Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Argentijnse Republiek tot wederzijdse uitlevering van misdadigers
De Regeering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Regeering der Argentijnsche Republiek, het wenschelijk geoordeeld hebbende overeenkomstig de wederzijdsche wetgevingen een verdrag te sluiten betreffende de uitlevering van misdadigers, hebben te dien einde tot Hunne wederzijdsche gevolmachtigden benoemd, te weten:
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en in Hoogst Derzelver naam Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk:
den Heer LEONARD VAN RIET, consul-generaal der Nederlanden te Buenos-Aires;
De President der Argentijnsche Republiek:
den Heer VALENTIN VIRASORO, Minister van Buitenlandsche Zaken;
die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen:
Artikel 1
De Hooge contracteerende Partijen verbinden zich, volgens de voorschriften bij deze conventie vastgesteld, wederkeerig aan elkander uit te leveren de personen, welke beklaagd of veroordeeld zijn ter zake van een der feiten in artikel 2 vermeld, en de wijk genomen hebben op het grondgebied van den anderen Staat.
Artikel 2
De feiten, die tot uitlevering aanleiding kunnen geven, zijn de volgende:
- 1°. doodslag, tenzij gepleegd ter rechtmatige zelfverdediging of uit onvoorzichtigheid;
- 2°. moord;
- 3°. vadermoord;
- 4°. kinderdoodslag of kindermoord;
- 5°. vergiftiging;
- 6°. het opzettelijk veroorzaken van de afdrijving of den dood der vrucht eener vrouw;
- 7°. opzettelijke verwondingen, die den dood ten gevolge hebben gehad zonder dat daartoe het oogmerk bestond, of zware en voortdurende verminking van eenig lichaamsdeel of lichaamsorgaan;
- 8°. verkrachting of elk ander vergrijp tegen de zedelijkheid met geweld gepleegd;
- 9°. vergrijp tegen de zedelijkheid met of zonder geweld gepleegd tegenover kinderen van het eene of het andere geslacht beneden den leeftijd van veertien jaren;
- 10°. dubbel huwelijk;
- 11°. oplichting of wegvoering, verberging, wegmaking of onderschuiving van kinderen;
- 12°. oplichting of wegvoering van minderjarigen;
- 13°. het namaken of vervalschen van muntspeciën of muntpapier met het oogmerk om die muntspeciën of dat muntpapier als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven; het uitgeven of het in omloop brengen van valsche of geschonden muntspeciën of van valsch of vervalscht mnntpapier; het namaken of vervalschen van zegels en merken van den Staat, voor zoover de wetten der beide landen op dien grond uitlevering toelaten;
- 14°. valschheid in openbare of onderhandsche geschriften, in wisselbrieven, wettigen koers hebbend credietpapier of ander handelspapier en het met opzet gebruik maken dier vervalschte stukken, voor zoover de wetten der beide landen voor die feiten uitlevering toelaten;
- 15°. valsch getuigenis, omkooping van getuigen of meineed in civiele of strafzaken;
- 16°. omkooping van ambtenaren, voor zoover de wetten der beide landen op dien grond uitlevering toelaten;
- 17°. verduistering of malversatie van publieke fondsen, knevelarij gepleegd door openbare ambtenaren of bewaarders;
- 18°. opzettelijke brandstichting, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar voor een ander te duchten is; brandstichting met het oogmerk om zich of een ander, ten nadeele van den verzekeraar of van den wettigen houder van een bodemerijbrief, wederrechtelijk te bevoordeelen;
- 19°·. opzettelijke belemmering van het verkeer op de spoorwegen, die het leven der reizigers in gevaar heeft gebracht;
- 20°·. openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen;
- 21°·. diefstal gepleegd met geweld tegen personen of eigendommen;
- 22°·. het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken of doen stranden, vernielen, onbruikbaar maken of beschadigen van een schip, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
- 23°·. muiterij en verzet van schepelingen of passagiers aan boord van een schip;
- 24°·. oplichting;
- 25°·. verduistering van fondsen, goederen, documenten en alle openbare en bijzondere eigendomstitels, gepleegd door hen aan wie dezelve ter bewaring waren toevertrouwd, of bedriegelijke ontvreemding dier zaken door hen, die deelgenooten waren of werkzaam gesteld in de inrichting, waar het feit is gepleegd;
- 26°·. bedriegelijke bankbreuk.
Onder de voorgaande qualificatiën zijn begrepen de poging en de medeplichtigheid, voor zoover zij strafbaar gesteld zijn bij de strafwetgeving der contracteerende landen.
