Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Trinidad en Tobago inzake de instelling en exploitatie van luchtdiensten

Type Verdrag
Publication 1985-10-23
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Trinidad en Tobago, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, verlangend het burgerluchtvervoer tussen en via hun onderscheiden grondgebieden te bevorderen, sluiten hierbij de volgende overeenkomst:

Artikel 1
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de in deze Overeenkomst omschreven rechten voor het instellen van geregelde internationale luchtdiensten op de routes die zijn omschreven in de bijlage bij deze Overeenkomst. Zulke diensten en routes worden hierna onderscheidenlijk „de overeengekomen diensten” en „de omschreven routes” genoemd.

2.

De door elk der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappijen hebben, bij de exploitatie van een overeengekomen dienst op een omschreven route, de volgende rechten:

3.

Geen der in lid 2 van dit artikel vervatte bepalingen wordt geacht de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een der Overeenkomstsluitende Partijen het recht te geven tot het opnemen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij van passagiers, vracht of post tegen vergoeding of beloning en bestemd om op een ander punt op het grondgebied van die andere Overeenkomstsluitende Partij te worden afgezet.

Artikel 2
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij is gerechtigd aan de andere Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk mededeling te doen van de aanwijzing van een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes.

2.

Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij, met inachtneming van het bepaalde in de leden 3 en 4 van dit artikel, onverwijld de vereiste exploitatievergunning aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen.

3.

De luchtvaartautoriteiten van de ene Overeenkomstsluitende Partij kunnen eisen dat een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij hun aantoont dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld bij de wetten en voorschriften welke door deze autoriteiten gewoonlijk en op redelijke wijze ten aanzien van de exploitatie van internationale luchtdiensten overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Chicago, 1944) worden toegepast.

4.

In elk geval waarin niet ten genoegen van een Overeenkomstsluitende Partij is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij berusten bij die andere Overeenkomstsluitende Partij of bij haar onderdanen, heeft eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij het recht de exploitatievergunning bedoeld in lid 2 van dit artikel te weigeren, of de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden aan de uitoefening van de in artikel 1 bedoelde rechten door die aangewezen luchtvaartmaatschappij.

5.

Wanneer een luchtvaartmaatschappij is aangewezen en haar een vergunning is verleend, kan zij op ieder ogenblik een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen diensten, mits ten aanzien van die dienst een tarief, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 van deze Overeenkomst, van kracht is.

Artikel 3
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht een exploitatievergunning te herroepen, of de uitoefening van de in artikel 1 van deze Overeenkomst omschreven rechten door een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij op te schorten, of ten aanzien van de uitoefening van die rechten de voorwaarden te stellen die zij noodzakelijk acht:

2.

Dit recht wordt slechts uitgeoefend na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij onmiddellijke herroeping, opschorting of het stellen van de in lid 1 van dit artikel genoemde voorwaarden noodzakelijk is om hernieuwde inbreuken op de wetten of voorschriften te voorkomen.

Artikel 4
1.

Luchtvaartuigen die door de door een Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappijen op internationale diensten worden gebruikt, en hun normale uitrustingsstukken, reservedelen, voorraden motorbrandstof en smeermiddelen, proviand (met inbegrip van etenswaren, dranken en tabaksartikelen) die zich aan boord bevinden van die luchtvaartuigen, zijn bij binnenkomst op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij vrijgesteld van alle douanerechten, inspectiekosten en andere rechten en heffingen, onder voorwaarde dat die uitrustingsstukken en voorraden aan boord van de luchtvaartuigen blijven totdat zij weer worden uitgevoerd, of dat zij worden gebruikt op dat deel van de vlucht dat boven dat grondgebied wordt afgelegd.

2.

Voorraden motorbrandstof, smeermiddelen, reservedelen, normale uitrustingsstukken en proviand die in het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij worden ingevoerd door of namens een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij, of aan boord genomen worden van de luchtvaartuigen geëexploiteerd door zulk een aangewezen luchtvaartmaatschappij, en die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik bij de exploitatie van internationale diensten zijn vrijgesteld van alle nationale rechten en heffingen, daaronder begrepen douanerechten en inspectiekosten, opgelegd op het grondgebied van de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij, zelfs wanneer die voorraden zullen worden gebruikt op de delen van de vlucht die boven het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij waar zij aan boord worden genomen worden afgelegd. Verlangd kan worden dat de bovengenoemde goederen onder douanetoezicht of -controle blijven.

