Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2009-08-29
State In force
Source BWB
artikelen 131
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

wij, de ACS-staten (staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) in Oostelijk en Zuidelijk Afrika, samen de OZA-groep en zijn afzonderlijke lidstaten uitmakend, enerzijds, en de Europese Gemeenschap (EG) en haar lidstaten, anderzijds;

gelet op de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de EG en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend op 23 juni 2000, hierna de „Overeenkomst van Cotonou” genoemd, het Verdrag inzake de gemeenschappelijke markt van Oostelijk en Zuidelijk Afrika (Comesa), ondertekend op 5 november 1993, het Verdrag inzake de ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC), ondertekend op 17 augustus 1992, en het handelsprotocol hierbij, het Verdrag inzake de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, ondertekend op 30 november 1999, en het Oprichtingsverdrag van de Afrikaanse Unie, ondertekend en goedgekeurd op 11 juli 2002;

gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

mede gelet op het besluit van de achtste top van de Comesa-autoriteit van staatshoofden en regeringsleiders, gehouden in Khartoem, Sudan, op 17 maart 2003, over de vaststelling van de OZA-groepering voor de onderhandelingen over een economische partnerschapsovereenkomst (EPO) met de Europese Unie (EU);

overwegende dat de OZA-staten en de EG en haar lidstaten zijn overeengekomen dat hun samenwerking op economisch en handelsgebied erop gericht moet zijn de soepele, geleidelijke integratie van de OZA-staten in de wereldeconomie met inachtneming van hun beleidskeuzen, hun ontwikkelingsniveau en hun ontwikkelingsprioriteiten te stimuleren en zo hun duurzame ontwikkeling te bevorderen en bij te dragen aan de uitroeiing van armoede in de OZA-staten;

opnieuw uitdrukking gevende aan hun streven de economische, culturele en sociale ontwikkeling van de OZA-staten te bevorderen en te bespoedigen, om zo een bijdrage te leveren aan vrede en veiligheid en een stabiel, democratisch politiek klimaat te bevorderen, dat gunstig is voor een duurzame nationale en regionale ontwikkeling;

opnieuw bevestigend dat de EPO in overeenstemming moet zijn met de doelstellingen en beginselen van de Overeenkomst van Cotonou, in het bijzonder met deel 3, titel II;

opnieuw bevestigend dat de EPO een ontwikkelingsinstrument moet zijn, een duurzame groei moet bevorderen, de productie- en aanbodcapaciteit van de OZA-staten moet verhogen, de structurele hervorming van de OZA-economieën en hun diversificatie en concurrentievermogen moet stimuleren en moet leiden tot ontwikkeling van de handel, het aantrekken van investeringen en technologie en het scheppen van werkgelegenheid in de OZA-staten;

herinnerend aan de verbintenissen van de internationale gemeenschap inzake de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, opgenomen in de VN-Verklaring van september 2000;

opnieuw bevestigend dat alleen vorderingen bij de ontwikkelingsagenda kunnen worden geboekt wanneer er sprake is van echte internationale samenwerking en een volledige tenuitvoerlegging van de verbintenissen die zijn overeengekomen bij de conferenties van Rio, Peking, Kopenhagen, Caïro en Monterrey en die zijn neergelegd in de actieprogramma's ten behoeve van de minst ontwikkelde landen (MOL's), de niet aan zee grenzende ontwikkelingslanden (LLDC's) en de kleine insulaire ontwikkelingslanden (SIDS);

gedachtig aan de rechten en plichten van de leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), het belang dat partijen hechten aan de beginselen en regels van de internationale handel en de noodzaak van een transparant, voorspelbaar, open en rechtvaardig multilateraal handelssysteem;

nogmaals wijzend op de noodzaak bijzondere aandacht te besteden aan regionale integratie en aan een speciale, gedifferentieerde behandeling van alle OZA-staten, de minst ontwikkelde OZA-staten hun speciale behandeling te laten behouden, en terdege rekening te houden met de positie van kleine OZA-economieën, die kwetsbaar zijn omdat zij geen toegang tot de zee hebben, een eiland zijn, aan zee liggen, met droogte te kampen hebben of uit een conflictsituatie komen;

in het bewustzijn dat aanzienlijke investeringen nodig zijn om de levensstandaard van de OZA-staten te verhogen;

herinnerend aan de verbintenissen van de partijen in het kader van de WTO,

zijn als volgt overeengekomen:1)[Red: De oorspronkelijke Bijlagen bij de Overeenkomst en de Bijlagen bij Protocol 1 liggen ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en zijn gepubliceerd in Pb. EU 2012, L 111.]

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Werkingssfeer van de tussentijdse overeenkomst

Bij deze tussentijdse overeenkomst wordt een kader voor een economische partnerschapsovereenkomst, hierna „EPO” genoemd, vastgesteld.

Artikel 2. Algemene EPO-doelstellingen

De doelstellingen van de economische partnerschapsovereenkomst zijn als volgt:

  • a. bijdragen aan het terugdringen en uiteindelijk uitroeien van armoede door de instelling van een versterkt, strategisch handels- en ontwikkelingspartnerschap dat in overeenstemming is met het doel van een duurzame ontwikkeling, de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de Overeenkomst van Cotonou;
  • b. regionale integratie, economische samenwerking en een goed bestuur in de OZA-regio bevorderen;
  • c. de geleidelijke integratie van de OZA-regio in de wereldeconomie bevorderen, in overeenstemming met haar beleidskeuzen en ontwikkelingsprioriteiten;
  • d. de structurele aanpassing en diversificatie van de OZA-economieën, met inbegrip van waardetoevoeging, stimuleren;
  • e. de capaciteit van de OZA-regio op het gebied van handelsbeleid en handelsgerelateerde vraagstukken verbeteren;
  • f. een doeltreffend, voorspelbaar en transparant regionaal regelgevend kader voor handel en investeringen in de OZA-regio tot stand brengen en ten uitvoer leggen, en op die manier de voorwaarden voor een toename van investeringen en particuliere initiatieven verbeteren en de leveringscapaciteit, het concurrentievermogen en de economische groei vergroten;
  • g. de bestaande relaties tussen de partijen op basis van solidariteit en wederzijdse belangen versterken. Om dit te bereiken verbetert de overeenkomst de economische en handelsbetrekkingen, geeft zij steun aan een nieuwe handelsdynamiek tussen de partijen door middel van de geleidelijke, asymmetrische liberalisering van de onderlinge handel en versterkt, verruimt en verdiept zij de samenwerking op alle gebieden die voor de handel en voor investeringen van belang zijn, een en ander met inachtneming van de WTO-verplichtingen.

Artikel 3. Specifieke doelstellingen van deze overeenkomst

1.

In overeenstemming met de artikelen 34 en 35 van de Overeenkomst van Cotonou zijn de doelstellingen van deze overeenkomst:

  • a. een overeenkomst tot stand brengen die in overeenstemming is met artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel 1994, hierna „GATT 1994” genoemd;
  • b. op basis van de reeds ingediende voorstellen het kader, de werkingssfeer en de beginselen vaststellen voor verdere onderhandelingen over de handel in goederen, zoals oorsprongsregels, handelsbeschermingsinstrumenten, douanesamenwerking en handelsbevordering, sanitaire en fytosanitaire maatregelen, technische handelsbelemmeringen en landbouw;
  • c. het kader en de werkingssfeer vaststellen voor eventuele onderhandelingen over andere aangelegenheden, zoals de handel in diensten, de in de Overeenkomst van Cotonou genoemde handelsgerelateerde vraagstukken en andere gebieden die voor beide partijen van belang zijn.
2.

De partijen verbinden zich ertoe de onderhandelingen te voltooien met het oog op de sluiting, uiterlijk op 31 december 2008, van een volledige EPO, onder meer over de in lid 1, onder b) en c), genoemde onderwerpen, in overeenstemming met de gemeenschappelijke routekaart die de partijen op 7 februari 2004 zijn overeengekomen.

Artikel 4. Beginselen

De beginselen van deze overeenkomst op basis waarvan de onderhandelingen tussen de partijen over een volledige EPO zullen worden voortgezet, zijn:

  • b. versterken van de regionale integratie in de OZA-regio;
  • c. asymmetrie bij de liberalisering van de handel en bij de toepassing van handelsgerelateerde maatregelen en handelsbeschermingsinstrumenten;
  • d. een speciale, gedifferentieerde behandeling van de MOL's in de OZA-regio, daarbij rekening houdend met de kwetsbaarheid van kleine, niet aan zee grenzende of insulaire staten, onder meer bij het niveau en het tempo van de liberalisering van de handel;
  • e. een variabele geometrie om een OZA-staat die het aankan de mogelijkheid te geven sneller te liberaliseren;
  • f. ruime toepassing van de ontwikkelingssamenwerkingsbepalingen, zodat de MOL's in de OZA-regio die niet in staat zijn een tariefaanbod te doen, toch kunnen profiteren van alle aspecten van deze overeenkomst, en in het bijzonder van de bepalingen inzake economische en ontwikkelingssamenwerking in deze tussentijdse overeenkomst;
  • g. de MOL's in de OZA-regio die nog geen tariefverlagingsaanbod hebben gedaan, de mogelijkheid te bieden dit op dezelfde of op flexibele voorwaarden na de sluiting van deze tussentijdse overeenkomst te doen en toch ten volle van de bepalingen van deze overeenkomst te profiteren;
  • h. de OZA-staten toestaan onderling en met andere staten en regio's in Afrika handelspreferenties in stand te houden zonder verplicht te zijn deze tot de EG uit te breiden.

