Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen

Type Verdrag
Publication 1925-06-05
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden eenerzijds en de President der Poolsche Republiek anderzijds, gelijkelijk bezield met den wensch de handelsbetrekkingen tusschen beide landen te bevorderen en te doen toenemen, hebben besloten een Verdrag van Handel en Scheepvaart te sluiten en hebben te dien einde tot hunne gevolmachtigden benoemd te weten.

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

den Heer D. Baron VAN ASBECK, Hoogst Derzelve, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij de Poolsche Republiek.

De President der Poolsche Republiek:

den Heer MAURICE ZAMOYSKI, Minister van Buitenlandsche Zaken, en

den Heer JÓZEF KIEDRÓN, Minister van Nijverheid en Handel,

die na elkander hunne, in goeden en behoorlijken vorm bevonden, volmachten te hebben medegedeeld, tot overeenstemming zijn gekomen nopens de volgende artikelen:

ARTIKEL I

De onderdanen van de eene Hooge Verdragsluitende Partij, die gevestigd zijn op het grondgebied der andere Partij of die daar tijdelijk verblijf houden, zullen voor wat betreft de vestiging en de uitoefening van den handel en de nijverheid op het grondgebied der andere Partij, dezelfde rechten, voorrechten, vrijdommen, gunsten en vrijstellingen genieten als de onderdanen van de meestbegunstigde natie.

ARTIKEL II
1.

De onderdanen van elk der verdragsluitende Partijen zullen op het grondgebied der andere Partij ten aanzien van hunne rechtspositie, hunne roerende en onroerende goederen, hunne rechten en belangen, dezelfde behandeling ondervinden als die, welke is toegestaan of zal worden toegestaan aan de onderdanen van de meestbegunstigde natie.

2.

Het zal hun vrijstaan hunne zaken op het grondgebied der andere Partij te regelen, hetzij persoonlijk, hetzij door een tusschenpersoon hunner eigen keuze, en zij zullen, mits zij zich gedragen naar de wetten des lands, het recht hebben om in rechten op te treden en vrijen toegang hebben tot de autoriteiten. Zij zullen alle rechten en vrijdommen genieten, welke aan de eigen onderdanen toekomen en zij zullen, evenals deze, de bevoegdheid hebben voor de bescherming hunner belangen gebruik te maken van de diensten van advocaten en gevolmachtigden, door hen zelf gekozen.

3.

Zij zullen voor de uitoefening van hunnen handel of hunne nijverheid op het grondgebied der andere Partij geene andere of hoogere belastingen, heffingen, rechten of lasten, onder welke benaming ook, behoeven te betalen, dan die, welke worden of zullen worden geheven van de eigen onderdanen.

4.

Zij zullen zijn vrijgesteld van de verplichting tot deelneming aan gedwongen leeningen of tot het bijdragen in gedwongen nationale heffingen, welke voor oorlogsdoeleinden of ten gevolge van buitengewone omstandigheden mochten worden uitgeschreven of opgelegd.

5.

De onderdanen van elke Partij zullen op het grondgebied van de andere zijn vrijgesteld van iederen verplichten, persoonIijken, militairen dienst en van iedere verplichte openbare functie van administratieven of gerechtelijken aard, behoudens in zaken, voogdijschap betreffende, alsmede van elke belasting, hetzij in geld, hetzij in natura, opgelegd in de plaats van den verplichten persoonlijken dienst. Zij zullen, zoowel in tijd van vrede als in tijd van oorlog, slechts in dezelfde mate en op dezelfde grondslagen als de eigen onderdanen gedwongen worden tot het verleenen van hulp van militairen aard en tot het voldoen aan militaire vorderingen. Zij zullen ten aanzien van de schadeloosstellingen zijn onderworpen aan dezelfde regelingen als de eigen onderdanen.

ARTIKEL III
1.

De naamloze en andere vennootschappen, die volgens de wetten van een der verdragsluitende Partijen naar den eisch zijn opgericht en die gevestigd zijn op derzelver grondgebied, zullen op het grondgebied van de andere Partij als rechtspersoon worden erkend, mits zij geen ongeoorloofd of in strijd met de goede zeden zijnde doel beoogen en zullen, zoo zij de wetten en reglementen in acht nemen, vrijen en gereeden toegang tot de rechtbanken hebben, hetzij om eene vordering in te stellen, hetzij om zich te verweren.

