en haar bewapening op Sardinië, alsmede alle marine-installaties op dit eiland, welke zich binnen de afstand van 30 km van de Franse territoriale wateren bevinden, moeten binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag naar het vasteland van Italië overgebracht of vernietigd worden.

2.

Alle vaste installaties en materiaal ten dienste van het onderhoud en berging van torpedo's, zeemijnen en bommen, gelegen op Sicilië en Sardinië, moeten binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag vernietigd of naar het vaste land van Italië overgebracht worden.

3.

Verbeteringen aan, verbouwing of uitbreiding van bestaande installaties of vaste versterkingen op Sicilië en Sardinië, zijn verboden; evenwel kan behoudens in de in lid 1 hierboven omschreven gedeelten van Noord-Sardinië een normaal onderhoud van aldaar reeds bestaande installaties of vaste versterkingen en hun bewapening plaats vinden.

4.

Het is Italië niet geoorloofd op Sicilië en Sardinië militaire land-, zee- of luchtmachtinstallaties of versterkingen te bouwen, met uitzondering van kazernes voor veiligheidstroepen, voorzover deze nodig zijn met betrekking tot binnenlandse aangelegenheden.

Artikel 51

Het is Italië niet geoorloofd de volgende bewapeningen te bezitten, te vervaardigen of daarmede proeven te nemen:

    1. atoomwapenen;
    1. zich zelf voortbewegende of bestuurde projectielen, alsmede de installaties om deze af te schieten (behalve torpedo's en torpedo-lanceerinrichtingen, die de normale bewapening vormen van oorlogsschepen, welke bij dit Verdrag zijn toegestaan);
    1. kanonnen met een draagwijdte van meer dan 30 km;
    1. zeemijnen en torpedo's, welke niet door contact, doch door invloeden van buiten af tot ontploffing komen;
    1. torpedo's, die bemand kunnen worden.

Artikel 52

De aanschaffing in of buiten Italië van oorlogsmaterieel van Duitse of Japanse oorsprong, of naar Duitse of Japanse ontwerpen vervaardigd, zowel als de vervaardiging daarvan, zijn aan Italië verboden.

Artikel 53

Het vervaardigen en het bezit van staatswege of door particulieren van oorlogsmateriaal van een verschillend type en boven de hoeveelheid van dat, hetwelk benodigd is voor de troepen, welke hieronder in de paragrafen III, IV en V worden toegestaan, is Italië verboden.

Artikel 54

Het totale aantal zware en middelzware tanks van het Italiaanse leger mag niet meer dan 200 bedragen.

Artikel 55

In geen geval mogen officieren of onderofficieren van de vroegere Fascistische Militie of van het vroegere Fascistische Republikeinse Leger de rang van officier of onderofficier bekleden bij het Italiaanse Leger, de Italiaanse Marine, Luchtmacht of Carabinieri, met uitzondering van die personen, die, overeenkomstig de Italiaanse wet, door het bevoegde orgaan gezuiverd zijn.

PARAGRAAF III. BEPERKINGEN VAN DE ITALIAANSE MARINE

Artikel 56

1.

De tegenwoordige Italiaanse vloot zal beperkt worden tot de in bijlage XII A opgesomde eenheden.

2.

Extra eenheden, welke niet in bijlage XII voorkomen en uitsluitend voor het vegen van mijnen gebruikt worden, mogen ook verder voor dit doel gebruikt worden tot de tijd van het mijnenvegen is afgelopen, welke door de Internationale Centrale Commissie voor de Mijnopruiming in de Europese Wateren bepaald zal worden.

3.

Binnen twee maanden na het einde van die tijd zullen de schepen, welke door andere Mogendheden aan de Italiaanse Marine zijn uitgeleend, aan die Mogendheden worden teruggegeven, terwijl alle andere extra eenheden ontwapend en voor burgerlijk gebruik omgebouwd moeten worden.

Artikel 57

1.

Met de in bijlage XII B nader omschreven eenheden der Italiaanse Marine zal Italië handelen als volgt:

  • a. Deze eenheden zullen ter beschikking worden gesteld van de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie.
  • b. Oorlogsschepen, welke ingevolge lid ahierboven moeten worden overgedragen, zullen volledig uitgerust en gebruiksklaar moeten zijn, met alles, wat dient tot het gebruik der wapens, inclusief alle bijbehorende reserve-onderdelen en alle vereiste technische gegevens.
  • c. De overdracht van voornoemde oorlogsschepen zal geschieden binnen drie maanden na het van kracht worden van dit Verdrag, behalve ten aanzien van die schepen, die niet binnen drie maanden in de vereiste staat kunnen worden gebracht en waarvoor de opleveringstermijn door de vier Regeringen kan worden verlengd.
  • d. Voor zover dat mogelijk is, zal een reservevoorraad van onderdelen en bewapeningsonderdelen voor genoemde schepen tegelijk met de schepen worden geleverd. Een aanvullende reservevoorraad van onderdelen en bewapeningsonderdelen zal worden geleverd tot een hoeveelheid en op data door de vier Regeringen te bepalen, in ieder geval uiterlijk binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag.
2.