HOOFDSTUK II. HANDELSREGELING VOOR GOEDEREN

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 5. Doelstellingen

De samenwerking op handelsgebied heeft de volgende doelstellingen:

  • a. op een veilige, langdurige en voorspelbare grondslag de voorwaarden bieden voor een volledig rechten- en contingentvrije toegang van goederen van oorsprong uit de OZA-staten tot de EG-markt;
  • b. de handel tussen de partijen en een snellere, op de uitvoer gerichte groei bevorderen om de OZA-staten in staat te stellen in de wereldeconomie te integreren;
  • c. de goederenmarkten in de OZA-regio geleidelijk liberaliseren in overeenstemming met de in deze overeenkomst neergelegde modaliteiten;
  • d. de markttoegangsvoorwaarden behouden en verbeteren om ervoor te zorgen dat de OZA-staten erop vooruit en niet erop achteruit gaan.

Artikel 6. Werkingssfeer

1.

Alleen de in bijlage II opgenomen overeenkomstsluitende OZA-staten gaan verbintenissen uit hoofde van dit hoofdstuk aan.

2.

De verbintenissen van de EG uit hoofde van dit hoofdstuk hebben alleen betrekking op goederen van oorsprong uit de in bijlage II opgenomen overeenkomstsluitende OZA-staten.

3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en voor besluiten die uit hoofde van dit hoofdstuk worden goedgekeurd, heeft elke verwijzing naar de overeenkomstsluitende OZA-staten of naar goederen van oorsprong uit de overeenkomstsluitende OZA-staten alleen betrekking op de in bijlage II opgenomen overeenkomstsluitende OZA-staten.

4.

Wanneer een niet in bijlage II opgenomen overeenkomstsluitende OZA-staat wenst deel te nemen aan hoofdstuk II, moet hij van zijn voornemen kennis geven aan het EPO-comité. Het EPO-comité is bevoegd bijlage II te wijzigen.

5.

Het EPO-comité kan besluiten tot overgangsmaatregelen of wijzigingen wanneer deze nodig zijn om de opname van dergelijke overeenkomstsluitende OZA-staten in bijlage II te vergemakkelijken.

TITEL II. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN

Artikel 7. Douanerechten

In het kader van de afschaffing van de douanerechten op invoer worden onder douanerechten verstaan alle rechten en heffingen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen, die worden opgelegd op of in verband met de invoer van goederen, met uitzondering van:

  • a. heffingen die overeenkomen met interne belastingen, die in overeenstemming met artikel 18 zowel op ingevoerde goederen als op ter plaatse geproduceerde goederen worden opgelegd;
  • b. antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen die in overeenstemming met artikel 19 worden toegepast en vrijwaringsmaatregelen die in overeenstemming met artikel 21 worden toegepast;
  • c. vergoedingen en andere heffingen die in overeenstemming met artikel 10 worden opgelegd.

Artikel 8. Classificatie van de goederen

De classificatie van de handelsgoederen waarop deze overeenkomst van toepassing is, geschiedt overeenkomstig de tariefnomenclatuur van elk der partijen, in overeenstemming met het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (GS). De overeenkomstsluitende OZA-staten gebruiken de Comesa-nomenclatuur.

Artikel 9. Basisrecht

Het basisrecht waarop de opeenvolgende verlagingen worden toegepast, is het recht dat voor het betrokken product is vermeld in het tariefschema van elk van beide partijen.

Artikel 10. Vergoedingen en andere heffingen

De in lid 7, onder c), bedoelde vergoedingen en andere heffingen blijven beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten en beogen geen indirecte bescherming van binnenlandse producten of een belasting op de invoer voor fiscale doeleinden. Zij worden gebaseerd op specifieke tarieven. Voor consulaire diensten worden geen handelsgerelateerde vergoedingen en heffingen opgelegd.

Artikel 11. Douanerechten op producten van oorsprong uit de OZA-staten

Producten van oorsprong uit de OZA-staten worden vrij van douanerechten in de EG ingevoerd, onder de in bijlage I genoemde voorwaarden.

Artikel 12. Douanerechten op producten van oorsprong uit de EG

1.

Douanerechten op de invoer van producten van oorsprong uit de EG worden verlaagd of afgeschaft in overeenstemming met de in bijlage II opgenomen schema's voor de liberalisering van de tarieven; die bijlage bevat de schema's van elk van de overeenkomstsluitende OZA-staten of van elke groep overeenkomstsluitende OZA-staten.

2.

De partijen kunnen de schema's voor de liberalisering van de tarieven in bijlage II herzien om ze in het geval van regionale integratieprocessen te harmoniseren.

3.

Elk nieuw schema voor de liberalisering van de douanetarieven met betrekking tot de invoer van producten van oorsprong uit de EG dat na het begin van de ratificatieprocedure voor deze overeenkomst wordt ingediend, kan bij besluit van het EPO-comité in bijlage II bij deze overeenkomst worden opgenomen.

Artikel 13. Oorsprongsregels

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als „van oorsprong” beschouwd de goederen die aan de oorsprongsregels in protocol 1 bij deze overeenkomst voldoen. Met het oog op de toepassing van de volledige EPO onderzoeken de partijen gedurende de periode tussen de inwerkingtreding van deze overeenkomst en de inwerkingtreding van de volledige EPO of de bepalingen van dat protocol verder kunnen worden vereenvoudigd. Zij houden daarbij rekening met de ontwikkelingsbehoeften van de OZA-staten en met de ontwikkeling van de technologie, van de productieprocessen en van alle andere factoren, met inbegrip van de lopende hervormingen van de oorsprongsregels, die een wijziging van de bepalingen van dat protocol nodig kunnen maken. Het EPO-comité besluit over dergelijke wijzigingen.

Artikel 14. Status-quo

Behoudens artikel 12 komen de partijen overeen de invoerrechten op producten uit de andere partij niet te verhogen.

Artikel 15. Uitvoerrechten en -belastingen

1.

Tenzij in bijlage III anders is bepaald, voeren de partijen gedurende de looptijd van deze overeenkomst geen nieuwe rechten of belastingen op of in verband met de uitvoer van goederen naar de andere partij in die hoger zijn dan de rechten of belastingen die op soortgelijke, voor verkoop in het binnenland bestemde producten worden geheven.

2.

Het EPO-comité kan een verzoek van een overeenkomstsluitende OZA-staat om een herziening van de in bijlage III opgenomen goederen onderzoeken.

Artikel 16. Gunstiger behandeling als gevolg van vrijhandelsovereenkomsten

1.

Wat de onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden betreft, kent de EG de overeenkomstsluitende OZA-staten in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat de EG na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een vrijhandelsovereenkomst met derde partijen.

2.

Wat de onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden betreft, kennen de overeenkomstsluitende OZA-staten de EG in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat de overeenkomstsluitende OZA-staten na de ondertekening van deze overeenkomst partij worden bij een vrijhandelsovereenkomst met een belangrijke handelsmacht.

3.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden niet zo uitgelegd dat de partijen verplicht zijn elkaar een preferentiële behandeling toe te kennen omdat een van hen op de datum van ondertekening van deze overeenkomst partij is bij een vrijhandelsovereenkomst met een derde partij.

4.

Lid 2 is niet van toepassing ten aanzien van handelsovereenkomsten tussen overeenkomstsluitende OZA-staten en andere landen en gebieden in Afrika.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „vrijhandelsovereenkomst” verstaan een overeenkomst tot wezenlijke liberalisering van de handel en tot afschaffing van praktisch alle discriminerende situaties tussen de partijen door middel van de opheffing van bestaande discriminerende maatregelen en/of een verbod op nieuwe discriminerende maatregelen of op de aanscherping van bestaande discriminerende maatregelen, bij de inwerkingtreding van die overeenkomst of volgens een redelijk tijdschema.

6.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „belangrijke handelsmacht” verstaan elk ontwikkeld land of elk land dat in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde vrijhandelsovereenkomst een aandeel van meer dan 1% in de mondiale uitvoer van goederen had, of elke groep landen die individueel, collectief of via een vrijhandelsovereenkomst in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde vrijhandelsovereenkomst een aandeel van meer dan 1,5% in de mondiale uitvoer van goederen had 1)Voor deze berekening wordt gebruik gemaakt van officiële WTO-gegevens over leidende exporteurs van goederen in de wereldhandel (met uitzondering van de intra-EU-handel)..

TITEL III. NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN

Artikel 17. Verbod op kwantitatieve beperkingen

Tenzij in de bijlagen I en II bij deze overeenkomst anderszins is bepaald, worden vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst in de handel tussen de partijen alle invoer- of uitvoerverboden of -beperkingen, met uitzondering van douanerechten, belastingen en de in artikel 7 bedoelde vergoedingen en andere heffingen, afgeschaft, ongeacht of zij de vorm hebben van contingenten, in- of uitvoervergunningen of andere maatregelen. Er worden geen nieuwe maatregelen van dien aard ingevoerd.

Artikel 18. Nationale behandeling op het gebied van interne belastingen en regelgeving

1.