2.

De aldus erkende naamlooze en andere vennootschappen van iedere Partij zullen zich, mits zij zich onderwerpen aan de wetten van de andere Partij, kunnen vestigen op het grondgebied dezer laatste, daar filialen en bijkantoren kunnen oprichten en daar haren handel en hare nijverheid kunnen uitoefenen, met uitzondering evenwel van de vennootschappen, die uit hoofde van haar karakter van instellingen te algemeenen nutte, zooals verzekeringsmaatschappijen en financieele instellingen, mochten zijn onderworpen aan bijzondere, op alle landen gelijkelijk van toepassing zijnde beperkende bepalingen.

3.

Deze vennootschappen, eenmaal toegelaten overeenkomstig de wetten en voorschriften, die op het grondgebied van het betrokken land van kracht zijn of zullen worden, zullen niet zijn onderworpen aan andere of hoogere heffingen, belastingen, of in het algemeen fiscale lasten, welke deze ook mogen zijn, dan die, opgelegd aan de vennootschappen van een derden staat, welken ook.

4.

Zij zullen zijn vrijgesteld van verplichting tot deelneming aan gedwongen leeningen of tot het bijdragen in gedwongen nationale heffingen, die voor oorlogsdoeleinden en tengevolge van buitengewone omstandigheden mochten worden uitgeschreven of opgelegd.

5.

Belastingen zullen slechts mogen worden geheven van dat gedeelte van het vennootschappelijk vermogen, hetwelk zich werkelijk bevindt in het land, waar de belastingen, heffingen of lasten worden geheven of opgelegd en slechts wegens de zaken, die daar te lande zijn gedaan.

ARTIKEL IV

De buitenlandsche rechten en belastingen, geheven voor rekening van den Staat, de provinciën, gemeenten of openbare instellingen, welke op het gebied van een der verdragsluitende Partijen drukken of zullen komen te drukken op de voortbrenging of de bereiding van koopwaren of op het verbruik van een artikel, zullen de producten, koopwaren of artikelen der andere Partij niet zwaarder mogen treffen dan de producten, koopwaren of artikelen van dezelfde soort van de meestbegunstigde natie.

ARTIKEL V
1.

Alle voortbrengselen van den bodem of de nijverheid, herkomstig van het tolgebied van een der verdragsluitende Partijen, die zullen worden ingevoerd in het tolgebied der andere Partij en bestemd zijn, hetzij voor verbruik, hetzij voor opslag in entrepôt, hetzij voor wederuitvoer, hetzij voor doorvoer, zullen zoolang dit verdrag van kracht is, onderworpen worden aan de behandeling, welke is of zal worden toegestaan aan de meestbegunstigde natie en bepaaldelijk zullen zij in geen enkel geval mogen worden onderworpen aan rechten, coëfficiënten, buitengewone heffingen, toeslagen of andere belastingen, hooger dan die, welke de voortbrengselen of de koopwaren van de meestbegunstigde natie treffen of zullen treffen.

2.

De uitvoeren, met bestemming naar het land van een der Partijen, zullen door de andere Partij niet worden bezwaard met andere of hoogere rechten of heffingen dan die, welke van toepassing zijn op de uitvoeren van gelijksoortige artikelen naar het land, hetwelk te dien opzichte als het meestbegunstigde wordt behandeld.

3.

Elke Partij neemt dus op zich, de andere onmiddellijk en zonder andere voorwaarden in het genot te stellen van iedere gunst, van ieder voorrecht of van iedere vermindering der rechten of heffingen, welke zij bereids heeft toegestaan of in de toekomst mocht toestaan onder de hierbovenvermelde omstandigheden, hetzij voor goed, hetzij tijdelijk, aan een derde natie.

4.

De in dit artikel vastgestelde bepalingen zijn niet van toepassing:

ARTIKEL VI
1.

Teneinde de voordeelen, vastgelegd in bovenstaande bepalingen, voor te behouden aan de producten, afkomstig uit hare onderscheiden landen, zullen de verdragsluitende Partijen bevoegd zijn te eischen, dat de producten en koopwaren op haar grondgebied ingevoerd, vergezeld zijn van een certificaat van oorsprong.

2.

