Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de grensscheiding, met Reglement voor het plaatsen van grenspalen

Type Verdrag
Publication 1983-04-01
State In force
Source BWB
artikelen 52
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, het tractaat van den 19den April 1839 in overweging nemende, en alles willende regelen en vaststellen wat betrekking heeft tot de grensscheiding tusschen het Koningrijk der Nederlanden en het Koningrijk Belgie, hebben, te dien einde, overeenkomstig artikel 6 van genoemd tractaat, commissarissen benoemd, te weten:

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, de heeren:

Paul Eustatius Reinier van Hooff, ridder der Militaire Willems-orde, 3de klasse, en der orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder-grootkruis der St. Stanislaus-orde en van die van St. Anna, 2de klasse, van Rusland, gedecoreerd met het Bronzen Kruis, luitenant-generaal, Hoogstdeszelfs adjudant in buitengewone dienst;

Willem Dominicus Aloys Kerens van Wolfrath, lid der ridderschap van het Hertogdom Limburg, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, oud lid der Staten-Generaal, lid der Staten van het Hertogdom Limburg, districts- en militie-commissaris te Maastricht;

Michael Tock, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, kommandeur der orde van de Eikenkroon, ridder der orde van den Rooden Adelaar, 2de klasse, van Pruissen, opper-raad der belastingen in het Groot-Hertogdom Luxemburg, Hoogstdeszelfs commissaris ter regeling der scheepvaart en van het scheepvaartregt op de Moezel;

Frans-Jozeph-Karel-Marie Wirz, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, opper-raad der publieke werken in het Groot-Hertogdom Luxemburg; en

Steven de Kruijff, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, hoofd-ingenieur van den Waterstaat.

Zijne majesteit de Koning der Belgen, de heeren:

André-Eduard Jolly, ridder der Leopolds-orde, gedecoreerd met het IJzeren Kruis, officier der Hertogelijke Huis-orde van Ernst van Saxen, ridder der Koninklijke orde van het Legioen van Eer, generaal-majoor, commandant der provincie Antwerpen;

Nicolaas Berger, president van de Regtbank van eersten aanleg van Arlon, oud lid van de Kamer der Vertegenwoordigers;

Jan Baptiste Vifquain, officier der Leopolds-orde, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw en der Koninklijke orde van het Legioen van Eer, inspecteur der bruggen en wegen;

Karel-Emmanuel-Frans-Joseph Grandgagnage, ridder der Leopolds-orde, directeur der directe belastingen, douanen en accijnsen en van het kadaster in de provincie Luik; en

den burggraaf Karel-Ghislain-Willem Vilain XIIII, officier der Leopolds-orde, gedecoreerd met het IJzeren Kruis, lid van de Kamer der Vertegenwoordigers.

Dewelke, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmagten te hebben uitgewisseld, en zich rigtende naar het aanvullende en het ophelderende tractaat van den 5den November 1842, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen:

Beschrijvend proces-verbaal, plannen en kaarten.

Artikel 1

De grenslijn tusschen het Koningrijk der Nederlanden en het Koningrijk Belgie strekt zich uit van Pruissen af tot aan de Noordzee.

Deze grenslijn, welke in drie afdeelingen verdeeld is, wordt op eene juiste en onveranderlijke wijze vastgesteld, bij een beschrijvend proces-verbaal, opgemaakt volgens de parcellaire plannen van het kadaster, vervaardigd op eene schaal van een twee duizend vijf honderdste en door middel van herkenningen op het terrein, door daartoe afgevaardigde commissarissen bewerkstelligd.

Nogtans zullen, bij uitzondering, kaarten op eene schaal van een tien-duizendste, voldoende geoordeeld worden, om de grenslijn welke door de Maas en de Schelde gevormd wordt, aan te wijzen.

Hetzelfde geldt voor hetgeen de gemeenten van Baarle-Nassau (Nederlanden) en Baarle-Hertog (Belgie) betreft, te wier opzigte het statu-quo behouden wordt, naar aanleiding van artikel 14 van het tractaat van 5 November 1842.

Een speciaal plan, in vier bladen, al de perceelen van deze twee gemeenten bevattende, is opgemaakt op eene schaal van een tien-duizendste, en bij dit plan zijn twee losse bladen gevoegd, op eene schaal van een twee duizend vijf honderdste, de perceelen van genoemde gemeenten voorstellende, welke op eene kleinere schaal niet duidelijk zouden worden aangewezen.

Artikel 2

De topographische kaarten, op eene schaal van een tien-duizendste, bestemd om de grenslijn in derzelver geheel en in betrekking tot de aangrenzende localiteiten te doen kennen, worden bij afdeelingen opgemaakt, te weten;

In deze kaarten is de geheele uitgestrektheid der grenslijn begrepen, op eene middelbare lijn van twee duizend vier honderd ellen (mètres).