Ingevoerde producten van oorsprong uit de andere partij worden noch direct, noch indirect aan hogere interne belastingen of andere interne heffingen van welke aard dan ook onderworpen dan die welke direct of indirect op soortgelijke nationale producten van toepassing zijn. Bovendien passen de partijen ook anderszins geen interne belastingen of andere interne heffingen toe om de binnenlandse productie te beschermen.

2.

Ingevoerde producten van oorsprong uit de andere partij worden, wat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en vereisten met betrekking tot hun verkoop, aanbieding tot verkoop, aankoop, vervoer, distributie of gebruik op de binnenlandse markt betreft, niet ongunstiger behandeld dan soortgelijke binnenlandse producten. Het bepaalde in dit lid is geen beletsel voor de toepassing van differentiële binnenlandse vervoerstarieven die uitsluitend berusten op de economische exploitatie van het vervoermiddel en niet op de oorsprong van het product.

3.

De partijen voeren geen interne kwantitatieve regelingen inzake menging, be- of verwerking of gebruik van producten in specifieke hoeveelheden of verhoudingen in, die direct of indirect vereisen dat een specifieke hoeveelheid of een specifiek percentage van een onder de regeling vallend product uit binnenlandse bron afkomstig is; evenmin handhaven zij dergelijke regelingen. Bovendien passen de partijen ook anderszins geen interne kwantitatieve regelingen toe om de binnenlandse productie te beschermen.

4.

Dit artikel vormt geen beletsel voor de toekenning van subsidies aan uitsluitend nationale producenten, met inbegrip van betalingen aan nationale producenten uit de opbrengsten van interne belastingen of heffingen die overeenkomstig dit artikel worden geheven en van subsidies in de vorm van aankopen van binnenlandse producten door de overheid.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, procedures of praktijken inzake overheidsopdrachten.

6.

Het EPO-comité kan besluiten een overeenkomstsluitende OZA-staat vergunning te verlenen van de bepalingen van dit artikel af te wijken om een binnenlandse productie op te zetten en een opkomende industrie te beschermen. In dit verband zal rekening worden gehouden met de ontwikkelingsbehoeften van de overeenkomstsluitende OZA-staten en in het bijzonder met de speciale behoeften en problemen van de overeenkomstsluitende OZA-staten die tot de MOL's behoren.

7.

In bijlage III is een lijst van voorlopige afwijkingen opgenomen. Die afwijkingen worden aan de belanghebbende overeenkomstsluitende OZA-staten toegestaan voor de in die bijlage genoemde termijn.

TITEL IV. HANDELSBESCHERMINGSINSTRUMENTEN

Artikel 19. Antidumpingrechten en compenserende rechten

1.

Behoudens het bepaalde in dit artikel vormt geen enkele bepaling in deze overeenkomst voor de EG of voor de overeenkomstsluitende OZA-staten, individueel of gezamenlijk, een beletsel om in overeenstemming met de desbetreffende WTO-overeenkomsten antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprong vastgesteld in overeenstemming met de niet-preferentiële oorsprongsregels van de partijen.

2.

Alvorens definitieve antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen ten aanzien van uit een OZA-staat ingevoerde producten, overweegt de EG de mogelijkheid van constructieve oplossingen als bedoeld in de desbetreffende WTO-overeenkomsten.

3.

Wanneer een regionale autoriteit namens twee of meer overeenkomstsluitende OZA-staten een antidumpingmaatregel of een compenserende maatregel heeft ingesteld, is er slechts één instantie voor rechterlijke toetsing, ook in het stadium van de hogere voorziening.

4.

Wanneer een antidumpingmaatregel of een compenserende maatregel zowel op regionaal of subregionaal niveau als op nationaal niveau kan worden ingesteld, zorgen de partijen ervoor dat die maatregel ten aanzien van hetzelfde product niet tegelijkertijd door regionale of subregionale autoriteiten, enerzijds, en nationale autoriteiten, anderzijds, wordt toegepast.

5.

De EG stelt de overeenkomstsluitende OZA-staten van uitvoer in kennis van de ontvangst van een naar behoren gestaafde klacht voordat zij een onderzoek opent.

6.

Dit artikel is van toepassing op alle onderzoeken die na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden geopend.

7.

De bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op dit artikel.

Artikel 20. Multilaterale vrijwaringsmaatregelen

1.

Behoudens het bepaalde in dit artikel vormt geen enkele bepaling in deze overeenkomst voor de overeenkomstsluitende OZA-staten en de EG een beletsel om maatregelen te nemen overeenkomstig artikel XIX van de GATT 1994, de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprong vastgesteld in overeenstemming met de niet-preferentiële oorsprongsregels van de partijen.

2.

Behoudens het bepaalde in lid 1 en gezien de algemene ontwikkelingsdoelstellingen van deze overeenkomst en de kleine omvang van de economieën van de OZA-staten, sluit de EG de invoer uit een OZA-staat uit van maatregelen die zij neemt uit hoofde van artikel XIX van de GATT 1994, de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw.

3.

Lid 2 geldt voor een periode van vijf jaar, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Uiterlijk 120 dagen voor het eind van deze periode onderzoekt het EPO-comité de uitvoering van deze bepalingen in het licht van de ontwikkelingsbehoeften van de OZA-staten, teneinde vast te stellen of de toepassing ervan moet worden verlengd.

4.

De bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op lid 1.

Artikel 21. Bilaterale vrijwaringsmaatregelen

1.

Na alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, kan een partij op de voorwaarden van en in overeenstemming met de procedures van dit artikel vrijwaringsmaatregelen van beperkte duur vaststellen die afwijken van de artikelen 11, 12 en 17.

2.

De in lid 1 bedoelde vrijwaringsmaatregelen kunnen worden getroffen wanneer een product van oorsprong uit een van de partijen in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden op het gebied van de andere partij wordt ingevoerd dat deze invoer:

  • a. op het gebied van de invoerende partij ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor binnenlandse producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten, of
  • b. leidt tot of dreigt te leiden tot verstoring van een economische sector, met name wanneer hierdoor grote sociale problemen ontstaan, of moeilijkheden die een ernstige verslechtering van de economische situatie van de invoerende partij tot gevolg kunnen hebben, of
  • c. verstoring van de markten voor soortgelijke of rechtstreeks concurrerende landbouwproducten 2)Voor de toepassing van dit artikel zijn landbouwproducten producten die vallen onder bijlage I van de WTO-overeenkomst inzake de landbouw. of van de mechanismen tot regeling van die markten veroorzaakt of dreigt te veroorzaken.
3.

De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen gaan niet verder dan wat nodig is om de in de leden 2 en 5, onder b), bedoelde ernstige schade of verstoringen te verhelpen of te voorkomen. Deze vrijwaringsmaatregelen van de invoerende partij bestaan alleen uit een of meer van de volgende maatregelen:

  • a. schorsing van de verdere verlaging van het invoerrecht op het betrokken product, zoals bepaald in deze overeenkomst;
  • b. verhoging van het douanerecht op het betrokken product tot een niveau dat het voor andere WTO-leden geldende recht niet overschrijdt;
  • c. invoering van tariefcontingenten voor het betrokken product.
4.

Onverminderd de leden 1 tot en met 3 kan de EG, wanneer een product van oorsprong uit een of meer overeenkomstsluitende OZA-staten of OZA-subgroepen in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor een of meer ultraperifere gebieden van de EG een van de in lid 2 genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, volgens de in de leden 6 tot en met 9 neergelegde procedures toezicht- of vrijwaringsmaatregelen nemen die beperkt zijn tot dat gebied of die gebieden.

  • a. Onverminderd de leden 1 tot en met 3 kan een overeenkomstsluitende OZA-staat, wanneer een product van oorsprong uit de EG in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor die overeenkomstsluitende OZA-staat een van de in lid 2 genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, volgens de in de leden 6 tot en met 9 neergelegde procedures toezicht- of vrijwaringsmaatregelen nemen die tot zijn gebied beperkt zijn.
  • b. Een overeenkomstsluitende OZA-staat kan vrijwaringsmaatregelen nemen wanneer een product van oorsprong uit de EG als gevolg van de verlaging van de douanerechten in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden op zijn gebied wordt ingevoerd dat hierdoor voor een opkomende industrie die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, verstoringen ontstaan of dreigen te ontstaan. Deze bepaling geldt voor niet-MOL's voor een periode van tien jaar en voor MOL's voor vijftien jaar, gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Maatregelen moeten worden genomen volgens de in de leden 6 tot en met 9 neergelegde procedures.
  • a. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen worden slechts zolang gehandhaafd als nodig is om ernstige schade of verstoringen als omschreven in de leden 2, 4 en 5 te voorkomen of te verhelpen.
  • b. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen worden niet langer dan twee jaar toegepast. Wanneer de omstandigheden die de instelling van vrijwaringsmaatregelen rechtvaardigden, blijven bestaan, kunnen deze maatregelen worden verlengd voor nog eens maximaal twee jaar. Wanneer de overeenkomstsluitende OZA-staten of een overeenkomstsluitende OZA-staat een vrijwaringsmaatregel toepassen (toepast), of wanneer de EG een maatregel toepast die beperkt is tot een of meer van haar ultraperifere gebieden, kan die maatregel evenwel voor een periode van niet meer dan vier jaar worden toegepast, met een mogelijke verlenging met nog eens vier jaar wanneer de omstandigheden die de instelling van vrijwaringsmaatregelen rechtvaardigden, blijven bestaan.
  • c. In dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen die langer dan één jaar van kracht blijven, bevatten duidelijke elementen die geleidelijk tot beëindiging van die maatregelen, uiterlijk aan het einde van de vastgestelde periode, leiden.
  • d. Ten aanzien van een product waarop al eerder vrijwaringsmaatregelen van toepassing waren, mogen gedurende een periode van ten minste één jaar na het verstrijken van deze maatregelen niet opnieuw vrijwaringsmaatregelen als bedoeld in dit artikel worden genomen.
7.