De wijze, waarop bovengenoemde overdracht en levering moet geschieden, zal geregeld worden door een Commissie van de Vier Mogendheden, welke door middel van een afzonderlijk protocol wordt ingesteld.

3.

In geval van verlies of beschadiging, door welke oorzaak ook, van één of meerdere der in bijlage XII B voor overdracht aangewezen schepen, welke voor de overeengekomen datum niet hersteld kunnen worden, verbindt Italië zich deze te vervangen door een schip of schepen van hetzelfde tonnage vermeld op de lijst in bijlage XII A. In dit laatste geval zullen de Ambassadeurs van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie te Rome het schip of de schepen ter vervanging uitkiezen.

Artikel 58

1.

Met onderzeeërs en onklare oorlogsschepen zal Italië als volgt handelen: de tijdslimiet, binnen welke de hierna te noemen handelingen moeten geschieden, wordt geacht te zijn ingegaan bij het van kracht worden van dit Verdrag.

  • a. De niet in bijlage XII opgesomde, vlot zijnde bovenwater oorlogsbodems, met inbegrip van in aanbouw zijnde te water gelaten oorlogsschepen, moeten binnen negen maanden vernietigd of gesloopt worden.
  • b. De in aanbouw zijnde oorlogsschepen, welke op de helling liggen, moeten binnen negen maanden vernietigd of gesloopt worden.
  • c. De niet in bijlage XII B opgesomde vlot zijnde onderzeeërs moeten binnen drie maanden op een diepte van meer dan 600 voet in volle zee tot zinken worden gebracht.
  • d. Oorlogsschepen, welke in Italiaanse havens of toegangswegen tot die havens tot zinken zijn gebracht en de normale scheepvaart belemmeren, moeten binnen twee jaar ter plaatse worden vernietigd of wel geborgen en vervolgens vernietigd of gesloopt worden.
  • e. Oorlogsschepen, welke in ondiepe Italiaanse wateren tot zinken zijn gebracht, doch de normale scheepvaart niet belemmeren, moeten binnen een jaar in zodanige toestand worden gebracht, dat zij niet meer geborgen kunnen worden.
  • f. De niet in bijlage XII voorkomende oorlogsschepen, welke omgebouwd kunnen worden en niet als oorlogsmaterieel zijn aan te merken, mogen voor burgerlijke doeleinden worden omgebouwd of moeten binnen twee jaar worden vernietigd.
2.

Italië verbindt zich, alvorens over te gaan tot het doen zinken of vernietigen van de in het vorig lid genoemde oorlogsschepen en onderzeeërs, het materieel en de onderdelen te bergen, welke kunnen dienen tot aanvulling van de materieel- en onderdelenvoorraden aan boord en de reservevoorraden, welke ingevolge lid 1 van Artikel 57 voor alle in bijlage XII B omschreven schepen geleverd moeten worden.

3.

Het materieel en de onderdelen, welke niet als oorlogsmaterieel zijn aan te merken en gemakkelijk geschikt zijn te maken ten gebruike van het Italiaanse bedrijfsleven, mogen door Italië geborgen worden onder toezicht van de Ambassadeurs van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie te Rome.

Artikel 59

1.

Italië mag geen slagschip bouwen, aanschaffen of vervangen.

2.

Italië mag geen vliegtuigmoederschip, geen onderzeeër of ander onderzeevaartuig, geen motor-torpedoboot en geen gespecialiseerd type van aanvalsvaartuig bouwen, verkrijgen, gebruiken of proeven daarmede nemen.

3.

De totale standaard-tonnage van de oorlogsschepen der Italiaanse Marine, uitgezonderd slagschepen, met inbegrip van in aanbouw zijnde schepen, nadat zij te water zijn gelaten, mag niet meer dan 67.500 ton bedragen.

4.

Bij de vervanging van oorlogsschepen zal Italië zich moeten houden aan de in lid 3 genoemde tonnagelimiet. De vervanging van hulpschepen is niet aan een beperking onderworpen.

5.

Italië verbindt zich geen enkel oorlogsschip vóór 1 Januari 1950 aan te schaffen of op stapel te zetten, behalve wanneer het nodig zou zijn een schip, geen slagschip zijnde, hetwelk door een ongeluk vergaan is, te vervangen, in welk geval de tonnage van het nieuwe schip ten hoogste tien percent meer mag bedragen dan de tonnage van het verloren schip.

6.

De in dit artikel gebezigde termen zijn, voor de toepassing van dit Verdrag, omschreven in bijlage XIII A.

Artikel 60

1.

De totale sterkte van het Italiaans Marinepersoneel, met uitzondering van het Marine-luchtvaartpersoneel, mag het getal van 25.000 officieren en manschappen niet overschrijden.

2.

Gedurende het tijdvak, dat voor het vegen van mijnen wordt vastgesteld door de Internationale Centrale Commissie voor de Mijnopruiming in de Europese Wateren, wordt Italië voor dit doel bovendien nog een aantal officieren en manschappen tot een gezamenlijk maximum van 2500 toegestaan.

3.

