Overeenkomst tussen Nederland en België tot regeling van de afwatering van Vlaanderen

Type Verdrag
Publication 1843-08-29
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, hebben, ter uitvoering van artikel 8 van het tractaat van den 19den April 1839, ten opzigte der afwatering van Vlaanderen, wederzijds benoemd hunne commissarissen, te weten:

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, de heeren:

Jacob Snouck Hurgronje, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, lid der Tweede Kamer van de Staten-Generaal;

Johan Adriaan ridder van der Heim van Duyvendijke, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, griffier der Staten van Zeeland; en

Abraham Caland, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, hoofd-ingenieur van het corps ingenieurs van den waterstaat en der publieke werken, lid der Staten van Zeeland.

Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de heeren:

Jan Felix Noël, officier der Leopolds-orde, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw en van het Legioen van Eer, inspecteur-divisionnair van het corps der bruggen en wegen;

Jean Remy de Puydt, ridder der Leopolds-orde en versierd met het IJzeren Kruis, kolonel-directeur der genie, oud lid van de Kamer der Volksvertegenwoordigers;

Jan Jacobus de Brock, ridder der Leopolds-orde, hoofdingenieur van de 1ste klasse van het corps der bruggen en wegen;

Désiré Joseph le Jeune, ridder der Leopolds-orde, arrondissements-commissaris, lid van de Kamer der Volksvertegenwoordigers;

Matthias Josef Wolters, ridder der Leopolds-orde, hoofdingenieur van het corps der bruggen en wegen.

Dewelke, na hunne in goede orde bevonden volmagten te hebben uitgewisseld, en handelende overeenkomstig het bovengenoemde tractaat en dat van den 5den November 1842, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen:

AFDEELING I. Kanaal van Terneuzen.

Artikel 1

Overeenkomstig de bepalingen, vervat in artikel 20 van het tractaat van den 5den November 1842, zal het kanaal van Terneuzen, na den 5den November 1844, niet meer dienen dan voor de scheepvaart, en voor de uitloozing van het water, komende van het bovengedeelte deszelven kanaals en van het kanaal de Langeleede.

Artikel 2

Wanneer het kanaal, volgens de aanwijzing der daartoe, krachtens de laatste paragraaph van artikel 20 van het tractaat van 5 November 1842, door het Belgische gouvernement benoemde agenten, niet moet worden afgelaten, zal hetzelve bestendig op het gewoon peil van navigatie gehouden worden, hetwelk bepaald wordt als volgt:

Voor het gedeelte, begrepen tusschen Gent en Sas van Gent, op vier el veertig duim, (4.40 el) boven den slagbalk der bovensluis te Sas van Gent, en voor het gedeelte, tusschen laatstgenoemde stad en Terneuzen, op vier el twintig duim (4.20 el) boven genoemden slagbalk.

Artikel 3

In geval van noodzakelijk geoordeelde aftapping van het kanaal, voor de uitvoering van werken, hetzij van onderhoud of tot herstelling, op het Nederlandsch grondgebied, zal het tijdstip en de duur dier aftapping met gemeenschappelijk overleg der hoofd-ingenieurs in Zeeland en Oost-Vlaanderen bepaald worden.

Zoo die aftapping echter, ten gevolge van hoogst dringende omstandigheden, noodzakelijk wordt bevonden zonder dat het bedoelde overleg heeft kunnen plaats hebben, zal de Nederlandsche ambtenaar welke die aftapping bevolen heeft, de redenen daarvan onmiddellijk ter kennis brengen van den hoofd-ingenieur in Oost-Vlaanderen.

Artikel 4

De hoofd-ingenieur in de provincie Zeeland, de ingenieur van het arrondissement, de ambtenaar residerende te Sas van Gent of te Terneuzen, belast met de manoeuvers der sluizen, en de agenten van het Belgische gouvernement, hierboven in artikel 2 vermeld, zullen regtstreeks met elkander briefwisseling kunnen voeren.

AFDEELING II. Gronden, gelegen aan de regterzijde van het kanaal van Terneuzen.

Artikel 5

Het water der landen en polders van de gemeenten Selzate, Winkel, Wachtebeke, Moerbeke, Kemseke, Stekene en Clinge, zal zonder verhindering naar de waterleidingen en kreken op het Nederlandsch grondgebied blijven sueren, van waar hetzelve, te zijner tijd, naar de zee zal worden afgeleid, door middel der, ingevolge het tractaat van den 5den November ll., te maken werken.

De waterleidingen, sluizen, heulen en andere kunstwerken, gelegen op het Nederlandsch grondgebied en bestemd om het Belgisch water in gemeenschap te brengen met het nieuwe uitwaterings-kanaal, zullen door de zorg van het Nederlandsche gouvernement in eenen goeden staat onderhouden worden.

