Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen

Type Verdrag
Publication 1951-03-27
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Koninklijke Nederlandse Regering en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot Britannië en Noord-lerland,

Wensende een oplossing te vinden voor tegenstrijdige aanspraken op vijandelijke Duitse bezittingen binnen haar gebied en de beschikking over zodanige bezittingen in het gemeenschappelijk belang te vergemakkelijken,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Bij de behandeling van vijandelijke Duitse bezittingen zullen de Verdragsluitende Regeringen zich in haar betrekkingen tot elkaar zoveel mogelijk laten leiden door de bepalingen, neergelegd in het onderhavige Verdrag en in het daarbij behorende Aanhangsel (te zamen het „Verdrag” te noemen) en zij zullen voor de tenuitvoerlegging van het Verdrag zo handelen als noodzakelijk en passend zal zijn.

Artikel 2

Het Verdrag zal geen voorafgaande overeenkomsten, gesloten tussen de Verdragsluitende Regeringen of tussen een der Verdragsluitende Regeringen en een andere Regering, niet Partij bij het Verdrag, buiten werking stellen.

Indien niettemin een voorafgaande overeenkomst tussen een der Verdragsluitende Regeringen en een andere Regering door de andere Verdragsluitende Regering, welke niet bij de voorafgaande overeenkomst is betrokken, wordt geacht afbreuk te doen aan haar uit het Verdrag voortvloeiende rechten of aan die van haar onderdanen, zal de Verdragsluitende Regering, die ook bij de voorafgaande overeenkomst is betrokken, zich tot de andere Regering wenden, om, indien mogelijk, de desbetreffende bepalingen in de voorafgaande overeenkomst zodanig te doen veranderen, dat deze in overeenstemming met het Verdrag worden gebracht.

Artikel 3

Geen bepaling van het Verdrag zal een der Verdragsluitende Regeringen beletten in de toekomst enige afzonderlijke overeenkomst te sluiten, met dien verstande, dat een zodanige later gesloten overeenkomst geen afbreuk doet aan de uit het Verdrag voortvloeiende rechten van de andere Verdragsluitende Regering, niet partij bij de later gesloten overeenkomst, of aan die van haar onderdanen.

Artikel 4

Indien de Verdragsluitende Regeringen niet tot overeenstemming zouden komen over de uitleg, de uitvoering of de toepassing van de bepalingen van het Verdrag, zal het geschilpunt of zullen de geschilpunten door middel van arbitrage worden beslist. Elke Verdragsluitende Regering zal een scheidsman benoemen binnen een maand na de datum, waarop een der Verdragsluitende Regeringen om arbitrage verzoekt.

De beide benoemde scheidslieden zullen een derde aanwijzen. Indien dezen nalaten dit te doen binnen twee maanden nadat zij zelf hun benoeming hebben aangenomen, is elk van beide Verdragsluitende Regeringen gerechtigd de President van het Internationale Gerechtshof te verzoeken de derde scheidsman aan te wijzen. Indien een der Verdragsluitende Regeringen verzuimt binnen het hierboven aangegeven tijdsbestek een scheidsman te benoemen, is de andere Verdragsluitende Regering gerechtigd de President te verzoeken deze scheidsman aan te wijzen.

De toepassing van Artikel 14 van het hieraan toegevoegde Aanhangsel zal niet aan arbitrage onderworpen kunnen worden.

De scheidslieden zullen hun eigen procedureregels opstellen.

De arbitragekosten zullen gelijkelijk door de Verdragsluitende Regeringen worden gedragen.

De Verdragsluitende Regeringen komen overeen gebonden te zijn door iedere beslissing, genomen door de meerderheid der scheidslieden. Dezen zullen een oplossing formuleren in overeenstemming met de geest van dit Verdrag en van de Parijse Overeenkomst inzake Herstelbetalingen van 24 Januari 1946.

Artikel 5

Elke Verdragsluitende Regering kan, bij de ondertekening of later, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere Verdragsluitende Regering mededelen, dat zij wenst, dat het Verdrag betrekking zal hebben op alle of enige van de gebiedsdelen voor de buitenlandse betrekkingen waarvan zij verantwoordelijk is; het Verdrag zal betrekking hebben op de gebieden, welke in de kennisgeving zijn genoemd, van de datum van ontvangst door de andere Verdragsluitende Regering af, dan wel van de datum, waarop het Verdrag in werking treedt af, ingeval deze datum later valt.