Artikel 3

Het beschrijvend proces-verbaal, de parcellaire plannen en de topographische kaarten op eene schaal van een tien-duizendste, door de commissarissen vastgesteld en geteekend, zullen bij de tegenwoordige overeenkomst gevoegd blijven, en dezelfde kracht en waarde hebben, als of dezelve daarin in hun geheel waren opgenomen.

AFDEELING I. Grenzen van Pruissen af tot aan de Maas.

Grens, gevormd door den loop dezer rivier, alsmede door het rayon van Maastricht.

Artikel 4. Beschrijving der grens.

§ 1. De grenslijn tusschen de Nederlanden en Belgie begint bij bet aanrakingspunt der gemeenten Vaals (Nederlanden), Gemmenich (Belgie), Laurensberg (Pruissen) en Moresnet (onzijdig territoir tusschen Belgie en Pruissen).

Deze lijn, zich van dit punt af, ten westen rigtende, tot aan de Maas, scheidt achtereenvolgend de Nederlandsche gemeenten Vaals, Wittem, Slenaeken, Noorbeek, Mheer, St. Gertrude, Mesch en Eijsden (Hertogendom Limburg), van de Belgische gemeenten Gemmenich, Sippenaeken, Teuven, Fouron St. Martin, Fouron-le-Comte en Mouland (provincie Luik), gemeenten welker oude grenzen gewijzigd zijn, ten gevolge der ruilingen en afstand van grondgebied, aangewezen in de artikelen 5, 6 en 7 hierna volgende.

(Artikelen 1 tot 13 van het beschrijvend proces-verbaal.)

§ 2. Aan de Maas gekomen, wendt de grenslijn, door den Thalweg bij laag water gevormd, zich ten noorden en volgt den Thalweg van deze rivier, tot aan het aanrakingspunt der gemeenten St. Pieter, Gronsveld (Nederlanden) en Lanaije (Belgie), gelegen boven de stad Maastricht, aan Nederland de eilanden en eilandjes latende verblijven, regts van den Thalweg gelegen.

(Artikelen 14, 15 en 16 van het beschrijvend proces-verbaal.)

§ 3. Bij het aanrakingspunt van genoemde gemeenten St. Pieter, Gronsveld en Lanaye, gaat de lijn, den Thalweg der Maas verlatende, op den linker oever der rivier over, loopt om de stad Maastricht, en laat aan dezelve het rayon grondgebied hetwelk bij § 2 van artikel 4 van het tractaat van 19 April 1839 aan dezelve is toegekend.

Te dien einde, scheidt gezegde lijn, in de eerste plaats, de gemeente St. Pieter (Nederlanden), van die van Lanaye (Belgie), om over te gaan op het oostelijk gedeelte der gemeente Canne, van welke een stuk grond, met het kasteel van Nedercanne, aan de Nederlanden behoort; vervolgens loopt dezelve, door de gemeente Vroenhoven, tusschen de dorpen Montenaken (Belgie) en Wijlre (Nederlanden) doorgaande; verder scheidt dezelve van de gemeente Veltwezelt (Belgie), het zuidelijk uiteinde van deszelfs grondgebied, en snijdt eindelijk het meest ten zuid-westen gelegen gedeelte van het grondgebied der gemeente Lanaken (Belgie) af, ten einde op nieuw den Thalweg der Maas te volgen, bij het dorp Smeermaas, van hetwelk zij eenige woningen aan Nederland laat verblijven.

(Artikelen 17 tot 23 van het beschrijvend proces-verbaal.)

§ 4. Te beginnen van het punt waar, te Smeermaas, de grenslijn den Thalweg der Maas weder volgt, vormt deze Thalweg op nieuw de grens, tot aan een punt, gelegen tegenover de zoogenaamde Koelegrint, op eenen afstand van ongeveer zeventien honderd ellen (mètres) beneden het veer van Stevensweert, aan de Nederlanden de eilanden en eilandjes latende verblijven, welke regts van den Thalweg liggen, en aan Belgie diegene, welke links van dezelve zijn gelegen.

Door deze grensbepaling, gaan de gedeelten der gemeenten Berg, Urmond, Obicht en Papenhoven, Grevenbicht en Stevensweert (Nederlanden), welke aan den linker Maas-oever zijn gelegen, aan Belgie over, en de gedeelten der gemeenten Boorsheim en Eelen (Belgie), welke aan den regteroever liggen, aan Nederland.

(Artikelen 24 tot 48 van het beschrijvend proces-verbaal.)

Ruilingen, afstand van grondgebied.