Artikel 6

Er wordt nogtans verstaan, dat de polders van het land van Waas, welker water te voren door de kreek aan het Boerenmagazijn sueerde, zich, des verkiezende, op nieuw van dezen uitweg zullen kunnen bedienen, mits te hunnen koste en zich gedragende overeenkomstig de Nederlandsche wetten en reglementen.

Artikel 7

In geval men nieuwe bedijkingen voor de polders van Saftingen en Nieuw-Aremberg mogt doen, zal de uitwatering der oude en nieuwe polders, ten koste der belanghebbenden, door de schorren worden geleid.

Inmiddels zal de afwatering in eene omgekeerde rigting, in 1805 voor den polder van Saftingen door dien van Kieldrecht, provisioneel toegestaan, in stand blijven.

AFDEELING III. Gronden, gelegen aan de linkerzijde van het kanaal van Terneuzen tot aan de Izabella-watering.

Artikel 8

De afwatering der landen van de watering die vóór 1830 bekend was onder den naam der watering van Assenede of St. Albert, en welke door de Amelia- en de Zwarte sluis, gelegen in den dijk tusschen de Smallegelanden en St. Pieterspolder, plaats had, zal, te gelegener tijd, naar zee worden geleid, door middel der vereischte werken, welke het Nederlandsche gouvernement, ingevolge het tractaat van den 5den November ll., zal doen uitvoeren.

De waterleidingen, sluizen, heulen en andere kunstwerken, gelegen op het Nederlandsch grondgebied en bestemd om het Belgische water in gemeenschap te brengen met het nieuwe middel van uitwatering, zullen door de zorg van het Nederlandsche gouvernement in eenen goeden staat onderhouden worden.

Artikel 9

De afwatering der polders en landen, zoo wel in de Nederlanden als in Belgie, welke gelegen zijn aan de linkerzijde van het kanaal van Terneuzen, en die zich tegenwoordig door de sluizen beneden Sas van Gent ontlasten, zal te zamen kunnen geleid worden naar de nieuwe door het Nederlandsche gouvernement, volgens het tractaat van den 5den November ll., daar te stellen uitwatering.

Artikel 10

De vereeniging van de watering der Zwarte sluis, ingesteld bij besluit van Zijne Majesteit den Koning der Belgen, dd. 15 December 1833, zal de vrijheid hebben om, behalve de afwateringsmiddelen hierboven genoemd, zich, te haren koste, te blijven bedienen van diegene, welke zij thans bezit.

Te dien einde zal zij het gebruik en het beheer behouden van de zeesluis, nevens de Izabella-sluis in de haven van Bouchoute gebouwd, en van de daartoe behoorende waterleidingen en andere werken.

Het water van deze watering zal bij voortduring door den Grooten Izabella-polder kunnen blijven afloopen.

Artikel 11

De thans in functie zijnde directie der gezegde watering wordt in stand gehouden.

In het vervolg zullen de personen die tot deze directie benoemd worden, hunne betrekking op het Nederlandsch grondgebied niet kunnen uitoefenen, dan na de homologatie hunner benoeming door het Nederlandsche gouvernement.

Deze homologatie zal beschouwd worden als te zijn verleend, indien, na verloop van twee maanden, te rekenen van den dag der mededeeling van de benoemingen aan het Nederlandsche gouvernement, hetzelve aan het Belgische gouvernement deszelfs redenen van weigering niet heeft bekend gemaakt.

Artikel 12

De Nederlandsche polders, of gedeelten derzelve, welke daarbij belang hebben, zullen op dezelfde voorwaarden als de Belgische landen, deel dezer watering kunnen uitmaken.

AFDEELING IV. Izabella-watering.

Artikel 13

De vereeniging, uitmakende de Izabella-watering, behoudt het gebruik en het beheer der zeesluis, bekend onder den naam van de Izabella-sluis, en van de daartoe behoorende werken.

Artikel 14

De thans in functie zijnde directie der gezegde watering wordt in stand gehouden.

In het vervolg zullen de personen welke tot deze directie benoemd worden, hunne betrekking niet op het Nederlandsch grondgebied kunnen uitoefenen, dan na de homologatie hunner benoeming door het Nederlandsche gouvernement.

Deze homologatie zal beschouwd worden als te zijn verleend, indien na verloop van twee maanden, te rekenen van den dag der mededeeling van de benoemingen aan het Nederlandsche gouvernement, hetzelve aan het Belgische gouvernement deszelfs redenen van weigering niet heeft bekend gemaakt.

AFDEELING V. Watering van den Kapitalen-Dam.

Artikel 15

De vereeniging der watering van den Kapitalen-Dam zal uit twee afdeelingen bestaan. De eene zal het beheer voeren over de landen liggende op het Nederlandsch grondgebied, en de andere over die gelegen in Belgie.

Artikel 16

Elke afdeeling, afzonderlijk door de respective gouvernementen georganiseerd, zal haar bijzonder beheer hebben, volgens een reglement door haar vastgesteld en door het gouvernement goedgekeurd.