Het vaste personeel van de Marine, dat het in lid 1 toegestane totaal te boven gaat, zal geleidelijk tot onderstaande sterkte verminderd worden, waarbij de ondervermelde termijnen worden geacht te zijn ingegaan bij het van kracht worden van dit Verdrag:

  • a. Tot 30.000 man binnen zes maanden;
  • b. Tot 25.000 man binnen negen maanden.

Twee maanden nadat het vegen van mijnen door de Italiaanse Marine beëindigd zal zijn, moet het krachtens lid 2 toegestane meerdere personeel ontslagen of in bovengenoemde sterkten worden opgenomen.

4.

Behalve het personeel, dat valt onder de krachtens lid 1 en 2 toegestane sterkte, of dat behoort tot de Marine-luchtvaartdienst en waarvan de sterkte krachtens artikel 65 wordt toegestaan, mag niemand in enigerlei vorm een marine-opleiding in de zin van bijlage XIII B ontvangen.

PARAGRAAF IV. BEPERKINGEN VAN HET ITALIAANSE LEGER

Artikel 61

Het Italiaanse Leger, met inbegrip van de Grenswacht, moet beperkt worden tot een sterkte van 185.000 man, met inbegrip van de staven, de gevechtstroepen en de verzorgingstroepen, alsmede 65.000 Carabinieri. Beide categorieën mogen 10.000 man verschillen, mits de totale sterkte van 250.000 man niet overschreden wordt. De organisatie en bewapening van de Italiaanse strijdkrachten te land, zowel als haar verdeling over Italië, zullen uitsluitend bestemd zijn voor binnenlandse aangelegenheden, de plaatselijke verdediging van de Italiaanse grenzen en de luchtverdediging.

Artikel 62

Het Italiaanse Leger moet, in zover het de sterkte te boven gaat, toegestaan krachtens art. 61, binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag ontbonden worden.

Artikel 63

Personen, die geen deel uitmaken van het Italiaanse Leger of de Carabinieri, mogen in generlei vorm een militaire opleiding in de zin van bijlage XIII B ontvangen.

PARAGRAAF V. BEPERKING VAN DE ITALIAANSE LUCHTMACHT

Artikel 64

1.

De Italiaanse Luchtmacht, met inbegrip van de Marineluchtmacht, moet beperkt worden tot een sterkte van 200 gevechts- en verkenningsvliegtuigen, alsmede 150 transportvliegtuigen, vliegtuigen voor redding ter zee, opleidingsvliegtuigen (les-type) en verbindingsvliegtuigen. De reservevliegtuigen zijn in deze totalen begrepen. Behalve de gevechts- en verkenningsvliegtuigen, mogen de vliegtuigen niet bewapend zijn. De organisatie en bewapening van de Italiaanse Luchtmacht, zowel als haar verdeling over Italië, zullen uitsluitend bestemd zijn voor binnenlandse aangelegenheden, de plaatselijke verdediging van de Italiaanse grenzen en de verdediging tegen luchtaanvallen.

2.

Italië mag geen enkel vliegtuig bezitten of verkrijgen, dat in de eerste plaats als bommenwerper is ontworpen en een inwendige inrichting heeft voor het transport van bommen.

Artikel 65

1.

De sterkte van het personeel van de Italiaanse Luchtmacht met inbegrip van het Marine-luchtvaartpersoneel, moet beperkt worden tot een totaal van 25 000, met inbegrip van de staven, de gevechtstroepen en verzorgingstroepen.

2.

Personen, die geen deel uitmaken van de Italiaanse Luchtmacht, mogen in generlei vorm een militaire luchtvaartopleiding in de zin van bijlage XIII B ontvangen.

Artikel 66

De Italiaanse Luchtmacht moet, in zover zij de sterkte, toegestaan krachtens art. 65, te boven gaat, binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag ontbonden worden.

PARAGRAAF VI. BESTEMMING VAN HET OORLOGSMATERIEEL

Artikel 67

1.

Al het Italiaanse oorlogsmaterieel buiten hetgeen is toegestaan voor de strijdkrachten, gespecificeerd in de paragrafen III, IV en V, moet ter beschikking worden gesteld van de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie, overeenkomstig de instructies, door haar aan Italië te geven.

2.

Al het oorlogsmaterieel van Geallieerde oorsprong, boven hetgeen voor de in de paragrafen III, IV en V gespecificeerde strijdkrachten is toegestaan, zal ter beschikking worden gesteld van de betrokken Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid, overeenkomstig de door haar aan Italië te geven instructies.

3.

Al het oorlogsmaterieel van Duitse of Japanse oorsprong boven hetgeen voor de in paragrafen III, IV en V gespecificeerde strijdkrachten is toegestaan, alsmede alle Duitse en Japanse plannen, blauwdrukken, prototypen, proefmodellen en ontwerpen, moeten ter beschikking worden gesteld van de Vier Regeringen overeenkomstig de eventueel door haar aan Italië te geven instructies.

4.

Italië doet afstand van alle rechten op bovengenoemd oorlogsmaterieel en moet binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag de bepalingen van dit artikel uitvoeren, onder voorbehoud van hetgeen bepaald is in de artt. 56—58.