Artikel 5

§ 1. Nederland staat, van het gedeelte der grens in § 1 van artikel 4 omschreven, aan Belgie af, te weten:

§ 2. Nederland staat aan Belgie af (artikel 12 van het tractaat van 5 November 1842), de perceelen nis. 576, 577, 578 en een gedeelte der perceelen nis. 563 en 579, sectie E van de gemeente Eijsden, gelegen bij de hoeve van Navaigne.

(Artikel 13, § 8, van het beschrijvend proces-verbaal.)

Artikel 6

Belgie staat, op het gedeelte der grens, beschreven in § 1 van artikel 4, aan Nederland af, te weten:

Bijzondere bepalingen.

Artikel 7

De gedeelten der wegen genaamd Ratweg, Hoogstraat, Riesel-Steenweg, der wegen van Mesch naar Libeek, van Castert naar Mouland, en van die loopende, bij het kasteel van Canne, langs de perceelen 479 en 480, sectie A, — welke grens vormen, behooren aan Nederland.

Artikel 8

De gedeelten van den weg genaamd Reenweg, der wegen van Fouron-le-Comte naar Mouland, van Maastricht naar Mouland en naar Visé, van den weg genaamd Lintjensweg, van dien van Canne naar Maastricht, van het gangpad van Canne naar Montenaken, en eindelijk van den weg die in het dorp Canne, langs het perceel 472, sectie A, loopt,— welke grens daarstellen, behooren aan Belgie.

Artikel 9

Het gedeelte van den weg, dat grens daarstelt en in het dorp Canne aan Belgie toebehoort, blijft aan de inwoners der beide gedeelten van dit dorp vrij, voor den vervoer van steenen en van zand, uit de zandgroeve, digt bij dien weg gelegen, afkomstig.

Artikel 10

§ 1. Overal, waar de Maas de grens tusschen de beide Staten daarstelt, kan men voor het onderhoud van derzelver oevers slechts eenvoudige verdedigings-werken maken, zoo als oeverbekleedingen in drooge of gemetselde steenen, sprei- of beslag-werken, pakbermen, bleeswerken enz., evenwijdig loopende met den oever, en wier kruinsbreedte, in de rivier vooruitspringende, geen vier ellen (mètres) te boven gaat. Men zal zelfs die werken alleen dààr mogen aanleggen, waar de stroom de oevers heeft beschadigd, en geenszins waar de gesteldheid van den oever eene strekking ter vorming van eenigen aanwas van land aanduidt.

§ 2. Elk werk van offensieven aard, hetwelk den loop des strooms veranderen en daardoor aan den tegenover liggenden oever schade zoude kunnen veroorzaken, als daar zijn: kribben, dammen, bollen of koppen, triangels, dammen of andere opstuwingen en verdere in de rivier vooruitspringende werken, behalve die, welke in de vorige paragraaph worden toegelaten, mogen in geen geval aangelegd worden, dan met gemeen overleg der beide mogendheden.

§ 3. Van de, in de vorige paragraaph genoemde beperkingen, zijn de gevallen uitgezonderd, dat de rivier, ten gevolge van eenig ongeval, eenen geheel nieuwen loop mogt genomen hebben, en dat het er op aan zoude komen, dezelve het vorig bed te doen hernemen, in welke gevallen voorzien is bij art. 11, hierna volgende.

§ 4. Geen nieuwe dijk, dam of opstuwing, geen rijs of ander plantsoen, hoegenaamd, mag, noch op den oever of op de aanslibbingen welke nog een deel uitmaken van het bed der rivier, noch op eilanden of eilandjes, noch dwars door de takken der rivier die de eilanden van den oever scheiden, worden aangelegd, anders dan onder bewilliging der beide gouvernementen.

§ 5. Onder de bovengenoemde soort van werken is ook elke ophooging van den oever begrepen, zelfs ter plaatse waar de toegangen zijn tot de veren.

§ 6. Geene der beide mogendheden mag visscherijen daarstellen, of laten daarstellen, door middel van afperking of anderzins, waardoor eenige de minste stremming in den stroom veroorzaakt zoude kunnen worden, of wel eenige ophooping van slijk, geschikt om aanwas van grond te weeg te brengen, ontstaan konde.

§ 7. Bij het aanleggen van waterbouwkundige werken, voor het onderhoud der oevers en van den Thalweg der Maas, tot welker uitvoering de noodige magtiging mogt verleend zijn, zal het beheer in beide landen verpligt zijn, het weghalen van zand of kiezel, zoo noodig, van den oeverkant gemakkelijk te maken, voor zoo verre deze oever zelve niet beschadigd is.

Artikel 11

§ 1. Indien, door eenig onvoorzien geval, de Maas dezelver bedding kwam te verlaten, en er zich eene andere maakte, zoude de Thalweg van deze nieuwe bedding, desniettemin, bij voortduring de grens tusschen de beide Staten daarstellen.

