Internationaal Verdrag tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949
De Souvereinen, Staatshoofden en Regeeringen der hierna vermelde Mogendheden, gelijkelijk bezield met den wensch om de bestrijding van den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes zoo afdoende mogelijk te doen zijn, hebben besloten, tot dat doel een verdrag te sluiten en hebben, nadat een ontwerp was vastgesteld op eene eerste Conferentie, bijeengekomen te Parijs van den 15den tot den 25sten Juli 1902, hunne gevolmachtigden aangewezen, die, op eene tweede Conferentie, gehouden te Parijs van den 18den April tot den 4den Mei 1910, zijn overeengekomen nopens de volgende bepalingen:
Het oorspronkelijke Verdrag is tot stand gekomen op 4 mei 1910 (Stb. 1912/355) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 8 februari 1913 (Trb. 1961/101).
Art. 1
Gestraft wordt ieder die, ter voldoening van eens anders lusten, eene minderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen, die de bestanddeelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn.
Art. 2
Mede wordt gestraft ieder die, ter voldoening van eens anders lusten, eene meerderjarige vrouw of meisje door bedrog of met behulp van geweld, bedreiging, misbruik van gezag of eenig ander dwangmiddel, met het oog op het plegen van ontucht heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen, die de bestanddeelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn.
Art. 3
De verdragsluitende partijen, wier wetgeving op dit oogenblik nog niet voldoende is tot het strafbaar stellen der in de beide voorgaande artikelen omschreven feiten, verbinden zich die maatregelen te nemen of aan hare wetgevende lichamen voor te stellen, welke vereischt worden, opdat bedoelde feiten in verhouding tot den ernst daarvan strafbaar worden gesteld.
Art. 4
De Verdragsluitende Partijen doen, door tussenkomst van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, elkander mededeling van de wetten, welke in haar land reeds zijn afgekondigd of in de toekomst zullen worden afgekondigd met betrekking tot het onderwerp van dit Verdrag.
Art. 5
De strafbare feiten, omschreven bij de artikelen 1 en 2, worden van den dag af waarop dit verdrag in werking treedt, gerekend van rechtswege te zijn opgenomen onder de strafbare feiten, die volgens de reeds tusschen de verdragsluitende partijen bestaande verdragen tot uitlevering aanleiding kunnen geven.
Voor het geval dat de vorenstaande bepaling niet zonder wijziging van de bestaande wetgeving gevolg kan hebben, verbinden de verdragsluitende partijen zich de ter zake noodige maatregelen te nemen of aan hare wetgevende lichamen voor te stellen.
Art. 6
De overzending van rogatoire commissies, betrekking hebbende op de in dit verdrag aangeduide strafbare feiten, heeft plaats:
-
- Hetzij door rechtstreeksche mededeeling tusschen de rechterlijke autoriteiten;
-
- Hetzij door tusschenkomst van den in den aangezochten Staat gevestigden diplomatieken of consulairen ambtenaar van den verzoekenden Staat; deze ambtenaar zendt de rogatoire commissie rechtstreeks aan de bevoegde rechterlijke autoriteit en ontvangt van dezen laatste rechtstreeks de stukken waaruit blijkt, dat aan de rogatoire commissie uitvoering is gegeven; (in deze beide gevallen wordt steeds ter zelfder tijd een afschrift der rogatoire commissie gezonden aan de hooge Overheid van den aangezochten Staat)
-
- Hetzij langs diplomatieken weg.
Ieder der verdragsluitende partijen geeft door eene tot iedere der andere verdragsluitende partijen gerichte mededeeling te kennen, welke wijze of wijzen van overzending, hierboven bedoeld, zij toelaat voor rogatoire commissies, afkomstig van dezen Staat.
Alle moeilijkheden, die zich mochten voordoen bij de overzending van de rogatoire commissies op de wijzen, bedoeld sub. 1 en 2 van dit artikel, worden langs diplomatieken weg geregeld.
Tenzij het tegendeel is overeengekomen, wordt de rogatoire commissie gesteld, hetzij in de taal van de aangezochte autoriteit, hetzij in de tusschen de beide betrokken Staten overeengekomen taal, of wel zij moet vergezeld zijn van eene vertaling in eene dier beide talen, voor eensluidend verklaard door een diplomatieken of consulairen ambtenaar van den verzoekenden Staat of door een beëedigd vertaler van den aangezochten Staat.
De uitvoering van rogatoire commissies kan geen aanleiding geven tot terugbetaling van heffingen of kosten van welken aard ook.
Art. 7
De verdragsluitende partijen verbinden zich, waar het geldt strafbare feiten, als bedoeld bij dit verdrag, en waarvan de bestanddeelen gepleegd zijn in verschillende landen, elkander mededeeling te doen van de strafbladen.
Deze stukken worden rechtstreeks door de autoriteiten, aangewezen overeenkomstig art. 1 van de te Parijs op 18 Mei 1904 gesloten Regeling, aan de gelijksoortige autoriteiten der andere verdragsluitende Staten verzonden.
Art. 8
Staten, die niet ondertekend hebben, kunnen toetreden tot dit Verdrag. Zij geven tot dat doel van hun voornemen kennis door middel van een akte, welke wordt nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zendt een gewaarmerkt afschrift van die akte aan elk van de Verdragsluitende Staten en aan alle Leden van de Verenigde Naties en deelt dezen te zelfder tijd de datum der nederlegging mede. In bedoelde ake van kennisgeving wordt tevens mededeling gedaan van de in de toetredende Staat met betrekking tot het onderwerp van dit Verdrag uitgevaardigde wetten.
Zes maanden nà den datum der nederlegging van de akte van kennisgeving treedt het verdrag in werking in het geheele grondgebied van den toetreden den Staat, die op deze wijze verdragsluitende Staat wordt.
