Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbetering van het Kanaal van Gent naar Terneuzen

Type Verdrag
Publication 1897-03-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en in Hoogst-Derzelver naam Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, uitvoering willende geven aan de bepalingen van artikel 11 van de overeenkomst tusschen Nederland en België, den 31sten October 1879 te Brussel gesloten, en te gelijker tijd willende overeenkomen omtrent de verbeteringen, die ten gevolge van den bouw eener nieuwe sluis te Terneuzen of uit anderen hoofde aan het Nederlandsche gedeelte van het kanaal van Gent naar Terneuzen en hetgeen daartoe behoort, alsmede aan de werken, die daarmede in verband staan, nuttig worden geacht, hebben te dien einde tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin-Regentes van het Koninkrijk der Nederlanden:

den heer jonkheer H. C. J. TESTA , commandeur van de orde van de Eikenkroon van Luxemburg, ridder derde klasse van de orde van de IJzeren Kroon van Oostenrijk, zaakgelastigde ad interim van de Nederlanden te Brussel;

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

den heer JULES DE BURLET, ridder van de Leopoldsorde, grootkruis van de orden van Onzer Lieve-Vrouwe Ontvangenis van Villa-Viçosa en van de Ster van Rumenië, grootkruis van de orde van Sint-Michaël van Beijeren, lid van den Senaat, Hoogst-deszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken;

dewelke, na mededeeling hunner in goeden en behoorlijken vorm bevonden wederzijdsche volmachten, nopens de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Art. 1

Behalve in de hieronder voorziene gevallen, zal, na de uitvoering der in de artikelen 2 en 3 genoemde werken, het kanaal tusschen Gent en Terneuzen slechts uit één pand bestaan.

Met wijziging van artikel 4 der overeenkomst van den 31sten October 1879, wordt het kanaalpeil tusschen Gent en Sas van Gent en tusschen Sas van Gent en Terneuzen, vastgesteld te Sas van Gent op 6,55 M. boven de slagdorpels der bestaande Oostsluis te Sas van Gent.

Het tegenwoordig peil van het kanaal beneden Sas van Gent zal niet verhoogd worden dan na de bedijking van de gronden van Sluiskil bedoeld in art. 2 van deze overeenkomst.

In den regel zullen de sluizen te Sas van Gent, met inbegrip van de beide sluishoofden, bedoeld in art. 3, lit. c, dezer overeenkomst, geopend blijven.

Echter zullen zij worden gesloten:

Telkenmale dat de Nederlandsche kanaaldirectie oordeelt, dat er termen bestaan, om de sluizen te Sas van Gent te sluiten, zal zij daarvan onmiddellijk aan de Belgische kanaaldirectie kennis geven.

Zoolang de sluizen te Sas van Gent gesloten zijn, zullen de schuttingen aldaar zoo spoedig als met de beschikbare middelen mogelijk is, verricht worden.

Art. 2

Op grond van art. 21 van het verdrag van 5 November 1842 en van het tweede lid van art. 3 der overeenkomst van den 31sten October 1879, in verband met het daartoe door de Belgische Regeering gedaan verzoek, verbindt de Nederlandsche Regeering zich om de gronden van Sluiskil volgens een door beide Regeeringen goed te keuren ontwerp te doen bedijken.

Art. 3

De Nederlandsche Regeering verbindt zich bovendien:

Art. 4

Na de voltooiing der in artikel 3 genoemde werken, zullen die maximum-snelheden, welke in artikel 8 van het bijzonder reglement van politie voor het Nederlandsch gedeelte van het kanaal van Gent naar Terneuzen (Koninklijk besluit van 9 Juli 1892, Staatsblad n°. 176) op minder dan 200 M. zijn vastgesteld, worden vermeerderd.

Echter zal die vermeerdering de verdedigingswerken der kanaalboorden niet in gevaar mogen brengen; zij zal, na overleg met de Belgische Regeering, door de Nederlandsche Regeering proefondervindelijk worden bepaald.

