Handelsverdrag tussen Nederland en Canada

Type Verdrag
Publication 1925-10-28
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

Zijne Majesteit de Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en de Britsche Overzeesche Bezittingen, Keizer van Indië,

de handelsbetrekkingen tusschen Nederland en Canada willende verbeteren en uitbreiden, hebben besloten, te dien einde een verdrag te sluiten en hebben onderscheidenlijk tot Hoogstderzelver gevolmachtigden benoemd te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den heer THEODORE HERMAN DE MEESTER, Consul-Generaal der Nederlanden te Montreal; en

Zijne Majesteit de Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en de Britsche Overzeesche Bezittingen, Keizer van Indië:

den heer JAMES ALEXANDER ROBB, lid van Zijner Majesteits Geheimen Raad voor Canada, lid van het Canadeesche Parlement, waarnemend Minister van Financiën en Algemeen Ontvanger van Canada;

den heer THOMAS ANDREW LOW, lid van Zijner Majesteits Geheimen Raad voor Canada, lid van het Canadeesche Parlement, Minister van Handel;

die, na elkander hunne, in goeden en behoorlijken vorm bevonden, volmachten te hebben medegedeeld, tot overeenstemming zijn gekomen nopens de volgende artikelen:

Artikel 1

De voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van Nederland ingevoerd in Canada en de voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van Canada ingevoerd in Nederland, zullen aan geen andere of hoogere rechten of belastingen onderworpen worden dan die, welke worden of zullen worden geheven van soortgelijke voortbrengselen van elk ander vreemd land. Verder zal ten aanzien van den invoer van eenig voortbrengsel van den bodem of van de nijverheid van Nederland in Canada of ten aanzien van den invoer van eenig voortbrengsel van den bodem of van de nijverheid van Canada in Nederland geen verbod of beperkende bepaling mogen worden gehandhaafd of uitgevaardigd, hetwelk of welke niet tezelfder tijd van toepassing zal zijn op den invoer van soortgelijke voortbrengselen van elk ander vreemd land. Dit laatste voorschrift is niet toepasselijk op de verbodsbepalingen van sanitairen of anderen aard, welke zijn erkend als noodzakelijk voor de bescherming van personen, van vee of van voor den landbouw nuttige planten.

Artikel 2

De voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van Nederland, uitgevoerd naar Canada, en de voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van Canada, uitgevoerd naar Nederland, zullen aan geen andere of hoogere rechten of belastingen onderworpen worden dan die, welke zullen worden geheven bij den uitvoer van soortgelijke voortbrengselen naar elk ander vreemd land. Verder zal ten aanzien van den uitvoer van eenig voortbrengsel van Nederland naar Canada of van Canada naar Nederland geen verbod of beperkende bepaling worden uitgevaardigd, hetwelk of welke niet tezelfder tijd van toepassing zal zijn op den uitvoer van soortgelijke voortbrengselen naar elk ander vreemd land.

Artikel 3

De voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van Nederland, doorgevoerd door Canada, en de voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van Canada, doorgevoerd door Nederland, zullen wederkeerig vrijgesteld zijn van alle doorvoerrechten, hetzij zij rechtstreeks worden doorgevoerd, hetzij zij gedurende den doorvoer worden overgeladen, opgeslagen of weder ingeladen

Artikel 4

Het is wel verstaan, dat in al wat betreft den in-, uit- en doorvoer van goederen, Nederland aan Canada en Canada aan Nederland verleent de behandeling der meestbegunstigde natie.

Artikel 5

Telkens wanneer in dit verdrag van „Nederland” gesproken wordt, zal deze naam insluiten Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao.

Dit verdrag zal, na door de bevoegde Nederlandsche autoriteit en door het Canadeesche Parlement te zijn goedgekeurd, bekrachtigd worden en de bekrachtigingsoorkonden zullen zoo spoedig mogelijk te Ottawa worden uitgewisseld. Het zal in werking treden terstond na de uitwisseling van genoemde bekrachtigingsoorkonden en de verdragsluitende Partijen binden gedurende vier jaren te rekenen van den datum van zijne inwerkingtreding. Indien geen der verdragsluitende Partijen twaalf maanden vóór het verloopen van genoemden termijn van vier jaren aan de andere kennis heeft gegeven van haar voornemen om dit verdrag te doen eindigen, zal het van kracht blijven tot na het verloop van een jaar, te rekenen van den dag, waarop een der verdragsluitende Partijen aan de andere haar voornemen om het verdrag op te zeggen heeft kenbaar gemaakt.

In witness whereof the respective Plenipotentiaries have signed this Convention in the English and the French languages and have affixed thereto their seals.

Done at Ottawa, this 11th day of July in the year 1924.

(L.S.) TH. DE MEESTER.

„ JAMES A. ROBB.

„ THOS. A. LOW.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.