5.

Italië moet binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag aan de Vier Regeringen lijsten verschaffen van het oorlogsmaterieel boven hetgeen is toegestaan.

PARAGRAAF VII. VOORKOMING VAN DUITSE EN JAPANSE HERBEWAPENING

Artikel 68

Italië verbindt zich aan de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden zijn volledige medewerking te verlenen, teneinde Duitsland en Japan de mogelijkheid te ontnemen buiten Duits en Japans gebied pogingen tot herbewapening in het werk te stellen.

Artikel 69

Italië verbindt zich geen toestemming te verlenen aan technici, met inbegrip van militair of burgerlijk luchtvaartpersoneel, die de Duitse of Japanse nationaliteit bezitten of bezeten hebben om op Italiaans grondgebied tewerkgesteld, of opgeleid te worden.

Artikel 70

Italië verbindt zich geen enkel burgervliegtuig van Duits of Japans model of hetwelk belangrijke door Duitsland of Japan vervaardigde of ontworpen onderdelen bevat, aan te schaffen of te vervaardigen.

PARAGRAAF VIII. KRIJGSGEVANGENEN

Artikel 71

1.

De Italiaanse krijgsgevangenen zullen zo spoedig mogelijk gerepatrieerd worden overeenkomstig de regelingen, getroffen tussen elk der Mogendheden, die hen gevangen houdt, en Italië.

2.

Alle kosten, met inbegrip van onderhoudskosten, verbonden aan het vervoer van Italiaanse krijgsgevangenen van de verzamelpunten, gekozen door de Regering van de betrokken Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid, naar het punt, waar zij het Italiaans grondgebied betreden, zullen door de Italiaanse Regering gedragen worden.

PARAGRAAF IX. MIJNOPRUIMING

Artikel 72

Bij het van kracht worden van dit Verdrag zal Italië worden uitgenodigd deel uit te maken van de Middellandse Zee-Commissie van de Internationale Organisatie voor Mijnopruiming in de Europese Wateren; het verbindt zich tot het einde van de na-oorlogse periode, welke door de Centrale Commissie voor Mijnopruiming bepaald wordt, alle beschikbare middelen voor mijnopruiming ter beschikking van de Centrale Commissie te stellen.

DEEL V. TERUGTREKKING VAN DE GEALLIEERDE TROEPEN

Artikel 73

1.

Alle strijdkrachten van de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden zullen zo spoedig mogelijk uit Italië worden teruggetrokken; in ieder geval niet later dan 90 dagen na het van kracht worden van dit Verdrag.

2.

Alle Italiaanse goederen, waarvoor geen vergoeding is gegeven en welke, bij het van kracht worden van dit Verdrag, in het bezit zijn van de Geallieerde en Geassocieerde strijdkrachten, zullen binnen dezelfde termijn van 90 dagen aan de Italiaanse Regering worden teruggegeven of wel vergoed worden.

3.

Alle bank- en kassaldi, welke bij het van kracht worden van dit Verdrag in handen zijn van de Geallieerde en Geassocieerde strijdkrachten en welke de Italiaanse Regering zonder vergoeding verschaft had, zullen op overeenkomstige wijze worden gerestitueerd of de Italiaanse Regering zal daarvoor worden gecrediteerd.

DEEL VI. OORLOGSVORDERINGEN.