Voor de tenuitvoerlegging van bovenstaande leden gelden de volgende bepalingen:

  • a. wanneer een partij van oordeel is dat een van de in de leden 2, 4 en/of 5 bedoelde omstandigheden zich voordoet, verwijst zij de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek naar het EPO-comité;
  • b. het EPO-comité kan elke aanbeveling doen die nodig is om in de gerezen omstandigheden uitkomst te bieden. Indien het EPO-comité geen aanbevelingen heeft gedaan, of indien er binnen 30 dagen nadat de aangelegenheid aan het EPO-comité werd voorgelegd geen bevredigende oplossing is bereikt, kan de invoerende partij overeenkomstig dit artikel passende maatregelen vaststellen om de problemen op te lossen;
  • c. alvorens een in dit artikel bedoelde maatregel te nemen, of, in de gevallen waarin lid 8 van toepassing is, zo spoedig mogelijk, verstrekt de EG of de betrokken overeenkomstsluitende OZA-staat het EPO-comité alle informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde een voor de betrokken partijen aanvaardbare oplossing te vinden;
  • d. bij de keuze van vrijwaringsmaatregelen krachtens dit artikel moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die de werking van deze overeenkomst zo min mogelijk verstoren;
  • e. alle krachtens dit artikel genomen vrijwaringsmaatregelen worden onmiddellijk ter kennis van het EPO-comité gebracht en in dat comité op gezette tijden aan een onderzoek onderworpen, in het bijzonder om een tijdschema vast te stellen voor de afschaffing van de maatregelen zodra de omstandigheden dat toelaten.
8.

Wanneer wegens uitzonderlijke omstandigheden onmiddellijk maatregelen moeten worden genomen, kan de betrokken invoerende partij, of het hierbij nu gaat om de EG, de OZA-staten of een overeenkomstsluitende OZA-staat, voorlopig de in de leden 3, 4 en/of 5 bedoelde maatregelen nemen zonder aan de eisen van lid 7 te voldoen. Deze maatregelen hebben een maximale duur van 180 dagen wanneer ze door de EG worden genomen, en van 200 dagen wanneer ze door de OZA-staten of een overeenkomstsluitende OZA-staat worden genomen of wanneer ze door de EG worden genomen en beperkt zijn tot een of meer van haar ultraperifere gebieden. De duur van een voorlopige maatregel wordt meegerekend als deel van de initiële periode en van eventuele verlengingen als bedoeld in lid 6. Wanneer voorlopige maatregelen worden genomen, wordt rekening gehouden met de belangen van alle betrokken partijen. De betrokken invoerende partij stelt de andere betrokken partij in kennis en verwijst de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek naar het EPO-comité.

9.

Indien een invoerende partij de invoer van een product onderwerpt aan een administratieve procedure die ten doel heeft snel informatie te verschaffen over de ontwikkeling van handelsstromen die tot de in dit artikel bedoelde problemen kunnen leiden, stelt zij het EPO-comité daarvan onverwijld in kennis.

10.

Er kan geen beroep op de WTO-overeenkomst worden gedaan om een partij te beletten vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig dit artikel te nemen.

TITEL V. ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN

Artikel 22. Speciale bepaling over administratieve samenwerking

1.

De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking van essentieel belang is voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële behandeling die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, en benadrukken hun vastberadenheid om onregelmatigheden en fraude op het gebied van douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.

2.

Wanneer een partij op basis van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten in overeenstemming met dit artikel tijdelijk schorsen.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verlenen van administratieve medewerking onder meer verstaan:

  • a. het herhaaldelijk niet nakomen van de verplichting om de oorsprongsstatus van het betrokken product of de betrokken producten te controleren;
  • b. het herhaaldelijk weigeren een controle achteraf van het bewijs van oorsprong uit te voeren en/of de resultaten daarvan mede te delen, of onredelijke vertraging daarbij;
  • c. het herhaaldelijk weigeren van toestemming voor missies in het kader van de administratieve samenwerking ter controle van de echtheid van documenten of de juistheid van gegevens die van belang zijn voor het verlenen van een preferentiële behandeling, of onredelijke vertraging daarbij.
4.

Voor de toepassing van dit artikel kunnen onregelmatigheden of fraude onder meer worden vastgesteld wanneer de invoer van goederen snel stijgt zonder dat daarvoor een bevredigende verklaring is, die invoer de gebruikelijke productie- en uitvoercapaciteit van de andere partij te boven gaat en de stijging in verband kan worden gebracht met objectieve informatie betreffende onregelmatigheden of fraude.

5.

Voor een tijdelijke schorsing moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • a. de partij die op grond van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, stelt het EPO-comité onverwijld in kennis van zijn bevindingen en van de objectieve informatie, en treedt op basis van alle relevante informatie en objectief vastgestelde bevindingen binnen het EPO-comité in overleg om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden;
  • b. wanneer de partijen zoals hierboven beschreven binnen het EPO-comité in overleg zijn getreden en niet binnen drie maanden na de kennisgeving overeenstemming over een aanvaardbare oplossing hebben bereikt, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling voor het betrokken product of de betrokken producten tijdelijk schorsen. Het EPO-comité wordt van deze tijdelijke schorsing onverwijld in kennis gesteld;
  • c. tijdelijke schorsingen op grond van dit artikel blijven beperkt tot wat nodig is om de financiële belangen van de betrokken partij te beschermen. Zij duren niet langer dan zes maanden, waarna verlenging mogelijk is. Tijdelijke schorsingen worden onmiddellijk na goedkeuring ervan ter kennis gebracht van het EPO-comité. Binnen het EPO-comité vindt hierover periodiek overleg plaats, met name met het oog op opheffing van de schorsingen zodra de omstandigheden die aanleiding gaven tot toepassing ervan, niet meer gelden.
6.

Tegelijk met de kennisgeving aan het EPO-comité overeenkomstig lid 5, onder a), publiceert de betrokken partij in haar officiële publicatieblad een bericht aan de importeurs. In dit bericht wordt aangegeven dat zij voor het betrokken product op grond van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude.

Artikel 23. Handelwijze bij administratieve fouten

Indien de bevoegde autoriteiten bij het beheer van de preferentiële uitvoerregeling een fout hebben gemaakt, met name bij de toepassing van de bepalingen van protocol 1 betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden voor administratieve samenwerking, en deze fout gevolgen heeft voor de invoerrechten, kan de partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd het EPO-comité verzoeken na te gaan of passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie te herstellen.

Artikel 24. Douanewaarde

1.

Artikel VII van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994 zijn van toepassing op de voorschriften inzake de vaststelling van de douanewaarde in de handel tussen de partijen.

2.

De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van problemen met betrekking tot de douanewaarde.

HOOFDSTUK III. VISSERIJ

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 25

1.

De partijen erkennen dat de visserij een belangrijke economische sector voor de OZA-regio is en aanzienlijk bijdraagt aan de economieën van de overeenkomstsluitende OZA-staten en dat zij grote mogelijkheden biedt voor de toekomstige economische ontwikkeling van de regio en voor vermindering van de armoede. De visserij is ook een belangrijke bron van voedsel en van buitenlandse valuta.

2.

Verder erkennen de partijen dat de visbestanden van groot belang zijn voor zowel de EG als de overeenkomstsluitende OZA-staten en komen zij overeen in hun wederzijdse belang samen te werken bij de duurzame ontwikkeling en het duurzame beheer van de visserijsector, en daarbij rekening te houden met de economische, sociale en milieueffecten.

3.

De partijen zijn het erover eens dat de economische groei van de visserijsector en de vergroting van zijn bijdrage aan de OZA-economie het best kan worden bevorderd door een toename van waardetoevoegende activiteiten binnen deze sector, waarbij de duurzaamheid op lange termijn niet uit het oog mag worden verloren.

Artikel 26. Doelstellingen

De doelstellingen van de samenwerking op visserijgebied zijn:

  • a. bevorderen van een duurzame ontwikkeling en een duurzaam beheer van de visserij;
  • b. bevorderen en ontwikkelen van de regionale en internationale handel op basis van goede praktijken;
  • c. creëren van een omgeving, waaronder infrastructuur en capaciteitsopbouw, waarin de OZA-staten ervoor kunnen zorgen dat zowel de industriële als de kleinschalige visserij aan de strikte markteisen voldoet;
  • d. steun verlenen voor nationaal en regionaal beleid ter verhoging van de productiviteit en het concurrentievermogen van de visserijsector; en
  • e. tot stand brengen van banden met andere economische sectoren.