3.

De normale boorduitrustingsstukken, reservedelen, proviand en voorraden motorbrandstof en smeermiddelen die zich aan boord van de luchtvaartuigen van een der Overeenkomstsluitende Partijen bevinden kunnen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van die Partij, die kunnen eisen dat die goederen onder hun toezicht worden gesteld, totdat zij weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.

Artikel 5

Passagiers op doorreis via het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen worden slechts aan een eenvoudige controle onderworpen. Bagage en vracht die rechtstreeks worden doorgevoerd zijn vrijgesteld van douanerechten en andere soortgelijke heffingen.

Artikel 6
1.

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide Overeenkomstsluitende Partijen worden op billijke wijze en gelijkelijk in de gelegenheid gesteld de overeengekomen diensten op de omschreven routes tussen hun onderscheiden grondgebieden te exploiteren.

2.

Bij het exploiteren van de overeengekomen diensten houden de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elk der Overeenkomstsluitende Partijen rekening met de belangen van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere Overeenkomstsluitende Partij, zodat de diensten die de laatstgenoemde maatschappijen op dezelfde routes of delen daarvan onderhouden hierdoor niet op onredelijke wijze worden getroffen.

3.

De overeengekomen diensten die worden onderhouden door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen dienen nauwkeurig te worden afgestemd op de vervoersbehoeften op de omschreven routes en hebben als eerste doel de verschaffing, met inachtneming van een redelijke beladingsgraad, van capaciteit die voldoet aan de huidige en redelijkerwijs te verwachten behoeften aan vervoer van passagiers, vracht en post afkomstig van of bestemd voor de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij had aangewezen. Er wordt capaciteit voor het vervoer van passagiers, vracht en post, opgenomen zowel als afgezet op punten op de omschreven routes op het grondgebied van andere Staten dan die welke de luchtvaartmaatschappij aanwijst, verschaft overeenkomstig de algemene beginselen dat de capaciteit dient te zijn afgestemd op:

Artikel 7
1.

De tarieven te heffen door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elk der beide Overeenkomstsluitende Partijen voor vervoer naar of uit het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden vastgesteld op redelijk niveau, waarbij behoorlijk rekening wordt gehouden met alle in aanmerking komende factoren, daaronder begrepen de exploitatiekosten, een redelijke winst, en de kenmerkende eigenschappen van de diensten.

2.

De in lid 1 van dit artikel bedoelde tarieven worden, indien mogelijk, in onderlinge overeenstemming vastgesteld door de betrokken aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de beide Overeenkomstsluitende Partijen, in overleg met andere luchtvaartmaatschappijen die de gehele route of delen daarvan exploiteren, en die overeenstemming dient, zo mogelijk, te worden bereikt door middel van de procedure van de „International Air Transport Association” ter vaststelling van de tarieven.

3.

De aldus overeengekomen tarieven worden tenminste negentig (90) dagen voor de voorgestelde datum van invoering aan de luchtvaartautoriteiten van de beide Overeenkomstsluitende Partijen ter goedkeuring voorgelegd; in bijzondere gevallen kan dit tijdvak worden verkort, behoudens toestemming van de genoemde autoriteiten.

4.

Indien de aangewezen luchtvaartmaatschappijen niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent een of meer van deze tarieven, of indien om een andere reden een tarief niet kan worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van lid 2 van dit artikel, of indien gedurende de eerste dertig (30) dagen van de periode van negentig (90) dagen, genoemd in lid 3 van dit artikel, de ene Overeenkomstsluitende Partij de andere mededeelt dat zij een tarief, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van lid 2 van dit artikel, onbevredigend acht, trachten de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen in onderling overleg het tarief vast te stellen.

5.

Indien de luchtvaartautoriteiten niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent de goedkeuring van een hun ingevolge lid 3 van dit artikel voorgelegd tarief of omtrent de vaststelling van een tarief ingevolge lid 4, wordt het geschil opgelost overeenkomstig de bepalingen van artikel 11 van deze Overeenkomst.

6.

Geen nieuw tarief wordt van kracht indien de luchtvaartautoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen dit niet hebben goedgekeurd, behoudens het bepaalde in lid 5 van dit artikel.

7.