De toetreding tot het verdrag brengt van rechtswege en zonder uitdrukkelijke kennisgeving, gelijktijdige en volledige toetreding mede tot de Regeling van 18 Mei 1904, die op denzelfden datum als het verdrag zelf in het geheele gebied van den toetreden den Staat in werking treedt.
Evenwel wordt door de vorenstaande bepaling niet afgeweken van artikel 7 van bovenbedoelde Regeling van 18 Mei 1904, welk artikel van toepassing blijft op het geval dat een Staat er de voorkeur aan geeft alleen tot die Regeling toe te treden.
Art. 9
Dit verdrag, aangevuld door een slotprotokol dat er een onafscheidelijk bestanddeel van uitmaakt, zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd te Parijs, zoodra zes der verdragsluitende Staten daartoe gereed zijn.
Van iedere nederlegging van akten van bekrachtiging wordt een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een voor eensluidend verklaarde afdruk langs diplomatieken weg aan ieder der verdragsluitende Staten wordt toegezonden.
Dit verdrag treedt in werking zes maanden nà den datum van de nederlegging der akten van bekrachtiging.
Art. 10
Ingeval één der verdragsluitende Staten dit verdrag mocht opzeggen, heeft de opzegging alleen gevolg ten aanzien van dien Staat.
De kennisgeving van opzegging geschiedt door een akte, welke wordt nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet van die akte een gewaarmerkt afschrift toekomen aan elk van de Verdragsluitende Staten en aan alle Leden van de Verenigde Naties en deelt deze te zelfder tijd de datum der nederlegging mede.
Twaalf maanden na dezen datum houdt het verdrag op van kracht te zijn in het geheele grondgebied van den Staat, die het heeft opgezegd.
De opzegging van het verdrag brengt niet van rechtswege gelijktijdige opzegging van de Regeling van 18 Mei 1904 mede, tenzij hiervan uitdrukkelijk melding wordt gemaakt in de akte van kennisgeving, zoo niet, dan moet de verdragsluitende Staat, om bedoelde Regeling op te zeggen, handelen overeenkomstig artikel 8 daarvan.
Art. 11
Indien een van de Verdragsluitende Staten wenst, dat dit Verdrag in werking zal treden in een of meer van zijn koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten, geeft hij met dat doel van zijn voornemen kennis door een akte, die wordt nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet van die akte een gewaarmerkt afschrift aan elk van de Verdragsluitende Staten en aan alle Leden van de Verenigde Naties toekomen en deelt deze te zelfder tijd de datum der nederlegging mede.
In bedoelde akte van kennisgeving wordt voor deze koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten mededeeling gedaan van de aldaar met betrekking tot het onderwerp van dit verdrag uitgevaardigde wetten. De wetten die in den vervolge aldaar mochten worden uitgevaardigd, geven eveneens aanleiding tot het doen van mededeelingen aan de verdragsluitende Staten, overeenkomstig art. 4.
Zes maanden na den datum van de nederlegging der akte van kennisgeving treedt het verdrag in werking in de koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten, vermeld in de akte van kennisgeving.
De verzoekende Staat geeft door eene tot elk der andere verdragsluitende Staten gerichte mededeeling te kennen, welke wijze of wijzen van overzending hij toelaat voor rogatoire commissies, bestemd voor de koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten, welke het onderwerp uitmaken van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde kennisgeving.
De opzegging van het Verdrag door een van de Verdragsluitende Saten voor een of meer van zijn koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten geschiedt in de vormen en onder de voorwaarden, bepaald in het eerste lid van dit artikel. Zij heeft gevolg twaalf maanden na de datum van de nederlegging der akte van opzegging in het archief van de Verenigde Naties.
De toetreding tot het verdrag door een verdragsluitenden Staat voor een of meer zijner koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten brengt van rechtswege en zonder uitdrukkelijke kennisgeving, gelijktijdige en volledige toetreding mede tot de Regeling van 18 Mei 1904. Bedoelde Regeling treedt aldaar in werking op denzelfden datum als het verdrag zelf. Tenzij zulks uitdrukkelijk in de akte van kennisgeving is vermeld, brengt evenwel de opzegging van het verdrag door een verdragsluitenden Staat voor een of meer zijner koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten, aldaar niet van rechtswege gelijktijdige opzegging van de Regeling van 18 Mei 1904 mede; buitendien blijven van kracht de verklaringen door de Mogendheden, die de Regeling van 18 Mei 1904 onderteekend hebben, afgelegd nopens de toetreding van hare koloniën tot genoemde Regeling.
Niettemin geschieden van af den datum der inwerkingtreding van dit verdrag de toetredingen of opzeggingen welke die Regeling gelden en de koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten der verdragsluitende Staten betreffen, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Art. 12
Dit verdrag, hetwelk den datum van 4 Mei 1910 draagt, kan geteekend worden te Parijs tot 31 Juli d. a. v., door de gevolmachtigden der Mogendheden, welke vertegenwoordigd waren op de tweede Conferentie tot bestrijding van den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes.
Gereed om over te gaan tot de onderteekening van het op heden gesloten wordend verdrag, achten de Gevolmachtigden het dienstig eenige aanwijzingen te geven omtrent den geest waarin de artt. 1, 2 en 3 van het verdrag behooren te worden verstaan en waarin het gewenscht is, dat de verdragsluitende Staten, bij de uitoefening hunner wetgevende souvereiniteit, zorgen voor de uitvoering of de aanvulling der overeengekomen bepalingen.
Fait à Paris, le quatre mai mil neuf cent dix, en un seul exemplaire dont une copie certifiée conforme sera délivrée à chacune des Puissances signataires.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.