Artikel 6

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen zo spoedig mogelijk te Londen worden uitgewisseld.

Het Verdrag zal in werking treden op de dag van de uitwisseling der akten van bekrachtiging.

Deel I. Vermogensbestanddelen van vijandelijke Duitsers

Artikel 1

A. Voor de toepassing van dit artikel omvat de term „effecten”: obligaties, aandelen en in het algemeen alle soortgelijke waarden, welke in het land van uitgifte met het woord „effecten” worden aangeduid.

B. Indien een effect, dat aan een vijandelijke Duitser in eigendom toebehoort, is uitgegeven door een der Verdragsluitende Regeringen of door een publiek- of privaatrechtelijk lichaam of door een natuurlijke persoon binnen haar grondgebied, terwijl het stuk zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Regering bevindt, dient dit — onverschillig of dit aan toonder of op naam luidt — aan de eerstgenoemde Regering te worden afgegeven.

C. Indien een vijandelijke Duitser eigenaar is van een certificaat, dat is uitgegeven door een administratiekantoor, een stemgerechtigde trustee of een lichaam of persoon met soortgelijke bevoegdheid en dat dient als bewijs van deelgerechtigdheid in een of meer met name genoemde effecten, dan zal deze vijandelijke Duitser worden beschouwd als eigenaar van de hoeveelheid bepaaldelijk genoemde effecten en zal paragraaf B van dit artikel op deze effecten van toepassing zijn.

D. Indien een der Verdragsluitende Regeringen op grond van dit artikel verplicht is een stuk af te geven, zal zij niet worden verplicht tot afgifte van de vruchten (in contanten of anderszins), welke vóór 1 Juli 1947 binnen haar grondgebied zijn ontvangen door de afgevende Regering of door een op haar gezag handelende persoon. De vruchten, door een zodanige Regering of persoon op of na 1 Juli 1947 ontvangen, zullen worden afgegeven aan de Regering, die gerechtigd is het stuk te ontvangen.

E. Indien een der Verdragsluitende Regeringen op grond van dit artikel verplicht is een stuk af te geven, zal zij niet gehouden zijn tot afgifte van de opbrengst van liquidatie door verkoop, aflossing of anderszins, welke op 31 December 1946 aanwezig was in de vorm van contanten of van effecten, uitgegeven door die Regering of door een publiek- of privaatrechtelijk lichaam of door een natuurlijke persoon binnen haar grondgebied, ook indien na deze datum deze contanten werden herbelegd of deze effecten werden verkocht of verhandeld. Indien de opbrengst op 31 December 1946 was belichaamd in effecten, uitgegeven door de andere Regering of door een publiek- of privaatrechtelijk lichaam of een natuurlijke persoon binnen haar grondgebied gevestigd, dienen deze effecten (of de opbrengst van hun liquidatie na genoemde datum) aan de laatstgenoemde Regering te worden afgegeven.

Artikel 2

A. Voor de toepassing van dit artikel omvat de term „betaalmiddelen” bankpapier, munten en andere soortgelijke ruilmiddelen met uitzondering van de zodanige, welke numismatische of historische waarde hebben.

B. Indien betaalmiddelen zijn uitgegeven door een der Verdragsluitende Regeringen of door een publiek- of privaatrechtelijk lichaam dat op haar gezag handelt, terwijl de betaalmiddelen eigendom zijn van een vijandelijke Duitser en zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Regering bevinden, moeten zij aan de eerstgenoemde Regering worden afgegeven.

C. Indien betaalmiddelen zijn verkocht vóór 1 Januari 1947 zal geen afgifte worden geëist; indien de verkoop heeft plaats gehad op of na 1 Januari 1947 zal de opbrengst echter moeten worden afgegeven.

D. De bepalingen van dit artikel zullen geen rechten of verplichtingen van de Verdragsluitende Regeringen op grond van deel III van de Parijse Overeenkomst inzake Herstelbetalingen aantasten.