PARAGRAAF I. HERSTELBETALINGEN

Artikel 74

  • A. Herstelbetalingen aan de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken.
    1. Italië zal de Sowjet-Unie herstelbetalingen doen ten bedrage van $ 100 000 000 gedurende een periode van zeven jaar, te rekenen vanaf het van kracht worden van dit Verdrag. Leveringen uit de lopende industriële productie zullen in de eerste twee jaar niet geschieden.
    1. Herstelbetalingen zullen geschieden uit de volgende bronnen:
  • a. Een deel van de Italiaanse industriële installaties en uitrustingen voor het vervaardigen van oorlogsmateriaal, welke noch voor de behoeften van de toegestane militaire troepenmacht nodig zijn, noch onmiddellijk voor burgerlijke doeleinden bruikbaar te maken zijn en ingevolge art. 67 van dit Verdrag uit Italië verwijderd zullen worden;
  • b. Het Italiaanse bezit in Roemenië, Bulgarije en Hongarije, behoudens de in lid 6 van art. 79 genoemde uitzonderingen;
  • c. De Italiaanse lopende industriële productie met inbegrip van de productie der extractieve bedrijven.
    1. De hoeveelheden en soorten der te leveren goederen zullen geregeld worden door overeenkomsten tussen de Regeringen van de Sowjet-Unie en Italië; de keuze dezer goederen en het afleveringsprogramma mogen het economisch herstel van Italië niet belemmeren en de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden geen extra lasten opleggen. De krachtens dit lid gesloten overeenkomsten zullen ter kennis gebracht worden van de Ambassadeurs van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie te Rome.
    1. De Sowjet-Unie zal Italië op handelsvoorwaarden de grondstoffen en producten leveren, welke Italië gewoon is in te voeren en welke voor de productie van voornoemde goederen nodig zijn. De betaling van deze grondstoffen en producten zal verrekend worden door hun waarde in mindering te brengen van die der aan de Sowjet-Unie geleverde goederen.
    1. De vier Ambassadeurs zullen de waarde bepalen van het aan de Sowjet-Unie over te dragen Italiaanse bezit.
    1. Als berekenings-basis voor de betaling, welke in dit artikel is bepaald, geldt de Amerikaanse dollar met de goud-pariteit op 1 Juli 1946, te weten $ 35 voor een ons goud.
  • B. Herstelbetalingen aan Albanië, Ethiopië, Griekenland en Zuidslavië.
    1. Italië zal herstelbetalingen doen aan de volgende Staten: Deze betalingen zullen geschieden gedurende een periode van zeven jaar, te rekenen vanaf het van kracht worden van dit Verdrag. Leveringen uit de lopende industriële productie zullen in de eerste twee jaar niet geschieden.
Albanië tot een waarde van ..... $ 5 000 000
Ethiopië tot een waarde van ..... $ 25 000 000
Griekenland tot een waarde van ..... $ 105 000 000
Zuidslavië tot een waarde van ..... $ 125 000 000
    1. Herstelbetalingen zullen geschieden uit de volgende bronnen:
  • a. Een deel van de Italiaanse industriële installaties en uitrustingen voor het maken van oorlogsmaterieel, welke noch voor de behoeften van de toegestane militaire troepenmacht nodig zijn, noch onmiddellijk voor burgerlijke doeleinden bruikbaar zijn te maken en ingevolge art. 67 van dit Verdrag uit Italië verwijderd zullen worden;
  • b. De Italiaanse lopende industriële productie met inbegrip van de productie der extractieve bedrijven;
  • c. Alle andere categorieën van kapitaalgoederen en diensten, met uitzondering van het Italiaanse bezit, hetwelk krachtens art. 79 van dit Verdrag onder de rechtsbevoegdheid der in lid 1 voornoemde Staten valt. Tot de leveringen, welke krachtens dit lid geschieden, zullen de passagiersschepen Saturnia en Vulcania behoren, of wel één daarvan, in het geval, dat die schepen, nadat hun waarde door de vier Ambassadeurs bepaald is, door een der in lid 1 genoemde Staten binnen 90 dagen worden gevorderd. Herstelleveringen kunnen ook geschieden in de vorm van zaden.
    1. De hoeveelheden en soorten van de te leveren goederen en te verrichten diensten zullen worden geregeld door overeenkomsten tussen de tot het ontvangen van herstelbetalingen gerechtigde Regeringen en de Italiaanse Regering; de keuze dezer goederen en het afleveringsprogramma mogen het economische herstel van Italië niet belemmeren en de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden geen extra lasten opleggen.
    1. De Staten, die recht hebben op herstelbetalingen uit de lopende productie, zullen aan Italië op handelsvoorwaarden de grondstoffen of fabrikaten leveren, die Italië gewoonlijk importeert en die nodig zijn voor de productie van die waren, en betaling van deze grondstoffen of fabrikaten zal plaats vinden door hun waarden af te trekken van die van de geleverde waren.
    1. Als berekenings-basis voor de betaling, welke in dit artikel bepaald is, geldt de Amerikaanse dollar met de goudpariteit van 1 Juli 1946, te weten $ 35 voor een ons goud.
    1. De vorderingen van de in lid 1, deel B, van dit artikel genoemde Staten, welke de in dat lid gespecificeerde bedragen te boven gaan, zullen worden voldaan uit het Italiaanse bezit, hetwelk krachtens art. 79 van dit Verdrag onder de rechtsbevoegdheid van de onderscheiden Staten valt.
  • 7.
  • a. De vier Ambassadeurs zullen zich belasten met de coördinatie van en het toezicht op de uitvoering van de bepalingen van deel B van dit artikel. Zij zullen overleg plegen met de hoofden van de Diplomatieke Missies te Rome van de in lid 1, deel B, genoemde Staten en, indien de omstandigheden zulks vereisen, met de Italiaanse Regering en zij zullen de belanghebbende partijen van advies dienen. De vier Ambassadeurs zullen, voor de toepassing van dit artikel, die functies blijven waarnemen, tot aan het einde van de in lid 1, deel B, bepaalde periode voor de herstelleveringen.
  • b. Teneinde te vermijden, dat zich tussen de verschillende Staten, welke krachtens deel B van dit artikel recht hebben op herstelbetalingen, conflicten voordoen of wel dubbele toewijzigen uit de Italiaanse productie en hulpbronnen geschieden, zullen de onderscheiden Regeringen, welke krachtens deel B van dit artikel tot het ontvangen van herstelbetalingen gerechtigd zijn, en de Italiaanse Regering de vier Ambassadeurs van het openen van onderhandelingen voor een overeenkomst, als bedoeld in lid 3, alsmede van het verloop van die onderhandelingen in kennis stellen. Mochten zich tijdens die onderhandelingen moeilijkheden voordoen, dan zijn de vier Ambassadeurs bevoegd een beslissing te nemen ten aanzien van alle kwesties, die hun voorgelegd worden door een der genoemde Regeringen of wel door een andere Regering, welke krachtens deel B van dit artikel tot het ontvangen van herstelbetalingen gerechtigd is.
  • c. De vier Ambassadeurs zullen van het sluiten van overeenkomsten in kennis worden gesteld. De vier Ambassadeurs kunnen voorstellen, dat een overeenkomst, welke niet in overeenstemming is of heeft opgehouden in overeenstemming te zijn met de in lid 3 of lid 7, sub 6, genoemde beginselen, dienovereenkomstig gewijzigd zal worden.
  • C. Bijzondere bepaling voor vervroegde leveringen. Ten aanzien van de leveringen uit de lopende industriële productie, bedoeld in sectie A, lid 2c en sectie B, lid 2b, zal niets in sectie A of B van dit artikel geacht worden leveringen gedurende de eerste twee jaar uit te sluiten, indien die leveringen plaats hebben ter uitvoering van overeenkomsten tussen de tot het ontvangen van herstelbetalingen gerechtigde Regering en de Italiaanse Regering.
  • D. Herstelbetalingen aan andere Staten.
    1. Vorderingen van de andere Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden zullen voldaan worden uit het Italiaanse bezit, hetwelk krachtens art. 79 van dit Verdrag onder hun onderscheiden rechtsbevoegdheid valt.
    1. De vorderingen van de Staten, waaraan krachtens dit Verdrag Italiaans grondgebied is toegewezen en die niet in deel B van dit artikel vermeld zijn, zullen ook voldaan worden door de overdracht aan die Staten, zonder betaling hunnerzijds, van industriële installaties en uitrustingen welke zich in de afgestane gebieden bevinden en welke dienen voor de watervoorziening, de productie en voorziening van gas en electriciteit en die het eigendom zijn van een Italiaanse Maatschappij, welker zetel zich in Italië bevindt of naar Italië overgeplaatst wordt, voorts door de overdracht van alle andere eigendommen van dergelijke maatschappijen in de afgestane gebieden.
    1. De verantwoordelijkheid voor financiële verplichtingen, welke gedekt zijn door hypotheek, voorrechten en andere lasten, welke op die eigendommen drukken, wordt door de Italiaanse Regering overgenomen.
  • E. Vergoeding voor eigendommen, in beslag genomen voor herstelbetalingen. De Italiaanse Regering verbindt zich tot schadeloosstelling van alle natuurlijke of rechtspersonen, wier eigendommen, ingevolge dit artikel, in beslag genomen worden.