Artikel 27. Werkingssfeer

De samenwerking bij de handel in visserijproducten en de ontwikkeling van de visserij heeft betrekking op de zeevisserij, de binnenvisserij en de aquicultuur.

Artikel 28. Beginselen

1.

De beginselen van de samenwerking op visserijgebied zijn:

  • a. steun voor de ontwikkeling en intensivering van regionale integratie;
  • c. een speciale, gedifferentieerde behandeling;
  • d. de noodzaak rekening te houden met de beste wetenschappelijke informatie die voor de vaststelling en het beheer van de visbestanden beschikbaar is;
  • e. een goed werkend systeem voor het toezicht op de gevolgen op economisch, sociaal en milieugebied in departijen;
  • g. behoud van en prioriteit voor de bijzondere noden van de ambachtelijke visserij en de visserij om in het eigen levensonderhoud te voorzien.
2.

Deze richtsnoeren moeten bijdragen tot een duurzame en verantwoorde ontwikkeling van de visbestanden in binnenwateren en op zee en van de aquicultuur en tot een optimalisering van de baten van deze sector voor huidige en toekomstige generaties, door grotere investeringen, capaciteitsopbouw en een betere markttoegang.

Artikel 29. Preferentiële toegang

De partijen werken samen om ervoor te zorgen dat financiële en andere steun wordt gegeven om het concurrentievermogen en de productiecapaciteit van de visverwerkende industrie te vergroten, de visserijsector te diversifiëren en de havenfaciliteiten te verbeteren.

TITEL II. ZEEVISSERIJ

Artikel 30. Werkingssfeer

De werkingssfeer van deze titel betreft het gebruik, het behoud en het beheer van de zeevisbestanden teneinde de baten van de visserij voor de OZA-regio te optimaliseren door de opbouw van investeringscapaciteit en een verbeterde markttoegang.

Artikel 31. Doelstellingen

De doelstellingen van de samenwerking zijn:

  • a. versterken van de samenwerking met het oog op een duurzame exploitatie en een duurzaam beheer van de visbestanden als stevige basis voor regionale integratie, aangezien de grensoverschrijdende en trekkende vissoorten door eiland- en kuststaten worden gedeeld en geen enkele OZA-staat alleen de capaciteit heeft om voor duurzaamheid van de bestanden te zorgen;
  • b. zorgen voor een billijker aandeel van de baten uit de visserijsector;
  • c. zorgen voor een doeltreffend systeem van toezicht, controle en bewaking (MCS) met het oog op de bestrijding van illegale, niet-gemelde en niet-gereglementeerde (IUU) visserij;
  • d. bevorderen van een doeltreffende exploitatie en een doeltreffend behoud en beheer van de visbestanden in de exclusieve economische zone en de wateren die onder de jurisdictie van de OZA-staten vallen op grond van internationale instrumenten, waaronder Unclos (Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee), ten voordele - zowel op economisch als op sociaal vlak - van zowel de OZA-staten als de EG.

Artikel 32. Samenwerkingsgebieden

1.

Om de doelstellingen van de samenwerking op het gebied van de zeevisserij binnen de omschreven beginselen te bereiken, heeft de samenwerking betrekking op visserijbeheer en instandhouding van visbestanden, schepenbeheer en regelingen voor de behandeling na de vangst, financiële en handelsmaatregelen en ontwikkeling van de visserij, van visserijproducten en van de mariene aquicultuur.

2.

De EG zal bijdragen aan de mobilisatie van de middelen voor de tenuitvoerlegging van de genoemde samenwerkingsgebieden op nationaal en regionaal niveau; dit betreft ook steun voor regionale capaciteitsopbouw. Verder draagt de EG bij aan de maatregelen die zijn beschreven in de afdeling over financiële en handelsmaatregelen en aan die betreffende de ontwikkeling van speciale infrastructuur voor de visserij en de mariene aquicultuur.

a. Visserijbeheer en instandhouding van visbestanden

    1. Bij de vaststelling van de hoogte van een duurzame vangst, van de visserijcapaciteit en van andere beheersstrategieën worden de nodige voorzorgen genomen om onwenselijke gevolgen zoals overcapaciteit en overbevissing en ook onwenselijke effecten voor ecosystemen of de ambachtelijke visserij te vermijden of tegen te gaan.
    1. Elke OZA-staat kan passende maatregelen nemen, waaronder beperkingen ten aanzien van het visseizoen en het vistuig, teneinde zijn territoriale wateren verder te beschermen en de duurzaamheid van de ambachtelijke en de kustvisserij te waarborgen.
    1. De partijen zullen de toetreding van alle betrokken staten tot de Indian Ocean Tuna Commission (IOTC) en andere relevante visserijorganisaties bevorderen. Deze landen coördineren, samen met de EG, acties om te zorgen voor het beheer en de instandhouding van alle vissoorten, met inbegrip van tonijn en tonijnachtigen, en om wetenschappelijk onderzoek ter zake te bevorderen.
    1. Wanneer de bevoegde nationale beheersautoriteiten niet over voldoende wetenschappelijk bewijs beschikken om grenzen en streefwaarden voor de duurzame vangst in de exclusieve economische zone van een OZA-staat vast te stellen, verlenen beide partijen in overleg met de bevoegde nationale autoriteiten en samen met de IOTC en, indien relevant, andere regionale visserijorganisaties steun bij de wetenschappelijke analyse.
    1. De partijen komen overeen passende maatregelen te nemen wanneer een toename van de visserijinspanningen leidt tot vangstniveaus die boven de door de bevoegde nationale autoriteiten vastgestelde streefwaarde voor duurzaamheid liggen.
    1. Om grensoverschrijdende visbestanden en visbestanden met een sterk trekgedrag in stand te houden en te beheren, zorgen de EG en de staten in de OZA-regio ervoor dat schepen die hun vlag voeren de nationale, regionale en subregionale maatregelen voor het beheer van de visbestanden en de verwante nationale wet- en regelgeving naleven.

b. Schepenbeheer en regelingen inzake de behandeling na de vangst

    1. De regelingen van de IOTC en andere relevante regionale visserijorganisaties inzake de behandeling na de vangst en het schepenbeheer worden in acht genomen. De OZA-staten en de EG stellen minimumnormen vast voor het toezicht op en de controle en bewaking van vissersschepen uit de EG die in de wateren van de OZA-staten opereren; dit betreft onder meer het volgende:
  • i. er wordt een systeem voor het toezicht op schepen (VMS) opgezet voor de staten in de OZA-regio en alle OZA-staten zullen een onderling compatibel systeem gebruiken. OZA-staten zonder VMS krijgen hulp van de EG bij het opzetten van een compatibel VMS;
  • ii. behalve een verplicht compatibel VMS ontwikkelen alle staten in de OZA-regio samen met de EG andere mechanismen voor een doeltreffend toezicht en een doeltreffende controle en bewaking; de EG ondersteunt de OZA-staten bij de invoering van een overeengekomen systeem en helpt bij de tenuitvoerlegging ervan;
  • iii. de partijen hebben het recht waarnemers in de nationale of internationale wateren te stationeren wanneer er goede procedures voor het inzetten van waarnemers zijn uitgewerkt. De waarnemers worden betaald door de nationale regeringen, maar alle kosten aan boord komen voor rekening van de reder. De EG draagt bij in de kosten voor de opleiding van waarnemers;
  • iv. er worden gemeenschappelijke systemen voor de rapportering van visserij ontwikkeld, die in de gehele regio worden gebruikt; ook worden er minimumvoorwaarden voor de rapportering vastgesteld;
  • v. alle schepen die hun vangst in een staat in de OZA-regio aanlanden of overladen, doen dit in een haven of buitenhaven. Overlading op zee is niet toegestaan, behalve onder speciale voorwaarden zoals voorzien door de desbetreffende regionale organisatie voor visserijbeheer (RFMO). De partijen werken samen bij de modernisering van de aanlandings- of overladingsinfrastructuur, waaronder de capaciteit voor de ontwikkeling van visserijproducten, in de havens van de OZA-staten;
  • vi. alle schepen streven ernaar gebruik te maken van de faciliteiten van de OZA-staten en zich ter plaatse te bevoorraden;
  • vii. teruggooi wordt verplicht gerapporteerd. Er wordt prioriteit gegeven aan het vermijden van teruggooi door het gebruik van selectieve vismethoden in overeenstemming met de beginselen van de IOTC en andere relevante regionale visserijorganisaties. Voor zover mogelijk wordt bijvangst aan land gebracht.
    1. De partijen komen overeen samen te werken bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van nationale en regionale opleidingsprogramma's voor onderdanen van de OZA-staten zodat deze doeltreffend werkzaam kunnen zijn in de visserijindustrie. Wanneer de EG bilaterale visserijovereenkomsten sluit, wordt de indienstneming van onderdanen van de OZA-staten aangemoedigd. De verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) inzake fundamentele beginselen en rechten op het werk is van rechtswege van toepassing op zeelieden die op schepen uit de Gemeenschap aanmonsteren.
    1. De partijen coördineren hun inspanningen ter verbetering van de middelen om IUU-visserij te voorkomen, te ontmoedigen en uit te roeien, en nemen hiertoe passende maatregelen. Vissersschepen die bij IUU-visserij betrokken zijn, worden vervolgd en krijgen geen toestemming meer om in OZA-wateren te vissen, tenzij vooraf een vergunning is verkregen van zowel de vlaggenstaat als de betrokken OZA-staten en, indien relevant, de betrokken RFMO.

c. Financiële en handelsmaatregelen en ontwikkelingsvraagstukken

De partijen verbinden zich ertoe samen te werken bij de bevordering van de oprichting van joint ventures voor visserijactiviteiten, visverwerking, havendiensten, vergroting van de productiecapaciteit, verbetering van het concurrentievermogen van de visserij en van aanverwante industrieën en diensten, verdere verwerking, ontwikkeling en verbetering van havenfaciliteiten, diversificatie van de visserij tot andere vissoorten dan tonijn die onderbevist of niet bevist worden.