Artikel 3

Indien een geldswaardig papier zoals een wissel, promesse, chèque of quitantie aan toonder, dat niet valt onder artikel 4 van dit Aanhangsel en dat aan een vijandelijke Duitser toebehoort, zich binnen het grondgebied van een der Verdragsluitende Regeringen bevindt, terwijl de hoofdschuldenaar binnen het grondgebied van de andere Verdragsluitende Regering is gevestigd, dient het geldswaardig papier aan de laatstbedoelde Regering te worden afgegeven.

Artikel 4

Indien een cognossement, ceel of ander soortgelijk al of niet verhandelbaar goederendocument, dat aan een vijandelijke Duitser in eigendom toebehoort, zich binnen het grondgebied van een der Verdragsluitende Regeringen bevindt, terwijl de goederen, waarop het betrekking heeft, zich binnen het grondgebied van de andere Verdragsluitende Regering bevinden, dient het document aan de laatstbedoelde Regering te worden afgegeven.

Artikel 5

A. Op een rekening in vreemde valuta (primaire rekening genoemd) ten gunste van een vijandelijke Duitser, aangehouden door een bankinstelling, gevestigd binnen het grondgebied van een der Verdragsluitende Regeringen („primair land” genoemd) en geheel of ten dele gedekt door een rekening (garantierekening genoemd) bij een bankinstelling binnen het grondgebied van de andere Verdragsluitende Regering („secundair land” genoemd), zullen de volgende bepalingen toepasselijk zijn:

B. Voor de toepassing van dit artikel omvat de term „rekeningen” zowel rekeningen of onderrekeningen op naam of op nummer of op andere wijze bepaaldelijk aangeduid, als rubriekrekeningen en onderrekeningen daarvan.

Artikel 6

Indien een onder dit deel vallend vermogensbestanddeel gedeeltelijk aan een vijandelijke Duitser en gedeeltelijk aan een niet-vijand in eigendom toebehoort, zullen de Verdragsluitende Regeringen bij onderlinge overeenkomst vaststellen hoe de belangen der betrokkenen zullen worden gesplitst en hoe de vijandelijke belangen zullen worden vrijgegeven. Het vijandelijke Duitse aandeel dient dan te worden vrijgegeven aan die Verdragsluitende Regering, die gerechtigd zou zijn geweest het goed te ontvangen, indien het ten volle vijandelijk Duits eigendom ware geweest.

Deel II. Boedels van overledenen, trusts en andere soorten van fiduciaire regelingen, waarbij een vijandelijk Duits belang is betrokken

Artikel 7

A. Indien een niet-vijand, die ten tijde van zijn overlijden zijn woonplaats had binnen het grondgebied van een der Verdragsluitende Regeringen, een boedel nalaat, waarin zich binnen het grondgebied van de andere Verdragsluitende Regering bevindende vermogensbestanddelen voorkomen en waarin een vijandelijke Duitser een belang heeft als erfgenaam, legataris of crediteur, zullen deze vermogensbestanddelen — behoudens hetgeen bepaald is in paragraaf B van dit artikel — door de beheersinstanties van de laatstgenoemde Regering worden vrijgemaakt van beheer om een normale afwikkeling van de nalatenschap binnen het grondgebied van de eerstgenoemde Regering te vergemakkelijken. Op de op deze wijze vrijgemaakte vermogensbestanddelen blijven de erfrechtelijke bepalingen van de vrijmakende Regering inzake het beheer en de verdeling van de nalatenschap van de overledene toepasselijk. Indien ingevolge deze bepalingen de nalatenschap rechtstreeks tussen de gerechtigden wordt verdeeld, dient de vrijmakende Regering zodanige maatregelen te nemen als passend zijn om het erfdeel van iedere vijandelijke Duitser aan de andere Regering ter beschikking te stellen.

B. Indien een niet-vijandelijke erflater, die zijn woonplaats had binnen het grondgebied van een der Verdragsluitende Regeringen, een onroerend goed binnen het grondgebied van de andere Verdragsluitende Regering nalaat, terwijl een aandeel in dit onroerend goed op grond van het testament van de overledene of de toepasselijke erfrechtelijke bepalingen vervalt of moet worden toegedeeld aan een vijandelijke Duitser, mag — in afwijking van hetgeen in paragraaf A van dit artikel is bepaald — dit deel worden behouden door de laatstgenoemde Regering, behoudens de rechten van niet-vijandelijke crediteuren van de erflater of van niet-vijandelijke erfgenamen, aan wie op grond van de toepasselijke wetsbepalingen een deel van het onroerend goed toekomt.

C. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op enig deel van een nalatenschap, indien het beheer en de afwikkeling hiervan heeft plaats gehad alvorens de Regering, binnen wier grondgebied het goed zich bevond, noodbepalingen voor oorlogstijd met betrekking tot het beheer en de verdeling van de eigendommen van de overledene uitvaardigde.

D. Voor de toepassing van dit artikel wordt de woonplaats van een erflater bepaald in overeenstemming met de wet van de Regering, binnen wier grondgebied het goed zich bevindt.

Artikel 8

Vermogensbestanddelen, welke zich binnen het grondgebied van een der Verdragsluitende Regeringen bevinden, gesteld onder een bona fide trust of een andere bona fide fiduciaire regeling, waarbij belangen van een vijandelijke Duitser als begunstigde of anderszins betrokken zijn en welke trust of regeling is aangegaan volgens de wetten van de andere Verdragsluitende Regering, moeten worden vrijgemaakt van het beheer door de beheersinstanties van de eerstgenoemde Regering; deze mag echter de belangen van vijandelijke Duitsers bij binnen haar grondgebied gelegen onroerend goed behouden. Het vrijgeven zal, op grond van dit deel van het Aanhangsel, niet verplicht zijn in de gevallen waarin de trust of andere fiduciaire regeling werd aangegaan door een ingezetene van Duitsland of een vijandelijke Duitser, of iemand die later een vijandelijke Duitser is geworden.

Artikel 9

De Verdragsluitende Regering, die op grond van de bepalingen van dit deel van dit Aanhangsel gerechtigd is vermogensbestanddelen te ontvangen, is verplicht de rechten van niet-vijanden in de nalatenschap, trust of andere fiduciaire regeling te erkennen.

Artikel 10

De in deel I van dit Aanhangsel neergelegde beginselen zijn niet van toepassing op vermogensbestanddelen, vrijgegeven op grond van de bepalingen van dit deel of overgedragen aan de beheersinstanties van een der Verdragsluitende Regeringen uit een, onder de in dit deel neergelegde regels vallende boedel, bona fide trust of andere bona fide fiduciaire regeling.

Deel III. Vermogensbestanddelen, toebehorende aan ondernemingen opgericht volgens de wetten van een der Partijen

Artikel 11

De bepalingen van dit deel zullen van toepassing zijn op vermogensbestanddelen, welke zich bevinden binnen het grondgebied van een der Verdragsluitende Regeringen — secundair land genoemd — en in eigendom toebehorend aan een lichaam of onderneming — primaire onderneming genoemd — welke rechtens of in feite een vereniging vormt van personen of kapitaal, opgericht volgens de wetten van de andere Verdragsluitende Regering — primair land genoemd — en waarin op de peildatum een direct of indirect vijandelijk Duits belang bestond.

Artikel 12

Indien vermogensbestanddelen van een primaire onderneming door de Regering van een secundair land als vijandelijk Duits eigendom worden opgevorderd, zal de Regering van het primaire land gerechtigd zijn zich tot de Regering van het secundaire land te wenden, teneinde in gemeenschappelijk overleg vast te stellen:

Voor de toepassing van dit artikel zal een primaire onderneming als door Duitsers beheerst worden beschouwd, indien op de peildatum:

De in het secundaire land gelegen vermogensbestanddelen van een niet door Duitsers gecontroleerde primaire onderneming zullen niettemin als door Duitsers gecontroleerd worden beschouwd, indien vijandelijke Duitsers op de peildatum direct of indirect het beleid, de bedrijfsvoering, het gebruik of de gang van zaken met betrekking tot deze vermogensbestanddelen controleerden.

Artikel 13

De Regering van elk secundair land:

Artikel 14

De Verdragsluitende Regeringen erkennen dat het te gelde maken van vermogensbestanddelen door een der Regeringen aan de economische belangen van de andere Regering afbreuk kan doen en niet-vijandelijke belangen in de primaire onderneming kan schaden. Bijgevolg zal:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.