De certificaten van oorsprong zullen worden afgegeven, hetzij door de Kamers van Koophandel onder welke de verzender ressorteert, hetzij door eenig ander orgaan of lichaam, goedgekeurd door het land van bestemming. Bedoelde certificaten zullen worden gelegaliseerd door een diplomatiek of consulair vertegenwoordiger van het land van bestemming.

ARTIKEL VII

Aan invoerrechten onderworpen goederen, welke als monsters dienst doen, met uitzondering van verboden koopwaren, zullen over en weer worden toegelaten onder tijdelijken vrijdom van invoerrechten, onder voorbehoud, dat de douaneformaliteiten, welke noodig zijn om den volledige wederuitvoer dier goederen binnen het tijdsverloop van een jaar te verzekeren, worden in acht genomen. De herkenningsmerken, welke door de autoriteiten van een der verdragsluitende Partijen op de monsters zijn aangebracht, zullen ter vaststelling van de identiteit dier monsters worden erkend door de autoriteiten der andere Partij, met dien verstande evenwel, dat deze laatsten de bevoegdheid zullen hebben daarnevens de nationale herkenningsmerken aan te brengen, in al die gevallen, waarin hun zulks noodzakelijk mocht voorkomen. Het genot van bedoelden vrijdom kan worden ontnomen aan die reizigers en die handelshuizen, welke zich niet volgens de vastgestelde bepalingen gedragen.

ARTIKEL VIII
1.

De handelaren, fabrikanten en andere producenten van een der verdragsluitende Partijen, die door vertoon hunner bijzondere legitimatiekaart, afgegeven door de bevoegde autoriteiten in hun land, bewijzen, dat het hun is toegestaan hunnen handel of hunne nijverheid uit te oefenen, zullen het recht hebben, hetzij persoonlijk, hetzij door in hunnen dienst zijnde reizigers, op het grondgebied der andere Partij aankoopen te doen bij handelaren of producenten of in openbare verkooplokalen, zonder een patentbelasting te betalen. Zij zullen ook bestellingen mogen opnemen bij de kooplieden of andere personen, die de betreffende koopwaren voor hun handel of hun nijverheid gebruiken. Zij zullen monsters of modellen met zich mogen voeren. Intusschen behouden Partijen zich het recht voor om hun te verbieden met koopwaren te venten, tenzij zij daartoe toestemming hebben bekomen overeenkomstig de wetgeving van het land waar zij reizen.

2.

De Partijen zullen elkander wederkeerig opgeven welke autoriteiten belast zijn met de afgifte van legitimatiekaarten, alsmede naar welke bepalingen de reizigers zich, bij de uitoefening van hunnen handel, hebben te gedragen.

3.

Bovenstaande bepalingen zijn niet van toepassing op rondreizende industrieelen, noch op de marskramerij, noch op het opnemen van bestellingen bij personen, die zich noch met nijverheid, noch met handel bezighouden. Iedere partij behoudt zich ten aanzien van hare wetgeving te dier zake volkomen vrijheid voor.

ARTIKEL IX

De verdragsluitende Partijen verbinden zich de Poolsche onderdanen, welke als werklieden in Nederland arbeiden, resp. de Nederlandsche onderdanen, welke als werklieden in Polen arbeiden, wederzijds, voor wat betreft de uitoefening van hun vak en de sociale verzekering, te behandelen op den voet van volstrekte gelijkheid met de nationale werklieden.

ARTIKEL X
1.

De verdragsluitende Partijen verbinden zich elkander wederkeerig vrijen doorvoer toe te staan voor personen, bagage, koopwaren en voorwerpen van allerlei aard, postzendingen, schepen, booten, spoorwagens en rijtuigen of andere vervoermiddelen, terwijl zij elkander in dit verband de behandeling der meestbegunstigde natie waarborgen.

2.

De koopwaren van allerlei soort, welke over het grondgebied van een der Partijen werden doorgevoerd, zullen wederkeerig zijn vrijgesteld van ieder douanerecht, niet uitzondering van rechten voor administratie en statistiek.

3.

Geen der Partijen zal nochtans gehouden zijn den doorvoer toe te staan van reizigers, aan wie de toegang tot haar grondgebied ontzegd mocht zijn. De doorvoer van koopwaren zal kunnen worden verboden:

4.