Art. 5

Tot verbetering van de doorsnijding van het kanaal te Sluiskil met den spoorweg van Gent naar Terneuzen, verbindt de Nederlandsche Regeering zich om gebruik te maken van de bevoegdheid die haar is toegekend bij artikel 4 van de wet van den 9den April 1875 (Saatsbtlad n°. 67).

De kosten der uit dien hoofde uit te voeren werken, alsmede de schadevergoeding en de kosten die uit de toepassing van gezegd artikel 4 zullen voortvloeien, zullen tot het door de Nederlandsche Regeering te bepalen bedrag ten laste van de Belgische Regeering komen.

Art. 6

Met wijziging van artikel 3 der overeenkomst van den 31sten October 1879 wordt het jaagpad aan de oostzijde van het kanaal, tusschen de brug te Sluiskil en Terneuzen, opgeheven.

Art. 7

Alle werken genoemd in de artikelen 2 en 3, alsmede die bedoeld in artikel 5, zullen worden uitgevoerd zonder de scheepvaart te stremmen en zooveel mogelijk zonder den waterspiegel van het kanaal te verlagen.

Art. 8

De Nederlandsche Regeering zal de teekeningen, begrootingen en bestekken doen opmaken van de werken welke op haar grondgebied moeten worden uitgevoerd.

Zij zal uiterlijk negen maanden na de dagteekening van de bekrachtiging dezer overeenkomst aan de goedkeuring der Belgische Regeering onderwerpen de voorloopige ontwerpen dier werken, het plan van onteigening en een programma, aanduidende de volgorde, waarin de werken zullen worden aanbesteed.

Zoodra de Belgische Regeering de voorloopige ontwerpen, het plan van onteigening en bedoeld programma zal hebben goedgekeurd, zal de Nederlandsche Regeering de noodige maatregelen nemen tot onteigening der voor de uitvoering der werken benoodigde gronden, alsmede voor het opmaken der volledige ontwerpen en bestekken der werken die achtereenvolgens aan de goedkeuring der Belgische Regeering zullen worden onderworpen.

Na de goedkeuring der volledige ontwerpen en bestekken door de Belgische Regeering, zal de Nederlandsche Regeering tot de aanbesteding der werken overgaan binnen twee maanden nadat zij hiertoe door de Belgische Regeering is uitgenoodigd, althans voor zoover de onteigening der gronden genoegzaam is gevorderd.

Art. 9

De aanbesteding der werken zal plaats hebben te Middelburg, op de wijze als in Nederland gebruikelijk is, maar in tegenwoordigheid van den hoofdingenieur, directeur der bruggen en wegen in de provincie Oost-Vlaanderen.

De Nederlandsche Regeering doet alle op haar grondgebied tot stand te brengen werken uitvoeren onder leiding en beheer van hare ambtenaren, onder gemeenschappelijk toezicht van den hoofdingenieur, directeur der bruggen en wegen in de provincie Oost-Vlaanderen en van den hoofdingenieur van den waterstaat in de provincie Zeeland.

De Nederlandsche Regeering zal alle noodige maatregelen nemen, opdat binnen den kortst mogelijken tijd de onteigeningen afgeloopen en de werken voltooid zijn.

Art. 10

De kosten van uitvoering der werken, omschreven in de artikelen 2 en 3, met inbegrip van de buitengewone kosten van toezicht op deze werken, alsmede die van onteigening der daartoe benoodigde gronden, komen geheel ten laste van de Belgische Regeering.

Intusschen zal de Nederlandsche Regeering geene schadevergoeding kunnen vorderen voor het voortdurend of tijdelijk in gebruik nemen van domein of andere aan den Staat der Nederlanden toebehoorende gronden.

