Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering

Type Verdrag
Publication 1960-06-15
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent der Belgen, in naam van zijne Majesteit de Koning der Belgen, gelijkelijk bezield door de wens elkanders onderdanen gelijk te stellen voor de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering en om de gevolgen te regelen voor elkanders onderdanen van het naast elkaar werken dier wetgevingen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Willem Drees, Hoogstderzelver Minister van Sociale Zaken;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent der Belgen, in naam van Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Léon-Eli Troclet, Hoogstdeszelfs Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg,

die, daartoe behoorlijk gemachtigd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

De Nederlandse tekst van het Verdrag is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1949/J 435. Het Verdrag is in werking getreden op 1 oktober 1949, zie Trb. 1951/13. Het Verdrag is gewijzigd door Trb. 1958/1.

AFDELING I. Beginselen

Artikel 1
1.

De bepalingen van dit verdrag hebben betrekking op de verschillende, bestaande of toekomstige, Belgische en Nederlandse sociale wetten en voorschriften betreffende:

2.

Dit verdrag laat onverlet de regeling inzake de vergoeding voor de schade tengevolge van bedrijfsongevallen, waarop het Belgisch-Nederlands verdrag van 9 februari 1921 betreffende ongevallenverzekering van toepassing is.

Artikel 2

Ten aanzien van de toepassing van de wetten en voorschriften, bedoeld in het eerste lid van artikel 1, wordt in beide verdragsluitende landen geen onderscheid gemaakt tussen Belgische en Nederlandse onderdanen.

Artikel 3
1.

Op de onderdanen van een der verdragsluitende landen zijn, voor zover in dit verdrag niet anders is bepaald, uitsluitend van toepassing de wetten en voorschriften van het land, waar zij hun arbeid verrichten.

2.

Op de onderdanen van een der verdragsluitende landen, die hun arbeid verrichten in het ene land en hun woonplaats hebben in het andere land, zijn uitsluitend van toepassing de wetten en voorschriften van dit laatste land, indien zij werkzaam zijn in dienst van een werkgever, gevestigd in het land hunner woonplaats.

3.

Ten aanzien van transportondernemingen, welke in een der verdragsluitende landen gevestigd zijn en haar bedrijf ook in het andere land uitoefenen, zijn op het zich bewegend (varend of rijdend) gedeelte der onderneming uitsluitend van toepassing de wetten en voorschriften van het land, waar de onderneming gevestigd is. Aan deze wetten en voorschriften blijft het personeel van het varend of rijdend gedeelte onderworpen, ook wanneer het in het andere land andere werkzaamheden voor de transportonderneming verricht.

4.

Op de onderdanen die zelfstandigen zijn, is de wetgeving van toepassing van het land in hetwelk zij aan de inkomstenbelasting onderworpen zijn; indien die belasting in twee landen wordt geheven, is slechts van toepassing de wetgeving van het land van de woonplaats.

Artikel 4
1.

De Belgische wetten en voorschriften zijn van toepassing op de Belgische onderdanen, die in dienst zijn, of van een Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland of van een Nederlandse in België, of van hoofden, leden of andere ambtenaren van deze vertegenwoordiging.

2.

De Nederlandse wetten en voorschriften zijn van toepassing op de Nederlandse onderdanen, die in dienst zijn, of van een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in België of van een Belgische in Nederland, of van hoofden, leden of andere ambtenaren van deze vertegenwoordiging.

Artikel 5

Ten aanzien van de onderdanen van elk der verdragsluitende landen, die achtereenvolgens of om beurten onderworpen geweest zijn aan de wetten en voorschriften der beide landen, wordt bij het berekenen van de wachttijd of van het aantal premiën, vereist om recht te hebben op de wettelijke voordelen, in aanmerking gebracht de gezamenlijke duur van de tijdvakken, gedurende welke zij in beide landen verplicht verzekerd zijn geweest of het totale aantal van de in beide landen betaalde premiën.

AFDELING II. Bijzondere bepalingen betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood

Artikel 6
1.

Een loonarbeider of een met deze gelijkgestelde, die in België zijn woonplaats heeft en die verzekerd is ingevolge de Nederlandse wetgeving inzake de algemene ouderdomsverzekering, blijft verzekerd gedurende elk tijdvak van tijdelijke of blijvende ongeschiktheid tot werken, veroorzaakt door een ziekte, een bedrijfsongeval of een beroepsziekte, waarvoor een uitkering van Nederlandse zijde wordt genoten, indien de ongeschiktheid tenminste 50 % bedraagt en indien de arbeider het werk in België niet heeft hervat als loonarbeider of als zelfstandige.

2.

De in België wonende echtgenote, beneden de 65-jarige leeftijd, van een verzekerde ingevolge de Nederlandse wetgeving inzake de algemene ouderdomsverzekering is eveneens verzekerd, behoudens, al naar gelang het geval, over het tijdvak:

Artikel 7
1.

Met uitzondering van de aanpassingsvergoeding, verleend in geval van hertrouwen en van de aanvullende voordelen, verworven op grond van een tewerkstelling als grensarbeider, worden de uitkeringen, ingevolge de Belgische wetten verworven door verzekerden of hun weduwen of wezen, aan de rechthebbenden die Belgisch of Nederlands onderdaan zijn, uitbetaald, ook wanneer zij in Nederland verblijven of in Nederland gaan wonen.

2.