De uitlevering zal worden toegestaan voor de hierboven vermelde feiten, indien de te laste gelegde feiten strafbaar zijn met ten minste één jaar vrijheidsstraf als maximum.
Artikel 3
De uitlevering zal geen plaats hebben:
- 1°·. indien de opgeeischte persoon door geboorte of door naturalisatie onderdaan is van het land, waaraan de uitlevering is aangevraagd;
- 2°·. voor staatkundige misdrijven of feiten met staatkundige misdrijven samenhangende;
- 3°·. ingeval de feiten zouden gepleegd zijn op het grondgebied van het land, waaraan de uitlevering is aangevraagd;
- 4°·. wanneer de aanvrage tot uitlevering geschiedt op grond van hetzelfde feit, waarvoor de opgeëischte persoon heeft terechtgestaan en is veroordeeld of vrijgesproken in het land, waaraan de uitlevering wordt aangevraagd;
- 5°·. indien de opgelegde straf of de vervolging naar de wetten van het land, waaraan de uitlevering wordt aangevraagd of van het land, dat de uitlevering aanvraagt, verjaard is vóór de aanhouding van den opgeëischten persoon, of, ingeval de aanhouding nog niet heeft plaats gehad, vóór de gerechtelijke dagvaarding.
Artikel 4
De uitlevering zal geen plaats hebben zoolang de opgeëischte persoon in het land, waaraan de uitlevering wordt aangevraagd, vervolgd wordt ter zake van hetzelfde feit.
Artikel 5
Indien de opgeëischte persoon vervolgd wordt of straf ondergaat wegens een ander feit dan dat, op grond waarvan de aanvrage tot uitlevering is geschied, zal hij slechts uitgeleverd worden na afloop van het eindvonnis in het land, waaraan de uitlevering is aangevraagd, en, ingeval van veroordeeling, nadat hem de hem opgelegde straf zal hebben ondergaan of hem daarvan gratie zal zijn verleend.
Indien evenwel volgens de wetten van het land, dat de uitlevering aanvraagt, dat tijdsverloop de verjaring der vervolging tengevolge zou kunnen hebben, zal zijne uitlevering worden toegestaan, tenzij er bijzondere redenen zich tegen mochten verzetten, en onder gebondenheid tot terugzending van den uitgeleverde, zoodra de vervolging in genoemd land zal zijn afgeloopen.
Artikel 6
De persoon, wiens uitlevering is toegestaan, zal niet mogen worden vervolgd of gestraft ter zake van staatkundige misdrijven gepleegd vóór zijne uitlevering, noch ter zake van feiten met deze misdrijven samenhangende.
Hij zal niet mogen worden veroordeeld noch gestraft in het land, waaraan de uitlevering is toegestaan, ter zake van eenig strafbaar feit niet in het tegenwoordig verdrag vermeld, noch aan een derden Staat mogen worden uitgeleverd zonder de toestemming van het land, dat hem heeft uitgeleverd.
Deze beperkingen zullen niet toepasselijk zijn, wanneer de uitgeleverde persoon gedurende drie maanden, na de hem opgelegde straf te hebben ondergaan of na daarvan gratie te hebben verkregen en in vrijheid te zijn gesteld, in het land, waar hij veroordeeld werd, gebleven is; of wanneer hij later is teruggekeerd op het grondgebied van den opeischende Staat.
De personen, veroordeeld wegens feiten, welke volgens de wetgeving van den opeischenden Staat, met den dood gestraft worden, zullen slechts worden uitgeleverd onder voorwaarde dat gezegde straf hun niet zal worden opgelegd.
Artikel 7
In de gevallen, waarin overeenkomstig de bepalingen van de tegenwoordige overeenkomst, de uitlevering niet behoort te worden toegestaan, zal de opgeeischte persoon, indien er grond toe bestaat, gevonnisd worden door de rechtbanken van het land, waaraan de uitlevering is aangevraagd en volgens de wetten van dien Staat. Het eindvonnis zal behooren te worden medegedeeld aan de Regeering, die de uitlevering had verzocht.
Artikel 8
Indien het feit, waarop de aanvraag tot uitlevering gegrond is, zal gepleegd zijn op het grondgebied van eenen derden Staat, die de uitlevering van den misdadiger niet heeft verzocht, zal er aan deze aanvraag gevolg worden gegeven, ingeval de wetgeving van het land, waaraan de uitlevering is aangevraagd, de vervolging dierzelfde, buiten zijn grondgebied gepleegde, misdrijven toelaat.