TITEL III. ONTWIKKELING VAN DE BINNENVISSERIJ EN DE AQUICULTUUR

Artikel 33. Werkingssfeer

Deze titel heeft betrekking op de ontwikkeling van de binnen- en kustvisserij en de aquicultuur in de OZA-regio, wat capaciteitsopbouw, technologieoverdracht, sanitaire en fytosanitaire normen (SPS-normen), investeringen en financiering van investeringen, milieubescherming en wet- en regelgevingskaders betreft.

Artikel 34. Doelstellingen

De doelstellingen van samenwerking bij de ontwikkeling van de binnenvisserij en de aquicultuur zijn bevordering van de duurzame exploitatie van zoetwatervisbestanden, vergroting van de aquicultuurproductie, verwijdering van aanbodbeperkingen, verbetering van de kwaliteit van vis en visproducten zodat ze aan de SPS-normen van de EG voldoen, verbetering van de toegang tot de EG-markt, aanpakken van intraregionale handelsbelemmeringen, aantrekken van kapitaal en investeringen voor de sector, capaciteitsopbouw en verruiming van de toegang tot financiële steun voor particuliere investeerders in de ontwikkeling van de binnenvisserij en de aquicultuur.

Artikel 35. Samenwerkingsgebieden

1.

De samenwerkingsgebieden omvatten bijdragen van de EG op onderstaande gebieden:

  • a. capaciteitsopbouw en ontwikkeling van de exportmarkt door:
  • i. de opbouw van capaciteit bij de industriële en ambachtelijke productie, verwerking en productdiversificatie, waardoor het concurrentievermogen van de binnenvisserij en de aquicultuur in de regio wordt versterkt. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door de oprichting van centra voor onderzoek en ontwikkeling (O&O), onder meer voor de ontwikkeling van aquicultuur voor commerciële viskwekerijen;
  • ii. de opbouw van capaciteit voor het beheer van exportmarktketens, met inbegrip van de invoering en het beheer van certificeringsprogramma's voor specifieke productlijnen; afzetbevordering, waardetoevoeging en vermindering van verliezen na de vangst;
  • iii. vergroting van de capaciteit in de regio, bijvoorbeeld door verbetering van de kennis van de autoriteiten en van handels- en vissersverenigingen, met het oog op deelname aan de handel in vis met de EG, en door opleidingsprogramma's op het gebied van productontwikkeling en het gebruik van merken;
  • b. infrastructuur:
  • i. ontwikkeling en verbetering van de infrastructuur voor de binnenvisserij en de aquicultuur;
  • ii. bevordering van de toegang tot de financiering van infrastructuur, met inbegrip van alle soorten uitrusting;
  • c. technologie:
  • i. bijdragen aan de ontwikkeling van technische capaciteiten, met inbegrip van de bevordering van waarde toevoegende technologie, bijvoorbeeld door de overdracht van visserijtechnologie van de EG naar de OZA-staten;
  • ii. vergroting van de capaciteit voor visserijbeheer in de regio, bijvoorbeeld door onderzoek en gegevensverzamelingssystemen en door een bijdrage aan geschikte technologieën in verband met de vangst en het beheer na de vangst;
  • d. wet- en regelgeving:
  • i. steun voor de ontwikkeling van regelgeving en toezicht-, controle- en bewakingssystemen voor de binnenvisserij en de aquicultuur;
  • ii. steun aan de OZA-staten bij de ontwikkeling van passende wet- en regelgevingsinstrumenten inzake intellectuele-eigendomsrechten en de opbouw van capaciteit voor de tenuitvoerlegging ervan in de internationale handel;
  • iii. milieukeuren en bescherming van intellectuele eigendom;
  • e. investeringen en financiën:
  • i. bevordering van joint ventures en andere vormen van gemengde investeringen door belanghebbenden in de OZA-staten en de EG, bijvoorbeeld bij de vaststelling van modaliteiten voor de identificatie van investeerders ten behoeve van joint-ventureprojecten op het gebied van de binnenvisserij en de aquicultuur;
  • ii. bijdragen aan het verlenen van toegang tot kredietfaciliteiten voor de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen en van de binnenvisserij op industriële schaal;
  • f. sociaaleconomische maatregelen en maatregelen ter verlichting van de armoede:
  • i. bijdragen aan de bevordering van kleine en middelgrote bedrijven op het gebied van de visserij, de visverwerking en de vishandel door opbouw van de capaciteit van de OZA-staten om deel te nemen aan de handel met de EG;
  • ii. bevordering van de participatie van marginale groepen in de visserijindustrie, bijvoorbeeld door de bevordering van gendergelijkheid in de visserij door ontwikkeling van de capaciteit van vrouwen die in de visserijsector werkzaam zijn, alsmede van andere achtergestelde groepen die in de visserij werkzaam kunnen zijn met het oog op een duurzame sociaaleconomische ontwikkeling.
2.

Beide partijen dragen bij aan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de handel in vis verenigbaar is met milieubehoud en beschermt tegen uitputting van de visbestanden, alsmede aan het behoud van de biodiversiteit en een voorzichtige invoering van exotische soorten in de aquicultuur (invoering in beheerste/afgesloten ruimten in overleg met alle betrokken buurlanden).

HOOFDSTUK IV. ECONOMISCHE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 36. Algemene bepalingen

1.

De partijen komen overeen de ontwikkelingsbehoeften van de OZA-staten aan te pakken, teneinde een duurzame groei in de OZA-regio te bevorderen, de productie- en aanbodcapaciteit van de betrokken staten te vergroten, de structurele hervorming en het concurrentievermogen van hun economieën en hun diversificatie en waardetoevoeging te stimuleren en regionale integratie te ondersteunen.

2.

De partijen verbinden zich ertoe samen te werken om de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst te vergemakkelijken en steun te verlenen voor regionale integratie en ontwikkelingsstrategieën. De partijen komen overeen de samenwerking te baseren op de OZA-ontwikkelingssamenwerkingsstrategie en de gezamenlijk overeengekomen ontwikkelingsmatrix. De matrix is als bijlage IV aan deze overeenkomst gehecht. De strategie voor de ontwikkeling van de OZA en de matrix voor de ontwikkeling zullen regelmatig worden herzien, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk VI, Vermijden en beslechten van geschillen, institutionele, algemene en slotbepalingen. Deze samenwerking zal worden afgezet tegen gezamenlijk overeengekomen ontwikkelingsbenchmarks die nog moeten worden ontwikkeld en vastgesteld en die als bijlage aan deze overeenkomst zullen worden gehecht. De samenwerking vindt plaats in de vorm van financiële en niet-financiële steun aan de OZA-regio.

3.

De financiering van de ontwikkelingssamenwerking tussen de OZA-regio en de EG ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst geschiedt volgens de in de Overeenkomst van Cotonou neergelegde voorschriften en procedures ter zake, en met name de programmeringsprocedures van het Europees Ontwikkelingsfonds binnen de opeenvolgende financiële kaders van de EU gedurende de looptijd van deze overeenkomst, en die binnen het kader van de desbetreffende financiële instrumenten die uit de algemene begroting van de EU worden gefinancierd. Gezien de nieuwe uitdagingen als gevolg van een uitbreiding van de regionale integratie en een grotere concurrentie op de wereldmarkt zijn de partijen het erover eens dat steun voor de tenuitvoerlegging van de EPO een van de prioriteiten is.

4.

De partijen zullen samenwerken om, in aanvulling op het financiële kader van de EU, voor de behoeften aan steun voor de tenuitvoerlegging van de EPO en voor de aanpassingskosten in dat verband middelen aan te trekken bij de EU-lidstaten en bij andere donoren, in het bijzonder door uitbreiding van de verbintenissen in het kader van Hulp voor handel. De voorgestelde financieringsprogramma's/-projecten zullen gezamenlijk worden uitgewerkt op basis van een ontwikkelingsmatrix met een gedetailleerde kostenberekening.

5.

Er moeten op een voorspelbare en duurzame basis tijdig voldoende middelen worden aangetrokken, onder meer door schenkingen en concessionele leningen op basis van de ontwikkelingsmatrix. De EG draagt bij aan deze inspanningen in het kader van haar internationale verbintenis de officiële ontwikkelingshulp op te schalen. De partijen komen overeen het gebruik van deze middelen te coördineren en er toezicht op uit te oefenen.

6.