De doorvoer van koopwaren, die in een der verdragsluitende Staten het onderwerp van een staatsmonopolie vormen, zal kunnen worden onderworpen aan de contrôle, voorgeschreven door de ter zake geldende bepalingen der nationale wetgeving.

ARTIKEL XI
1.

De personen, bagage en producten, welke op het grondgebied van een der verdragsluitende Partijen ten vervoer worden gebracht, met bestemming naar het grondgebied van de andere Partij, of via dat grondgebied naar een derden Staat, zullen niet minder gunstig worden behandeld, noch ten aanzien van het vervoer, noch ten aanzien van de vrachtprijzen en de, op de zendingen drukkende algemeene belastingen, dan de personen, bagage en producten van het eigen land of van eenig ander land, welk ook, welke op het grondgebied der andere Partij of op dat van een derden Staat ten vervoer zijn gebracht onder dezelfde omstandigheden, voor dezelfde richting en op hetzelfde traject.

2.

Bovenstaande bepaling heeft geen betrekking op de tariefsreducties, toegestaan ten behoeve van liefdadigheidswerken of ten bate van het openbaar onderwijs, noch op de reducties, verleend in het geval van een openbare ramp, noch op die, toegestaan aan ambtenaren in openbaren dienst, die voor hunne eigen zaken reizen en evenmin betreft zij het dienstvervoer op de spoorwegen.

3.

De Partijen zullen zich beijveren de verbinding tusschen hare landen te vergemakkelijken, hetzij door het instellen van rechtstreeksche vervoerdiensten per spoorweg of ter zee, hetzij door het aangaan eener overeenkomst nopens de rechtstreeksche verbinding per spoor.

ARTIKEL XII
1.

De schepen en vaartuigen, welke de vlag van een der verdragsluitende Partijen voeren, alsmede hunne ladingen, zullen in de wateren van de andere Partijen in alle opzichten dezelfde behandeling genieten als de nationale vaartuigen en hunne ladingen, welke ook de plaats van vertrek of bestemming dier schepen en vaartuigen, en welke ook de plaats van herkomst of bestemming der ladingen zij. Hieruit volgt inzonderheid, dat de schepen en vaartuigen van de eene Partijen en hunne ladingen op het gebied van de andere aan geen andere of hoogere belastingen of lasten, van welke soort of benaming ook, geheven of te heffen, hetzij ten bate van den Staat, hetzij van de provincies, de gemeenten of eenigerlei, door de Regeering tot de heffing gemachtigde, instelling, onderworpen zullen zijn, dan die, welke van toepassing zullen zijn op de nationale vaartuigen en hunne ladingen.

2.

Voor wat betreft de plaatsing van schepen en vaartuigen, het laden en lossen daarvan in de havens, op de reeden en in de dokken, en in het algemeen ten aanzien van alle formaliteiten en bepalingen, welke ook, waaraan koopvaardijschepen, hunne bemanningen of hunne ladingen kunnen zijn onderworpen, wordt overeengekomen, dat aan de nationale vaartuigen geen enkel voorrecht noch gunst zal worden verleend, welke niet gelijkelijk zal worden verleend aan de vaartuigen van den anderen Staat, daar het de wil der Partijen is, dat ook te dezen aanzien hare schepen zullen worden behandeld op den voet van volmaakte gelijkheid.

3.

Elk voorrecht en iedere vrijstelling, die een der Partijen ten aanzien van een der bovenbedoelde zaken mocht verleenen aan een derde Mogendheid, zal tegelijkertijd en zonder voorbehoud worden toegestaan aan de andere Partij. Nochtans worden van het bepaalde in het onderhavige artikel uitgezonderd de gunsten, die in het eene of het andere der beide landen zijn of in de toekomst mochten worden toegestaan aan de nationale visscherij.

4.

Voor wat betreft de vaart op de natuurlijke en kunstmatige binnenlandsche waterwegen, ten aanzien waarvan de schepen en vaartuigen der Partijen en hunne ladingen zullen zijn onderworpen aan dezelfde voorwaarden als de schepen en vaartuigen van de meestbegunstigde natie en derzelver ladingen, zullen de van die schepen en vaartuigen en hunne ladingen te heffen rechten nochtans de heffing, welke op de nationale vaartuigen en hunne ladingen van toepassing is, niet mogen overtreffen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.