De overeenkomstig de bepalingen van dit artikel vastgestelde tarieven blijven van kracht totdat nieuwe tarieven zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

Artikel 8

Elk der beide Overeenkomstsluitende Partijen verbindt zich de andere Overeenkomstsluitende Partij het recht te verlenen tot het vrijelijk overmaken tegen de officiële wisselkoers van de netto-inkomsten op haar grondgebied verworven ten gevolge van het vervoer van passagiers, bagage, post en vracht door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij. In alle gevallen waarin het betalingsverkeer tussen de Overeenkomstsluitende Partijen door een bijzondere overeenkomst wordt geregeld, is deze bijzondere overeenkomst van toepassing.

Artikel 9

In een geest van nauwe samenwerking raadplegen de luchtvaartautoriteiten van beide Overeenkomstsluitende Partijen elkander van tijd tot tijd om de uitvoering en bevredigende naleving van de bepalingen van deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij te verzekeren.

Artikel 10

Indien een der Overeenkomstsluitende Partijen het wenselijk acht bepalingen van deze Overeenkomst of van de Bijlage te wijzigen, kan zij de andere Overeenkomstsluitende Partij om overleg verzoeken; dit overleg, dat kan plaatsvinden tussen de luchtvaartautoriteiten, kan zowel mondeling als schriftelijk geschieden, en vangt aan binnen een termijn van zestig (60) dagen te rekenen van de datum van het verzoek. Alle zodanig overeengekomen wijzigingen worden van kracht wanneer zij zijn bevestigd door middel van een diplomatieke notawisseling, in welke nota's, in geval van wijziging van de Overeenkomst, wordt verklaard dat de door de nationale wetgeving van elk der Overeenkomstsluitende Partijen vereiste formaliteiten zijn vervuld.

Artikel 11
1.

Indien tussen de Overeenkomstsluitende Partijen een geschil mocht ontstaan omtrent de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst, trachten de Overeenkomstsluitende Partijen eerst dit geschil te regelen door middel van onderhandelingen.

2.

Indien de Overeenkomstsluitende Partijen er niet in slagen door middel van onderhandelingen een regeling te treffen, kunnen zij overeenkomen het geschil ter beslissing voor te leggen aan een bepaalde persoon of instantie; het geschil kan ook op verzoek van een der Partijen ter beslissing worden voorgelegd aan een scheidsgerecht van drie scheidsrechters, van wie elk der Overeenkomstsluitende Partijen er een aanwijst terwijl de derde door de twee aldus aangewezen scheidsrechters wordt benoemd. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen benoemt een scheidsrechter binnen zestig (60) dagen na het tijdstip waarop zij van de andere Overeenkomstsluitende Partij langs diplomatieke weg een kennisgeving heeft ontvangen, waarin om een scheidsrechterlijke beslissing in het geschil wordt verzocht, en de derde scheidsrechter wordt binnen het daaraan aansluitende tijdvak van eveneens zestig (60) dagen benoemd. Indien een der Overeenkomstsluitende Partijen nalaat binnen het aangegeven tijdvak een scheidsrechter aan te wijzen, of indien de derde scheidsrechter niet binnen het aangegeven tijdvak is benoemd, kan elk der Overeenkomstsluitende Partijen een verzoek richten tot de President van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie om een scheidsrechter of eventueel scheidsrechters te benoemen. In dat geval dient de derde scheidsrechter onderdaan te zijn van een derde staat en dient hij op te treden als President van het Scheidsgerecht.

3.

De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe, zich aan iedere ingevolge lid 2 van dit artikel genomen beslissing te houden.

Artikel 12

Deze Overeenkomst en haar Bijlage worden geacht te zijn gewijzigd zonder verdere overeenkomst indien zulks nodig is om deze te doen aansluiten bij eventuele multilaterale verdragen of overeenkomsten die in de toekomst voor de Overeenkomstsluitende Partijen verbindend kunnen worden.

Artikel 13

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan aan de andere Overeenkomstsluitende Partij te allen tijde mededeling doen van haar besluit deze Overeenkomst te beëindigen; deze mededeling wordt tegelijkertijd gezonden aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. In een dergelijk geval treedt de Overeenkomst buiten werking twaalf (12) maanden na de datum van ontvangst van de mededeling door de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij de mededeling in onderling overleg voor het einde van deze termijn wordt ingetrokken. Indien van de andere Overeenkomstsluitende Partij geen ontvangstbevestiging wordt ontvangen, wordt de mededeling geacht te zijn ontvangen veertien (14) dagen na ontvangst van de mededeling door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.