In overeenstemming met de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp komen de partijen overeen om in voorkomend geval voor het kanaliseren en coördineren van de middelen voor de tenuitvoerlegging van de EPO gebruik te maken van en steun te verlenen voor verstrekkingsmechanismen, fondsen of faciliteiten die in nationaal en/of regionaal bezit zijn. De partijen steunen in dat verband de oprichting van een EPO-fonds om middelen die op de EPO betrekking hebben, te kanaliseren. Voorts komen de partijen overeen dat bij alle vormen van steunverlening in verband met hun samenwerking in het kader van deze overeenkomst de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp als leidraad zal dienen.

7.

De in de volledige EPO te regelen handelsgerelateerde vraagstukken worden in het kader van de ontwikkelingssamenwerking in overeenstemming met dit artikel behandeld met inachtneming van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp.

8.

De partijen komen overeen dat het toezicht op de EPO op basis van overeengekomen indicatoren betrekking moet hebben op alle aspecten van de EPO, met inbegrip van de resultaten op nationaal niveau en op het niveau van de regionale integratie en de ontwikkelingsstrategieën, alsook op de doeltreffendheid van de institutionele regelingen en de mate waarin de doelstellingen met betrekking tot de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, waaronder de voorspelbaarheid van de middelen, dankzij deze regelingen werden gehaald.

9.

De partijen zijn het erover eens dat het herzieningsproces van de Overeenkomst van Cotonou, onverminderd artikel 95, lid 4, van die overeenkomst, voor de partijen een gelegenheid is om na te gaan wat met de in de overeenkomst opgenomen strategieën op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking bereikt is, waar de problemen liggen en wat de vooruitzichten zijn.

Artikel 37. Doelstellingen

1.

Met de economische en de ontwikkelingssamenwerking wordt ernaar gestreefd het concurrentievermogen van de OZA-economieën te vergroten, aanbodcapaciteit op te bouwen en de overeenkomstsluitende OZA-staten in staat te stellen de EPO soepel uit te voeren.

2.

Met de economische en de ontwikkelingssamenwerking wordt ernaar gestreefd de OZA-economieën structureel om te vormen door een sterke, concurrentiegerichte en gediversifieerde economische basis in de OZA-staten te leggen; daartoe worden hun productie-, distributie-, vervoers- en marketingcapaciteit vergroot, hun handelscapaciteit en hun capaciteit om investeringen aan te trekken ontwikkeld, het beleid en de regelgeving van de OZA-staten op het gebied van handel en investeringen versterkt en de regionale integratie verdiept.

Artikel 38. Werkingssfeer

1.

De partijen leggen in verband met de EPO ontwikkelingsdoelstellingen vast die specifiek zijn voor de OZA-regio en die nodig zijn voor het welslagen van regionale integratie op de gebieden en in de sectoren die in dit artikel worden genoemd.

2.

De samenwerking heeft betrekking op de volgende gebieden:

  • a. regionale samenwerking en integratie om te zorgen voor transregionale coördinatie in alle sectoren;
  • b. beleid en regelgeving op het gebied van de handel om de OZA-staten bij te staan onder meer doeltreffender aan handelsbesprekingen deel te nemen en internationale verdragen op handelsgerelateerde gebieden en handelsgerelateerde wetgeving, alsmede hervormingen van de regelgeving ten uitvoer te leggen;
  • c. ontwikkeling van de handel, die met name de volgende aspecten omvat: ontwikkeling van het bedrijfsleven, activiteiten ter verbetering van informatiebeheerssystemen, partnerschappen, netwerken, joint ventures en uitwisseling van informatie en ervaringen, toegang tot kredietfaciliteiten en investeringsmiddelen, handelsbevordering en marktontwikkeling, institutionele ondersteuning en steun bij de handel in financiële en andere diensten;
  • d. infrastructuur ten behoeve van de handel, zoals vervoer, energie en water;
  • e. opbouwen van productiecapaciteit in de desbetreffende sectoren van de OZA-economieën;
  • f. onderzoek en ontwikkeling, innovatie en technologieoverdracht;
  • g. handelsgerelateerde aanpassingskosten, waaronder herstructureringskosten en sociale kosten als gevolg van de productieverlaging bij bedrijven in sectoren die met invoer moeten concurreren en het verlies van belastinginkomsten als gevolg van tariefverlagingen;
  • h. gendermainstreaming;
  • i. versterking van de rol van lokale gemeenschappen, met inbegrip van hun sociale en culturele ontwikkeling; en
  • j. mainstreaming van milieuaangelegenheden bij handel en ontwikkeling.
3.

De samenwerking heeft vooral betrekking op de volgende sectoren:

  • a. ontwikkeling van de particuliere sector, met name industriële ontwikkeling, micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen, mijnbouw en mineralen, toerisme;
  • b. ontwikkeling van de infrastructuur, met name op het gebied van vervoer, energie en informatie- en communicatietechnologie (ICT);
  • c. natuurlijke hulpbronnen en milieu, met inbegrip van watervoorraden en biodiversiteit;
  • d. landbouw;
  • e. visserij;
  • f. diensten, waaronder toerisme; en
  • g. handelsgerelateerde onderwerpen, namelijk investeringen, concurrentie, intellectuele-eigendomsrechten, normen, handelsbevordering en statistiek.

TITEL II. ONTWIKKELING VAN DE PARTICULIERE SECTOR

Artikel 39. Werkingssfeer en doelstellingen

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de ontwikkeling van de particuliere sector van de OZA-regio als de belangrijkste motor voor het scheppen van welvaart, teneinde een passend klimaat te creëren dat bevorderlijk is voor investeringen en groei. Bij het verlenen van steun en bij de samenwerking zal de Gemeenschap rekening houden met de economische structuur van de OZA-staten en met hun prioriteiten ten aanzien van de versterking van de productiecapaciteiten en de waardetoevoeging en de toepassing van productie-, marketing-, distributie- en vervoersfuncties om de aanbodcapaciteit en het concurrentievermogen te verbeteren.

2.

De samenwerking bij de ontwikkeling van de particuliere sector bestrijkt onder meer investeringen, industriële ontwikkeling en vergroting van het concurrentievermogen, ontwikkeling van micro-ondernemingen en van kleine en middelgrote ondernemingen, mijnbouw en mineralen en ontwikkeling van het toerisme, alsmede andere productiesectoren, die direct dan wel indirect onder deze overeenkomst vallen.

Artikel 40. Investeringen

1.

De partijen erkennen het belang van investeringen. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

  • a. een klimaat voor een duurzame en billijke economische ontwikkeling van de OZA-regio scheppen door middel van investeringen, met inbegrip van directe buitenlandse investeringen (beleggingen in geheel nieuwe projecten of portefeuillebeleggingen), technologieoverdracht, capaciteitsopbouw en institutionele steun van de EG;
  • b. zorgen voor verdergaande samenwerking met instellingen en intermediaire organisaties op het gebied van de bevordering van investeringen in de EG, waaronder het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven, en in de OZA-regio, onder meer door bedrijfsdialoog, samenwerking en partnerschap;
  • c. met passende instrumenten steun verlenen voor de bevordering en stimulering van investeringen in de OZA-regio, met inbegrip van de oprichting van een kader voor financiering en bijstand ten behoeve van programma's voor economische ontwikkeling in de OZA-regio;
  • d. de capaciteit opbouwen en versterken van instellingen voor de ontwikkeling van de particuliere sector, zoals bureaus voor investeringsbevordering, kamers van koophandel, verenigingen en binnenlandse ontwikkelingsorganisaties in de afzonderlijke OZA-staten en in de regio, teneinde de opkomst van een dynamische, krachtige particuliere sector mogelijk te maken;
  • e. een rechtskader ontwikkelen dat bevorderlijk is voor investeringen door beide partijen, teneinde investeringen te stimuleren en te beschermen en te werken aan geharmoniseerde, vereenvoudigde procedures en administratieve praktijken.
2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

  • a. steun voor het investeringsbeleid en voor investeringsstrategieën om te helpen een voorspelbaar en veilig investeringsklimaat te creëren en te handhaven;
  • b. steun voor beleidshervormingen en belangenbehartiging, de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, institutionele capaciteitsopbouw of andere vormen van institutionele ondersteuning, teneinde de capaciteit van de particuliere financiële en niet-financiële intermediairs te versterken, en voor de vergemakkelijking en bevordering van investeringen en activiteiten ter vergroting van het concurrentievermogen;
  • c. stimulering van EU-OZA-partnerschappen in de particuliere sector en EU-OZA-joint-ventures ter bevordering van investeringen, financiering van volledig nieuwe productiefaciliteiten met durfkapitaal en technologieoverdracht;
  • d. steun voor inspanningen van de OZA-staten om financiering aan te trekken, met speciale nadruk op particuliere financiering, voor investeringen in infrastructuur en voor inkomsten genererende infrastructuur die van cruciaal belang zijn voor de particuliere sector, met inbegrip van het mkb;
  • e. steun voor de ontwikkeling van de reguleringscapaciteit;
  • f. verbetering van de toegang van OZA-ondernemingen tot financieringsinstrumenten voor investeringen in de EU, zoals de Europese Investeringsbank (EIB);
  • g. invoering van financiële instrumenten die zijn toegesneden op het mkb in de OZA-regio;
  • h. zorgen voor een grotere beschikbaarheid en een toegenomen gebruik van risicoverzekering als mechanisme om risico's te beperken, teneinde het vertrouwen van investeerders in de OZA-staten te vergroten;
  • i. bieden van waarborgen en bijstaan door middel van garantiefondsen ter dekking van risico's bij in aanmerking komende investeringen.