Artikel 9
Indien de persoon wiens uitlevering overeenkomstig de tegenwoordige conventie door een der contracteerende partijen is aangevraagd, eveneens wordt opgevorderd door een of meerdere andere Regeeringen ter zake van feiten op hun wederzijdsch grondgebied gepleegd, zal de uitlevering worden toegestaan aan dengene, op wiens grondgebied het zwaarste feit volgens de wetgeving van het land, waaraan de uitlevering is aangevraagd, zal zijn gepleegd, en, ingeval van gelijke zwaarte, aan dengene, die het eerst de aanvrage tot uitlevering zal hebben ingediend.
Artikel 10
Indien de opgeëischte persoon geen onderdaan is van het opeischende land en de Regeering van zijn eigen land hem opvordert ter zake van hetzelfde feit, zal de Regeering, aan welke de uitlevering is aangevraagd, de bevoegdheid hebben dien persoon uit te leveren aan dengenen aan wien zij het passend zal achten.
Artikel 11
De uitlevering zal altijd worden aangevraagd langs diplomatieken weg en bij gebreke van een diplomatieken agent door tusschenkomst van den hoogsten consulairen ambtenaar van het land, hetwelk de aanvraag doet.
De aanvraag tot uitlevering behoort vergezeld te gaan:
- 1°·. van het oorspronkelijk of van een gewaarmerkt afschrift hetzij van eene beschikking tot in staat van beschuldigingstelling of van eene beschikking waarbij rechtsingang is verleend met bevel van gevangenneming, hetzij van een bevel van gevangenneming, hetzij van elke andere akte dezelfde kracht hebbende, hetzij van het vonnis van veroordeeling, afgegeven door de bevoegde overheid in den vorm, voorgeschreven door de wetgeving van het land, dat de uitlevering aanvraagt. Deze bescheiden moeten het feit, waarvan sprake is, voldoende omschrijven, ten einde het land, waaraan de uitlevering wordt gevraagd, in staat te stellen te beoordeelen of het, volgens zijne wetgeving, een geval daarstelt in het tegenwoordig verdrag voorzien;
- 2°·. van een afschrift der op het betrekkelijke feit toepasselijke strafbepalingen;
- 3°·. van al de benoodigde inlichtingen ten einde de identiteit van den opgeëischten persoon te staven;
- 4°·. van eene Fransche vertaling van alle deze stukken en van de strafbepalingen.
Artikel 12
De vreemdeling, wiens uitlevering voor een der in artikel 2 bedoelde feiten kan worden gevraagd, zal voorloopig kunnen worden aangehouden overeenkomstig de vormen voorgeschreven door de Wetgeving van het land, waaraan de uitlevering gevraagd wordt, krachtens een bericht overgebracht door de post of de telegraaf door tusschenkomst van den Minister van Buitenlandsche Zaken van den opeischenden Staat en van den diplomatieken of consulairen vertegenwoordiger van dien Staat in het andere land, en afkomstig van de bevoegde overheid van het land, dat de aanvraag doet, te weten:
van de zijde van Nederland, van elken officier van justitie of van elken rechter van instructie (rechter-commissaris);
van de zijde der Argentijnsche Republiek, van elken rechter van instructie of van elken strafrechter.
Dit bericht behoort te melden het bestaan en de overmaking van eene beschikking tot in staat van beschuldigingstelling of van eene beschikking waarbij rechtsingang is verleend met bevel van gevangenneming, van een bevel van gevangenneming of van een vonnis van veroordeeling.
De op deze wijze aangehouden persoon zal, ten ware hij uit anderen hoofde behoorde in hechtenis te blijven, in vrijheid worden gesteld, indien niet binnen twee maanden na de dagteekening zijner aanhouding, de aanvrage tot uitlevering langs diplomatieken of consulairen weg geschied is in den vorm bij artikel 11 bepaald.
Artikel 13
Er wordt uitdrukkelijk bedongen dat de doorvoer over het grondgebied van een der contracteerende partijen, van een door eene derde Mogendheid aan de andere partij uitgeleverden persoon, die geen onderdaan is van het land, door hetwelk de doorvoer plaats heeft, zal worden toegestaan op het eenvoudig vertoon langs diplomatieken of consulairen weg van de beschikking tot in staat van beschuldigingstelling of van de beschikking waarbij rechtsingang is verleend met bevel van gevangenneming, van het bevel van gevangenneming of van het vonnis van veroordeeling, mits dat er geen sprake is van staatkundige misdrijven of van feiten met deze misdrijven samenhangende, maar van die opgenoemd bij artikel 2 dezer Conventie.
