Algemeen arbitrageverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken

Type Verdrag
Publication 1906-03-08
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van Denemarken, geleid door de beginselen van het verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen, gesloten te 's Gravenhage op 29 Juli 1899, en wenschende met name het beginsel der verplichte arbitrage in hunne onderlinge betrekkingen te bezegelen door eene algemeene overeenkomst zooals bedoeld bij artikel 19 van het genoemde verdrag, hebben besloten te dien einde een verdrag aan te gaan en hebben tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

den heer JACOB DIRK CAREL baron VAN HEECKEREN VAN KELL, Hoogstderzelver buitengewoon Gezant en gevolmachtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning van Denemarken, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw;

Zijne Majesteit de Koning van Denemarken:

den heer JOHAN HENRIK DEUNTZER, voorzitter van Hoogstdeszelfs Raad van Ministers en Hoogstdeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken, grootkruis der Danebrogsorde en versierd met het eerekruis derzelfde orde, enz.

die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Artikel 1

De Hooge Contracteerende Partijen verplichten zich aan het Permanente Hof van Arbitrage te onderwerpen alle wederzijdsche geschillen en twistgedingen, die niet langs diplomatieken weg zullen kunnen worden opgelost.

Artikel 2

In elk bijzonder geval zullen de Hooge Contracteerende Partijen, alvorens zich tot het Permanente Hof van Arbitrage te wenden, een afzonderlijk compromis teekenen, duidelijk omschrijvende het voorwerp van het geding, den omvang van de bevoegdheden der arbiters en de termijnen, die ten aanzien der samenstelling van de arbitrale rechtbank en van de procedure zullen zijn in acht te nemen.

Artikel 3

Het is wel verstaan, dat artikel 1 niet van toepassing is op twistgedingen tusschen onderdanen van een der Contracteerende Staten en den anderen Contracteerenden Staat, tot berechting waarvan de rechtbanken van dien laatsten Staat krachtens diens eigen wetgeving bevoegd zijn.

Artikel 4

De Staten, die dit verdrag niet onderteekend hebben, zullen er toe kunnen toetreden. De Staat, die wenscht toe te treden, zal zijn voornemen schriftelijk aan ieder der Contracteerende Staten te kennen geven.

De toetreding zal gevolg hebben te rekenen van den dag, waarop de toetredende Staat aan ieder der Contracteerende Staten zal hebben medegedeeld, dat al die Staten hem de ontvangst zijner kennisgeving hebben bericht.

Artikel 5

Indien het mocht gebeuren, dat een der Contracteerende Staten dit verdrag opzegde, dan zal deze opzegging eerst gevolg hebben één jaar nadat van de opzegging schriftelijk aan ieder der andere Contracteerende Staten is kennis gegeven.

Artikel 6

Dit verdrag zal zoo spoedig mogelijk bekrachtigd worden en de uitwisseling der akten van bekrachtiging zal te 's Gravenhage geschieden.

En foi de quoi, les Plénipotentiaires respectifs ont signé la présente Convention et l'ont revêtue de leurs sceaux.

Copenhague, le 12 février 1904.

(L.S.) CAREL VAN HEECKEREN.

(L.S.) DEUNTZER.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.