PARAGRAAF II. TERUGGAVE DOOR ITALIË

Artikel 75

1.

Italië aanvaardt de beginselen van de Verklaring der Verenigde Naties van 5 Januari 1943 en zal binnen de kortst mogelijke tijd de goederen, welke uit het gebied van enig Lid der Verenigde Naties zijn weggevoerd, teruggeven.

2.

Deze verplichting tot teruggave geldt voor alle zich thans in Italië bevindende herkenbare goederen, welke door een der As-Mogendheden met geweld of onder dwang uit het gebied van een der Verenigde Naties zijn weggevoerd, onverschillig op welke wijze deze goederen vervolgens in het bezit zijn gekomen van de tegenwoordige houder.

3.

De Italiaanse Regering moet de in dit artikel bedoelde goederen in goede staat teruggeven en zal alle daarmede verband houdende kosten dragen voor arbeidsloon, materiaal en transport in Italië.

4.

De Italiaanse Regering zal haar medewerking verlenen aan de Verenigde Naties bij de opsporing en teruggave van de goederen, welke ingevolge dit artikel teruggegeven moeten worden, en zal te dien einde voor haar rekening alle mogelijke faciliteiten verlenen.

5.

De Italiaanse Regering zal de nodige maatregelen nemen voor de teruggave van de in dit artikel bedoelde goederen, welke personen, die onder Italiaanse rechtsbevoegdheid vallen, in andere landen onder zich hebben.

6.

Vorderingen tot teruggave van goederen zullen bij de Italiaanse Regering worden ingediend door de Regering van het land, uit welks grondgebied de goederen werden weggevoerd, waarbij moet worden aangenomen, dat rollend materiaal beschouwd moet worden als te zijn weggevoerd uit het land, waaraan het oorspronkelijk toebehoorde. Vorderingen tot teruggave moeten binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag worden ingediend.

7.

Op de Regering, die de vordering indient, rust de plicht de goederen te identificeeren en de eigendomsrechten te bewijzen, terwijl de bewijslast, dat de goederen niet met geweld of onder dwang zijn weggevoerd, op de Italiaanse Regering rust.

8.

De Italiaanse Regering moet aan de Regering van de betrokken Verenigde Natie al het gemunte goud teruggeven, hetwelk door Italië geroofd werd of onrechtmatig naar Italië werd weggevoerd, of wel aan de Regering van de betrokken Verenigde Natie een hoeveelheid goud leveren van hetzelfde gewicht en hetzelfde gehalte als het geroofde of onrechtmatig weggevoerde goud. De Italiaanse Regering erkent, dat aan deze verplichting niet wordt afgedaan door het feit van een eventuele overbrenging of wegvoering van goud uit Italië ten gunste van een andere As-Mogendheid of een neutraal land.