De kosten van doorvoer zullen komen voor rekening van den Staat, die de uitlevering heeft aangevraagd.
Artikel 14
De door misdrijf verkregen goederen, welke op en bij den opgeëischte in beslag mochten zijn genomen, of welke deze zou verborgen hebben en die later mochten zijn ontdekt; de gereedschappen en werktuigen waarvan bij zich mocht bediend hebben tot het plegen van het misdrijf, alsmede alle andere stukken van overtuiging zullen te gelijker tijd als de opgeëischte worden overgegeven, indien de opeischende Regeering daartoe aanvrage doet en indien de bevoegde macht van den Staat, waaraan de uitlevering wordt aangevraagd, de overgave daarvan heeft bevolen.
Intusschen worden de rechten van derden op de gezegde goederen voorbehouden, welke hun, na afloop van het geding, kosteloos zullen moeten worden teruggegeven.
Artikel 15
Wanneer, bij vervolging ter zake van een gemeen misdrijf, een der beide Regeeringen het hooren van getuigen, die zich in den anderen Staat bevinden, noodig oordeelt, zal daartoe eene rogatoire commissie, vergezeld van eene fransche vertaling, langs diplomatieken of consulairen weg gezonden worden aan de Regeering van het land, waar het verhoor moet plaats hebben, en zal daaraan gevolg gegeven worden in het land, hetwelk is aangezocht, met inachtneming der wetten, die ter zake toepasselijk zijn in het land, waar de getuigen moeten verschijnen.
Artikel 16
Indien in eene strafzaak, een gemeen misdrijf betreffende, de persoonlijke verschijning van een getuige noodig is of verlangd wordt, zal de Regeering van het land, waar hij zich bevindt, hem verzoeken aan de tot hem te richten uitnoodiging gevolg te geven, en ingeval hij daaraan voldoet, zullen hem door de aanvragende Regeering van af den dag, waarop hij zijne woonplaats zal hebben verlaten reis- en verblijfkosten worden toegekend, volgens de tarieven van kracht in het land, waar zijne verschijning moet plaats hebben, behoudens het geval, dat de aanvragende Regeering het noodig zal achten eene hoogere schadevergoeding aan den getuige toe te kennen.
Een persoon, van welke nationaliteit ook, die als getuige in een van beide landen opgeroepen, vrijwillig voor de rechtbanken van het andere land verschijnt, zal aldaar niet kunnen worden vervolgd of aangehouden ter zake van misdaden of misdrijven of ter zake van civiele, crimineele of correctioneele veroordeelingen, die plaats hebben gevonden voor zijn vertrek uit het land, aan hetwelk de aanvrage is gedaan, noch onder voorwendsel van medeplichtigheid aan de feiten die het onderwerp uitmaken van het geding, waarin hij als getuige optreedt.
Artikel 17
De wederzijdsche Regeeringen doen over en weder afstand van alle aanvrage om terugbetaling van de kosten van onderhoud, van vervoer en andere, die binnen de grenzen van haar wederzijdsch grondgebied zouden kunnen voortvloeien uit de uitlevering van beklaagde, in staat van beschuldiging gestelde of veroordeelde personen, evenals van die voortvloeiende uit de tenuitvoerlegging van rogatoire commissiën, zoomede van die voortvloeiende uit de toezending der overtuigingsstukken of der bescheiden.
De uit te leveren persoon zal worden overgebracht naar de haven, aan te wijzen door den diplomatieken of consulairen agent van de opeischende Regeering, op wier kosten hij zal worden ingescheept.
Artikel 18
Het tegenwoordig verdrag zal eerst in werking treden te rekenen van den twintigsten dag na zijne afkondiging, welke zoo spoedig doenlijk zal plaats vinden in den vorm, bij de wetgevingen der beide landen voorgeschreven.
Het zal van kracht blijven tot zes maanden na den dag van opzegging door eene der beide Regeeringen.
Het tegenwoordig verdrag zal worden bekrachtigd en de bekrachtigingen ervan zullen zoo spoedig doenlijk te Buenos Aires worden uitgewisseld.
En foi de quoi, les plénipotentiaires respectifs ont signé la présente Convention et y ont apposé leurs cachets.
Fait en double expédition à Buenos Aires, le 7 septembre 1893.
(L. S.) L. VAN RIET.
(L. S.) VALENTIN VIRASORO.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.