De voordelen, ingevolge de Nederlandse wetten verworven door verzekerden of hun weduwen of wezen, worden aan de rechthebbenden die Nederlands of Belgisch onderdaan zijn, uitbetaald, ook wanneer zij in België verblijven of in België gaan wonen.

3.

In het geval bedoeld in het tweede lid, worden de ingevolge de Belgische wetten verworven voordelen aan de rechthebbenden die in België verblijven, slechts uitbetaald tot het beloop van het verschil tussen het maximum bedrag van de in België verleende voordelen en het bedrag van de in Nederland verworven voordelen.

Artikel 8
1.

Personen van Belgische nationaliteit die in Nederland of in België wonen, en personen van Nederlandse nationaliteit die in België wonen, genieten de voordelen ingevolge de Nederlandse wetgeving inzake de algemene ouderdomsverzekering, welke niet steunen op tijdvakken van premiebetaling, indien zij gedurende de 6 aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd onmiddellijk voorafgaande jaren onafgebroken in Nederland hebben gewoond.

Artikel 9
1.

Wanneer een onderdaan van een van de Verdragsluitende landen op hetzelfde tijdstip niet voldoet aan de voorwaarden gesteld door de wetgeving van de beide landen, wordt zijn recht op pensioen vastgesteld ten opzichte van de wetgeving van elk land, naar gelang hij de voorwaarden van de wetgeving van dat land vervult, waarbij rekening wordt gehouden met het bepaalde in artikel 5.

2.

De tijdvakken waarover een ouderdomspensioen wordt toegekend door het land waarin de voorwaarden krachtens het eerste lid zijn vervuld, worden voor de opening van rechten ten opzichte van de wetgeving van het andere land gelijkgesteld met tijdvakken van premiebetaling van het eerste land.

Artikel 10
1.

Wanneer een arbeider van een van de Verdragsluitende landen vóór het bereiken van de 35-jarige leeftijd verplicht verzekerd is geweest krachtens de Belgische wetgeving en hij vervolgens in Nederland arbeid in loondienst of daarmede gelijkgestelde arbeid verricht, wordt hij niet van de verzekering krachtens de Nederlandse Invaliditeitswet uitgesloten, mits hij de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en niet een loon geniet, dat hem recht zou geven op vrijstelling van de verzekering, noch op grond van een andere bepaling van genoemde wet is uitgezonderd.

2.

In het geval bedoeld in het vorige lid, is ten aanzien van de verzekerde die nimmer verplicht verzekerd is geweest krachtens de Nederlandse Invaliditeitswet en die de 35-jarige leeftijd heeft overschreden, artikel 372 van de Nederlandse Invaliditeitswet niet van toepassing en wordt voor de toepassing van artikel 75 dier wet de verplichte verzekering geacht te zijn aangevangen van de 35-jarige leeftijd af.

AFDELING III. Bijzondere bepalingen betreffende de geneeskundige verzorging

Artikel 11

De geneeskundige verzorging wordt aan de verzekerde en aan de leden van zijn gezin verstrekt overeenkomstig de in de woonplaats van de verzekerde geldende wetgeving.

Artikel 12

De bevoegde autoriteiten van elk der verdragsluitende landen zullen de wijze van uitvoering van het bepaalde in artikel 11 in gemeen overleg vastleggen en met name het bedrag van de vergoedingen bepalen, die onderscheidenlijk door de Belgische en Nederlandse organen verschuldigd zijn als tegenwaarde voor de geneeskundige verzorging, verstrekt aan de onderdanen van het ene en het andere land.

AFDELING IV. Bijzondere bepalingen betreffende de onvrijwillige werkloosheid

Artikel 13
1.

De onderdanen van elk der beide verdragsluitende landen genieten op het grondgebied van het andere land de volledige voordelen der wetten en voorschriften inzake de werkloosheid, inzake de door het Rijk, de provinciën, de gemeenten of andere openbare instellingen toegekende openbare werklozenondersteuning, alsmede met betrekking tot de tewerkstelling door de openbare diensten voor de uitvoering van werken.

2.

De verdragsluitende landen verbinden zich aan de arbeiders, die hun verblijf niet hebben op het grondgebied van het land, waar zij werkzaam waren en die dientengevolge de voordelen van de wetten en voorschriften in zake de werkloosheid van dat land niet kunnen genieten, in geval van werkloosheid uitkering te verstrekken op de voet van de bepalingen der eigen wetgeving.

AFDELING V. Bijzondere bepalingen betreffende het stelsel der gezinsvergoedingen en het geboortegeld

Artikel 14

De gezinsvergoedingen en het geboortegeld worden toegekend, onverschillig in welk der beide landen de kinderen geboren zijn of worden opgevoed.

AFDELING VI. Bijzondere bepalingen betreffende het stelsel van de pensioenen der mijnwerkers en der met dezen gelijkgestelden

Artikel 15

De uitvoeringsmaatregelen betreffende de toepassing van het pensioenstelsel der mijnwerkers en der met dezen gelijkgestelden zullen door de bevoegde autoriteiten van beide landen in gemeen overleg worden vastgesteld overeenkomstig de beginselen en de geest van dit verdrag.

AFDELING VII. Slotbepalingen

Artikel 16
1.

De bevoegde autoriteiten van elk der verdragsluitende landen zullen de nadere maatregelen vaststellen, welke nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van dit verdrag.

2.

De bevoegde autoriteiten en administraties van beide landen zullen elkaar onderling bijstaan en alle inlichtingen geven, welke zij behoeven voor een goede uitvoering van dit verdrag.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.