9.

Mocht het Italië in bijzondere gevallen niet mogelijk zijn zorg te dragen voor de teruggave van voorwerpen van artistieke, historische of archaeologische waarde, welke behoren tot het culturele erfdeel der Verenigde Natie, uit welker gebied de voorwerpen door de Italiaanse onderdanen, autoriteiten of strijdkrachten met geweld of onder dwang zijn weggevoerd, dan moet Italië aan de betrokken Verenigde Natie voorwerpen van dezelfde soort en ongeveer dezelfde waarde als van de weggevoerde voorwerpen doen toekomen, voor zover zulke voorwerpen in Italië verkrijgbaar zijn.

PARAGRAAF III. AFSTAND VAN AANSPRAKEN VAN ITALIË

Artikel 76

1.

Italië doet afstand van alle aanspraken van welke aard ook, welke de Italiaanse Regering of Italiaanse onderdanen tegenover de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden zouden kunnen doen gelden als een direct gevolg van de oorlog of van handelingen in verband met het bestaan van een staat van oorlog in Europa na 1 September 1939, onverschillig of de Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid alsdan al dan niet met Italië in oorlog was. Hieronder vallen:

  • a. Aanspraken wegens verlies of schade geleden tengevolge van verrichtingen van de strijdkrachten of autoriteiten der Geallieerde of Geassocieerde Mogendheden;
  • b. Aanspraken, voortspruitend uit de tegenwoordigheid, krijgsverrichtingen of handelingen van de strijdkrachten of autoriteiten der Geallieerde of Geassocieerde Mogendheden op Italiaans grondgebied;
  • c. Aanspraken, welke betrekking hebben op de besluiten of beschikkingen van de prijsgerechten van de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden; Italië verbindt zich alle besluiten en beschikkingen, welke die prijsgerechten op of na 1 September 1939 hebben uitgevaardigd, betreffende Italiaanse schepen en goederen of betaling van kosten, als geldig en bindend te erkennen;
  • d. Aanspraken, voortspruitend uit de uitoefening van de rechten der oorlogvoerenden of uit maatregelen, welke de uitoefening van die rechten ten doel hebben.
2.

De bepalingen van dit artikel zullen volledig en definitief alle daarin beoogde en diensvolgens vervallen aanspraken uitsluiten, welke ook de partijen mogen zijn, welke daarbij zijn betrokken. De Italiaanse Regering verplicht zich een billijke schadevergoeding in lires te betalen aan hen, die, krachtens vordering, goederen hebben verschaft aan of diensten hebben verricht voor de strijdkrachten der Geallieerde of Geassocieerde Mogendheden op Italiaans gebied, alsmede aan hen, die vorderingen hebben op de strijdkrachten der Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden wegens op Italiaans gebied geleden schade, welke niet door oorlogshandelingen ontstaan is.

3.

Italië doet eveneens in naam van de Italiaanse Regering en de Italiaanse onderdanen afstand van alle aanspraken, als bedoeld in lid 1 van dit artikel, tegenover die Verenigde Natie, welke de diplomatieke betrekkingen met Italië heeft verbroken en in samenwerking met de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden maatregelen heeft genomen.

4.

De Italiaanse Regering zal volledige verantwoordelijkheid aanvaarden voor alle Geallieerde militaire betaalmiddelen, welke door de Geallieerde militaire autoriteiten in Italië in omloop zijn gebracht, alsmede voor het militaire geld, dat bij het van kracht worden van dit Verdrag in omloop is.

5.

De aanspraken, waarvan Italië krachtens lid 1 van dit artikel afstand doet, omvatten al die aanspraken, welke voortspruiten uit de maatregelen, welke tussen 1 September 1989 en het van kracht worden van dit Verdrag door een der Geallieerde of Geassocieerde Mogendheden ten opzichte van Italiaanse schepen genomen zijn, alsmede alle aanspraken en schuldvorderingen, voortvloeiende uit de Verdragen betreffende krijgsgevangenen, welke thans van kracht zijn.

6.

De bepalingen van dit artikel worden niet geacht de eigendomsrechten aan te tasten ten aanzien van de onderzeese kabels, welke bij het uitbreken van de oorlog het eigendom waren van de Italiaanse Regering of Italiaanse onderdanen. De toepassing van artikel 79 en bijlage XIV op onderzeese kabels wordt door dit lid echter niet verhinderd.

Artikel 77

1.

De eigendommen van Italië en Italiaanse onderdanen in Duitsland zullen vanaf het van kracht worden van dit Verdrag niet langer als vijandelijk bezit beschouwd worden, terwijl alle beperkingen, waaraan die eigendommen als zodanig onderworpen waren, worden opgeheven.

2.

Herkenbare eigendommen van Italië of Italiaanse onderdanen, welke met geweld of onder dwang door de Duitse strijdkrachten of autoriteiten uit Italiaans gebied na 3 September 1943 naar Duitsland werden weggevoerd, komen in aanmerking voor teruggave.

3.