§ 2. Echter zal de Staat welke, door de afscheiding van een gedeelte van zijn grondgebied, schade heeft geleden, het regt hebben om, op zijne kosten, de noodige werken te doen uitvoeren om de rivier in derzelver verlatene bedding te doen terugkeeren.

Dit regt komt denzelven toe, gedurende den tijd van vier jaren, te rekenen van het tijdstip der gebeurtenis.

Dit uitstel verloopen zijnde, (hetzij de werken al dan niet ondernomen zijn), gaat het losgerukte grondgebied, voor goed, over aan de souvereiniteit van dien Staat, aan welken de Thalweg der nieuwe bedding hetzelve toekent.

In dit geval, zal de nieuwe grenslijn daargesteld worden binnen den tijd van zes maanden, te rekenen van het einde der vier jaren, en den Thalweg volgen, zóó als bij artikel 4 bepaald is.

§ 3. Gedurende deze vier jaren, zal het afgescheiden gedeelte onderworpen blijven aan het beheer van den Staat aan welken hetzelve toebehoort, zonder dat, echter, dit beheer eenig bezwaar voor de vrije scheepvaart op de Maas zal vermogen te weeg brengen.

§ 4. De bepalingen van artikel 17 van het tractaat van den 19den April 1839, zullen toepasselijk zijn op de inwoners en op de eigenaren van die gronden, welke, op deze wijze, van beheer zullen komen te veranderen.

§ 5. Indien de Thalweg verandert, zonder dat de bedding der rivier zelve verlegd wordt, zullen de eilanden en eilandjes aan den Staat blijven toebehooren, aan welken dezelve bij deze overeenkomst bepaaldelijk zijn toegekend.

§ 6. Nogtans zal de souvereiniteit veranderen, indien een eiland of eilandje zich met het vaste land vereenigt, of een gedeelte uitmaakt van een grondgebied, hetwelk, door eene plotselinge afwijking der Maas, van het eene gebied tot het andere is overgegaan.

Artikel 12

§ 1. De visscherij in de Maas, voor zoo verre deze rivier de grens uitmaakt, zal gemeen zijn, en verpacht worden ten voordeele der beide Staten. De visch die in dezelve gevangen wordt is vrij van regten in de beide landen. De opbrengst der pachtgelden zal ieder jaar verdeeld worden.

De verpachtingen zullen, bij afwisseling, in het eene of het andere land geschieden, volgens een te bepalen bestek der voorwaarden, en voor eenen met wederzijdsch overleg der beide administratien vast te stellen termijn.

§ 2. Onverminderd de bepalingen van § 6 van artikel 10, is men desniettemin overeengekomen, dat de administratien der beide Staten, met gemeen overleg, het aanleggen van visscherijen, door middel van weren, kunnen veroorloven op de plaatsen waar dezelve geene verandering van den Thalweg, noch schade aan de oevers veroorzaken kunnen.

§ 3. De administratien der beide landen zullen zich verstaan omtrent de uitvoering der bepalingen van het tegenwoordig artikel.

Artikel 13

§ 1. De veren met ponten, schuiten of booten, welke op de Maas bestaan of mogten daargesteld worden, ter plaatse waar deze rivier de grens daarstelt, behooren aan de beide landen in gemeenschap.

§ 2. Geen nieuw veer kan aangelegd worden, ten zij met gemeen overleg der beide gouvernementen.

§ 3. De veren zullen publiek verpacht worden, hetgeen beurtelings plaats zal hebben in een’ der beide Staten, volgens een tusschen de wederzijdsche administratien te bepalen bestek der aanbestedingen.

§ 4. De opbrengst der verpachtingen zal verdeeld worden bij helften, door middel van eene afrekening, te doen bij den aanvang van ieder jaar.

§ 5. Het materieel der veren, toebehoorende aan den eenen of anderen Staat, zal onderbonden, en, zoo noodig, hernieuwd worden, op gemeenschappelijke kosten.

§ 6. De policie der veren en het opzigt over het materieel, behooren aan de regering van het land waar de verpachtingen plaats gehad hebben. Te dien einde zullen de pachters verpligt zijn, des noods, in dat land domicilium te kiezen.

§ 7. Elke Staat zal op deszelfs oever en te zijner kosten, de voor de veren noodige aanlegplaatsen doen onderhouden, zich gedragende overeenkomstig het vastgestelde bij artikel 10.

§ 8. De administratien der beide landen zullen zich verstaan wegens de uitvoering der bepalingen van het tegenwoordig artikel.

AFDEELING II. Grenzen van de Maas af tot aan de Schelde.

Grens door laatstgemelden vloed gevormd, voor zoo ver die de provincie Antwerpen van die van Zeeland scheidt.

Artikel 14. Beschrijving der grens.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.