De wijzigingen der bestaande werken tot kunstmatige verdediging der kanaalboorden tusschen Sas van Gent en Terneuzen, die zullen voortvloeien uit de verhooging van den waterspiegel ingevolge artikel 1, zullen door de Nederlandsche Regeering worden bepaald. De kosten dezer wijzigingen zijn ten laste der Belgische Regeering.

Art. 11

De kosten van uitvoering der werken op Nederlandsch grondgebied zullen door de Nederlandsche Regeering worden voorgeschoten en rechtstreeks door haar worden voldaan aan de aannemers op certificaten van betaling, af te geven door de hoofdingenieurs der bruggen en wegen en van den waterstaat in de provinciën Oost-Vlaanderen en Zeeland.

De kosten van onteigening der in te nemen gronden en de buitengewone kosten van toezicht worden eveneens door de Nederlandsche Regeering voorgeschoten.

Alle door de Nederlandsche Regeering gedane voorschotten worden door de Belgische Regeering terugbetaald.

Art. 12

De Nederlandsche Regeering verbindt zich om de krachtens de artikelen 2 en 3 dezer overeenkomst uit te voeren werken in goeden staat te onderhouden en in de bediening van alle krachtens genoemde artikelen te bouwen bruggen en sluizen te voorzien.

Zij verbindt zich bovendien om tot het onderhouden der diepte in het kanaal en in de voorhaven tot het vereischte baggerwerk over te gaan, wanneer de verondieping respectievelijk 0,40 M. en 0,50 M. bedraagt.

Ter vergoeding van de hieruit voortvloeiende uitgaven, verbindt de Belgische Regeering zich om de som van 58 300 gulden, welke zij krachtens artikel 10 van de overeenkomst van den 31sten October 1879 jaarlijks heeft te betalen, te brengen op f 92 000 gulden. De verhooging zal ingaan op den eersten dag der maand volgende op den dag dat de nieuwe sluis te Terneuzen voor de scheepvaart zal zijn opengesteld.

Deze som van 92 000 gulden zal verminderd worden met 700 gulden voor ieder jaar, (een gedeelte van een jaar voor een geheel gerekend) verloopende tusschen den dag, waarop de verdedigingswerken der kanaalboorden, bedoeld in artikel 3, lit. j, zullen voltooid zijn en den 1sten Januari 1904.

Van de hiergenoemde verdedigingswerken zijn echter uitgezonderd die langs het verbindingskanaal te Terneuzen, in de bocht van Sluiskil en langs den nieuwen kanaalarm te Sas van Gent.

Aan het verzoek dat de Belgische Regeering zal kunnen doen krachtens het laatste lid, sub a, van artikel 3, zal de Nederlandsche Regeering geen gevolg behoeven te geven dan nadat beide Regeeringen zullen zijn overeengekomen omtrent de som die de Belgische Regeering uit dien hoofde jaarlijks aan de Nederlandsche Regeering zal hebben te betalen.

Art. 13

Wanneer de Belgische Regeering te eeniger tijd eene nieuwe sluis te Terneuzen gebouwd en aan het Nederlandsche gedeelte van het kanaal de daarmede verband houdende wijzigingen aangebracht wenscht te zien, zoo zal de daartoe strekkende aanvraag het onderwerp van eene nader te sluiten overeenkomst tusschen de beide Regeeringen uitmaken.

Art. 14

Alle bepalingen der thans bestaande overeenkomsten en schikkingen tusschen beide Regeeringen blijven van kracht, voor zoover zij niet met de bepalingen van deze overeenkomst in strijd zijn.

Art. 15

Deze overeenkomst wordt gesloten onder voorbehoud van goedkeuring door de Wetgevende Machten.

Zij zal bekrachtigd, en de bekrachtigingen zullen uitgewisseld worden te Brussel binnen zes maanden, of vroeger, indien dit mogelijk is.

En foi de quoi les Plénipotentiaires respectifs l'ont signée et scellée en double original.

Fait à Bruxelles, le 29 juin 1895.

(get.) TESTA.

(get.) J. DE BURLET.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.