Herstel van eigendomsrechten en teruggave van Italiaanse eigendommen in Duitsland zullen plaats hebben overeenkomstig de maatregelen, door de Mogendheden, die Duitsland bezetten, te nemen.

4.

Behoudens deze maatregelen en alle andere te nemen door de Mogendheden, die Duitsland bezetten, ten gunste van Italië en Italiaanse onderdanen, doet Italië in naam van zich zelf en van de Italiaanse onderdanen afstand van alle op 8 Mei 1945 bestaande vorderingen op Duitsland en Duitse onderdanen, behalve van die, welke zijn ontstaan uit overeenkomsten en andere verbintenissen, alsmede rechten, welke vóór 1 September 1939 waren aangegaan of verkregen. Deze afstand wordt geacht eveneens van toepassing te zijn op alle schuldvorderingen, alle inter-gouvernementale vorderingen, voortvloeiende uit overeenkomsten, gesloten tijdens de oorlog en alle vorderingen wegens verlies of schade gedurende de oorlog ontstaan.

5.

Italië verbindt zich alle nodige maatregelen te treffen, teneinde de overdracht te vergemakkelijken van Duits bezit in Italië, welke mogelijkerwijs zullen worden voorgeschreven door die bezettende Mogendheden in Duitsland, die de bevoegdheid hebben over dat bezit te beschikken.

DEEL VII. BEZITTINGEN, RECHTEN EN BELANGEN

PARAGRAAF I. BEZITTINGEN DER VERENIGDE NATIES IN ITALIË

Artikel 78

1.

Italië zal, voor zover het zulks nog niet gedaan heeft, alle wettige rechten en belangen in Italië van de Verenigde Naties en hun onderdanen, zoals die op 10 Juni 1940 bestonden, herstellen en zal alle zich in Italië bevindende bezittingen van de Verenigde Naties en haar burgers teruggeven in de toestand, waarin zij zich thans bevinden.

2.

De Italiaanse Regering verbindt zich tot de teruggave van alle in dit artikel bedoelde bezittingen, rechten en belangen, vrij van hypotheken of enigerlei lasten, waarmede zij tengevolge van de oorlog bezwaard mochten zijn en zonder de berekening door de Italiaanse Regering van kosten in verband met de teruggave. De Italiaanse Regering zal alle maatregelen annuleren, met inbegrip van maatregelen van beslaglegging, sequestratie of toezicht, welke tussen 10 Juni 1940 en het van kracht worden van dit Verdrag ten aanzien van de bezittingen van de Verenigde Naties door haar genomen zijn. Ingeval bezittingen niet binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag zijn teruggegeven, moeten zij uiterlijk binnen twaalf maanden na het van kracht worden van dit Verdrag bij de Italiaanse autoriteiten worden opgevraagd, behalve in die gevallen, waarin de aanvrager in staat is aan te tonen, dat de aanvrage niet binnen die termijn kon worden ingediend.

3.

De Italiaanse Regering zal de overdracht van alle bezittingen, rechten en belangen van elke aard van onderdanen van de Verenigde Naties annuleren, wanneer die overdracht het gevolg was van geweld of dwang door de Regeringen der As-Mogendheden of hun organen tijdens de oorlog uitgeoefend.

  • a. De Italiaanse Regering is er voor verantwoordelijk, dat de bezittingen, welke krachtens lid 1 van dit artikel aan de onderdanen van de Verenigde Naties worden teruggegeven, in volledig goede staat worden gebracht. Wanneer enig bezit niet teruggegeven kan worden of wanneer een onderdaan van de Verenigde Naties tengevolge van de oorlog nadeel zal hebben geleden tengevolge van een aantasting van of schade toegebracht aan een bezitting in Italië, dan zal hij van de Italiaanse Regering een schadevergoeding in lires ontvangen ten bedrage van tweederde van het bedrag, hetwelk op de datum van betaling nodig is om een gelijksoortig goed te kopen of om het verlies of de geleden schade goed te maken. In geen geval mogen onderdanen van de Verenigde Naties inzake schadevergoeding minder gunstig behandeld worden dan Italiaanse onderdanen.
  • b. Onderdanen van de Verenigde Naties, die direct of indirect deelgerechtigd zijn in maatschappijen of verenigingen, welke niet de nationaliteit bezitten van de Verenigde Naties in de zin van lid 9a van dit artikel, doch die verlies hebben geleden tengevolge van aantasting van of schade toegebracht aan hun bezittingen in Italië, zullen een schadevergoeding overeenkomstig lid 4a ontvangen. Deze schadevergoeding zal berekend worden naar het totale verlies of de totale schade, welke door de maatschappij of vereniging geleden is en zal in dezelfde verhouding staan tot dat verlies of die schade als de belangen van die onderdanen zich verhouden tot het totale kapitaal van de maatschappij of vereniging.
  • c. De schadevergoeding zal vrij van enige heffing, belasting of andere lasten worden uitgekeerd. Zij kan vrijelijk in Italië gebruikt worden, doch zal onderworpen zijn aan de bepalingen op vreemde deviezen, welke te eniger tijd in Italië van kracht kunnen zijn.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)