Artikel 41. Industriële ontwikkeling en concurrentievermogen

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van de industriële ontwikkeling en het concurrentievermogen. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

  • a. vergemakkelijking van de vestiging, ontwikkeling, herstructurering en modernisering van de industrie van de overeenkomstsluitende OZA-staten, en tegelijkertijd stimuleren van haar concurrentievermogen en evenwichtige groei op eigen kracht, waarbij rekening wordt gehouden met milieubescherming, duurzame ontwikkeling en versterking van de economische positie;
  • b. totstandbrenging van een klimaat dat gunstig is voor de ontwikkeling van particuliere ondernemingen, teneinde de groei en diversificatie van de industriële productie te bevorderen.
2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

  • a. bevordering van de ontwikkeling van activiteiten met betrekking tot de verwerking, marketing, distributie en het vervoer van producten;
  • b. overdracht van technologie, kennis en onderzoek en ontwikkeling;
  • c. steun voor de financiële instellingen van de OZA-staten en voor de ontwikkeling van de kapitaalmarkt, teneinde de toegang van de particuliere sector tot zowel kort- als langlopend kapitaal te verbeteren;
  • d. capaciteitsopbouw voor de particuliere en de overheidssector;
  • e. stimulering van partnerschappen, netwerken en joint ventures tussen marktdeelnemers uit de EU en de OZA-regio;
  • f. bevordering en intensivering van innovatie, diversificatie, op waardetoevoeging gerichte productontwikkeling en kwaliteit.

Artikel 42. Micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

  • a. bevordering van een gunstig klimaat voor de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen en voor het aantrekken van investeringen in dergelijke ondernemingen;
  • b. steun voor kleine en middelgrote ondernemingen om zich aan de liberalisering van de handel aan te passen.
2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

  • a. capaciteitsopbouw en institutionele steun;
  • b. ontwikkeling en overdracht van technologie, innovatie, uitwisseling van informatie, informatienetwerken, marketing;
  • c. ontwikkeling van mkmo-databanken;
  • d. toegang tot financiering;
  • e. stimulering van partnerschappen, netwerken en joint ventures tussen marktdeelnemers uit de EU en de OZA-regio;
  • f. bevordering van handel en investeringen;
  • g. versterking van waardeketens;
  • h. bevordering van diversificatie en waardetoevoeging.

Artikel 43. Mijnbouw en mineralen

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de ontwikkeling en het beheer van de sector mijnbouw en mineralen. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

  • a. totstandbrenging van een gunstig klimaat voor het aantrekken van investeringen in deze sector;
  • b. bevordering van waardetoevoeging en milieuvriendelijke technologieën bij de winning van delfstoffen;
  • c. zorgen voor participatie door lokale gemeenschappen.
2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

  • a. capaciteitsopbouw en institutionele steun voor de exploratie, exploitatie en marketing van mineralen;
  • b. uitwisseling van informatie;
  • c. stimulering van partnerschappen, netwerken en joint ventures tussen marktdeelnemers uit de EU en de OZA-regio;
  • d. verbetering van gezondheids- en veiligheidnormen in de winningsindustrie;
  • e. overdracht van technologie, kennis, innovatie en onderzoek en ontwikkeling;
  • f. aandacht voor kwetsbaarheid bij afhankelijkheid van de uitvoer van mineralen.

Artikel 44. Ontwikkeling van het toerisme

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van het toerisme. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

  • a. ontwikkeling en versterking van een concurrerende toerisme-industrie als generator voor economische groei, economische empowerment, werkgelegenheid en deviezen;
  • b. versterking van de banden tussen het toerisme en andere sectoren van de economie;
  • c. bewaren, beschermen en promoten van natuurlijke, historische en culturele toeristenattracties, en daarbij de integriteit en de belangen van lokale gemeenschappen, met name in plattelandsgebieden, respecteren.
2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

  • a. totstandbrenging van strategische allianties tussen openbare en particuliere belangen en de belangen van lokale gemeenschappen, teneinde de duurzame ontwikkeling van het toerisme te waarborgen;
  • b. bevordering van partnerschappen, de uitwisseling van knowhow en gezamenlijke acties op gebieden als de ontwikkeling van producten, markten en ecotoerisme.
  • c. capaciteitsopbouw op het gebied van menselijke hulpbronnen, verbetering van servicenormen en institutionele structuren;
  • d. regionale samenwerking bij de bevordering van het toerisme.

TITEL III. INFRASTRUCTUUR

Artikel 45. Werkingssfeer en doelstellingen

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de ontwikkeling en het beheer van infrastructuur als middel om obstakels aan de aanbodzijde te boven te komen en de regionale integratie te versterken.

2.

De Gemeenschap houdt bij het verlenen van steun en bij de samenwerking op het gebied van de infrastructurele ontwikkeling rekening met prioritaire ontwikkelingsgebieden, zoals neergelegd in de nationale ontwikkelingprogramma's van de OZA-staten en in regionale ontwikkelingsprogramma's.

3.

De samenwerking op het gebied van de infrastructuur heeft betrekking op de ontwikkeling van materiële infrastructuur: vervoer, energie, informatie- en communicatietechnologie.

Artikel 46. Vervoer

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van de ontwikkeling en het beheer van het vervoer. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

  • a. een duurzame ontwikkeling, herstructurering, sanering, verbetering en modernisering van de vervoerssystemen in de OZA-regio;
  • b. verbetering van de reizigers- en -goederenstromen en van de toegang tot markten door middel van vervoer over de weg, door de lucht, over zee, over binnenwateren en per spoor.
2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

  • a. verbetering van het beheer van vervoerssystemen;
  • b. verbetering en ontwikkeling van de toestand van de infrastructuur op alle niveaus, met inbegrip van de ontwikkeling van infrastructuurnetwerken voor intermodaal vervoer;
  • c. capaciteitsopbouw op het gebied van menselijke hulpbronnen, verbetering van servicenormen en institutionele structuren;
  • d. ontwikkeling en overdracht van technologie, innovatie, uitwisseling van informatie, informatienetwerken, marketing;
  • e. stimulering van partnerschappen, netwerken en joint ventures tussen marktdeelnemers uit de EU en de OZA-regio;
  • f. verbetering van de veiligheid en de betrouwbaarheid van de vervoerssector, met inbegrip van het beheer van gevaarlijke goederen en rampenplannen;
  • g. steun bij de ontwikkeling van een regionaal vervoerbeleid.

Artikel 47. Energie

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking in de energiesector als middel ter ondersteuning van het concurrentievermogen van de OZA-economieën op regionaal en mondiaal niveau. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

  • a. verbetering van de toegang van de OZA-staten tot moderne, efficiënte, betrouwbare, gediversifieerde, duurzame en hernieuwbare bronnen van schone energie tegen concurrerende prijzen;
  • b. vergroting van de productie-, distributie- en beheerscapaciteit voor energie op nationale en regionale schaal;
  • c. bevordering van regionale samenwerking op energiegebied.
2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

  • a. vergroting van de productie- en distributiecapaciteit van bestaande energiebronnen, met name waterkracht, aardolie en biomassa;
  • b. uitbreiding en diversifiëring van de energiemix door hierin potentiële energiebronnen op te nemen die vanuit sociaal en milieuoogpunt aanvaardbaar zijn en de afhankelijkheid van aardolie verminderen;
  • c. steun bij de ontwikkeling van een energie-infrastructuur, ook op het platteland;
  • d. steun bij de ontwikkeling van passende hervormingen van de regelgeving en het beleid op energiegebied, met inbegrip van commercialisering en privatisering;
  • e. bevordering van regionale interconnectie en samenwerking bij de productie en distributie van energie;
  • f. capaciteitsopbouw op het gebied van menselijke hulpbronnen, verbetering van het beheer, van servicenormen en van institutionele structuren;
  • g. steun bij de totstandbrenging van een gunstig klimaat voor het aantrekken van investeringen in deze sector;
  • h. ontwikkeling en overdracht van technologie, onderzoek en ontwikkeling (O&O), innovatie, uitwisseling van informatie, ontwikkeling van databanken en netwerken;
  • i. stimulering van partnerschappen, netwerken en joint ventures tussen marktdeelnemers uit de EU en de OZA-regio.

Artikel 48. Informatie- en communicatietechnologie (ICT)

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de ontwikkeling van ICT, omdat ICT in de moderne samenleving een belangrijke sector is om het concurrentievermogen en innovatie te bevorderen en te zorgen voor een soepele overgang naar de informatiemaatschappij. Het doel op dit gebied is de ontwikkeling van de ICT-sector en de stimulering van de bijdrage van deze sector aan andere sociaal-economische sectoren.

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

  • a. vergemakkelijking van de connectie op nationaal, regionaal en mondiaal niveau;
  • b. verspreiding van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën;
  • c. steun bij de ontwikkeling van wet- en regelgevingskaders voor ICT;
  • d. ontwikkeling, overdracht en toepassingen van technologie, O&O, innovatie, uitwisseling van informatie, informatienetwerken, marketing;
  • e. capaciteitsopbouw op het gebied van menselijke hulpbronnen, verbetering van servicenormen en institutionele structuren;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)