Van deze reglementen, zoowel als van de veranderingen welke daarin in het vervolg mogten worden gebragt, zal mededeeling gedaan worden aan de centrale directie, ingesteld bij artikel 18.

Artikel 17

Het beheer van ieder der beide afdeelingen zal geheel onafhankelijk van de andere blijven, voor zoo veel betreft de werken die noodig zijn om het water naar den algemeenen boezem der Ligne of Passageule te leiden, gelijk ook, in het algemeen, wat de inwendige belangen van derzelver grondgebied aangaat.

Met dien verstande nogtans, dat geene beletselen zullen mogen worden daargesteld aan den afloop van het water der Belgische afdeeling door de Nederlandsche Groote Jonkvrouw- en Passageule polders; zullende gemelde afdeeling, te allen tijde, al de vereischte werken tot onderhoud der in gemelde polders gelegen watergangen kunnen doen, welke in het belang harer afwatering noodig zijn.

De bruggen, heulen, buizen en watergangen in beide die polders zullen echter niet mogen verwijd worden, zonder toestemming der centrale directie.

Artikel 18

Er zal eene centrale directie worden ingesteld, bestaande uit den directeur en twee gezworenen van iedere afdeeling. Het voorzitterschap in dezelve zal bekleed worden door den directeur der Nederlandsche afdeeling. Zij zal zich eenen penningmeester toevoegen, welke de functien van griffier zal waarnemen.

De centrale directie zal van de in functie treding harer leden kennis geven aan de Gedeputeerde Staten van Zeeland, en aan de permanente deputatie van den provincialen Raad van Oost-Vlaanderen.

Artikel 19

De centrale directie wordt uitsluitend belast met het beheer der sluis van den Kapitalen-Dam, van de Magdalena en van het Verlaat, met derzelver aankleve, en van de waterleiding genaamd de Ligne of Passageule, van af de buitenzijde der St. Margaretha-sluis tot aan de zoo even genoemde zeesluizen, alsmede van al de bruggen en heulen over gezegde waterleiding gelegen.

Artikel 20

Zij zal de noodige zorg dragen, dat het water der beide afdeelingen zich met den meest mogelijken spoed ontlaste, en te dien einde alle vereischte werken aan voornoemde waterleiding en aan bovengemelde kunstwerken doen uitvoeren.

Artikel 21

De centrale directie zal, zoo spoedig mogelijk, een reglement van administratie vaststellen, na ingewonnen advies der algemeene vergadering van ingelanden van elke afdeeling.

Dit reglement zal, met bijvoeging der deliberatien dier vergaderingen, aan de goedkeuring van het Nederlandsche gouvernement onderworpen worden.

Deze stukken zullen, tot informatie, worden medegedeeld aan de permanente deputatie van den provincialen Raad van Oost-Vlaanderen.

Artikel 22

Elke afdeeling zal een aan hare oppervlakte geëvenredigd aandeel betalen in de kosten der te maken werken, waarvan bet beheer aan de centrale directie is opgedragen.

Deze bijdrage zal ambtshalve op de begrooting van elke afdeeling gebragt en, op ordonnantie der centrale directie, in de kas van derzelver penningmeester worden gestort.

Afschriften van de begrooting en van de specifieke rekening der door de centrale directie gedane uitgaven, zullen jaarlijks aan de directie van elke afdeeling, ter mededeeling aan de algemeene vergadering, gezonden worden.

AFDEELING VI. Watering van Slippendamme (Eecloo en Lembeke).

Artikel 23

De suatie van de watering Slippendamme (Eecloo en Lembeke) zal voortdurend plaats hebben door de sluis gelegen buiten de stad Aardenburg en door de Oostsluis op het Zwin.

Artikel 24

De directie der watering blijft belast met het onderhoud van den Eeclooschen watergang, met de sluis te Aardenburg en met de in de gemeente St. Kruis liggende bruggen, bekend onder de namen van:

De kaden van dezen watergang boven Aardenburg, zullen door gezegde watering hersteld en onderhouden worden op eene hoogte, gelijk met de bovenvlakte der leggers van de gemetselde brug over den watergang, op het punt van doorsnijding van den weg van Aardenburg naar Maldegem.

Deze kaden zullen eene kruinsbreedte moeten hebben van vijf en zeventig duim (0.75 el), en een beloop van twee op één, aan den kant van het water, en van anderhalf op één aan de landzijde.

Artikel 25

De sluis te Aardenburg zal gesloten worden wanneer het water in den polder van Bewestereede - Benoorden het hoogst draagbare peil zal bereikt hebben, bepaald op ééne el vijf en zeventig duim (1.75 el) boven den vloer van de Oostsluis, zonder nogtans boven het peil van den Eeclooschen Watergang, bepaald op ééne el achttien duim (1.18 el) boven den vloer der sluis, gelegen aan de haven van Aardenburg, ter regterzijde van die van den Eeclooschen Watergang, te zijn gerezen.

Artikel 26

Wanneer het water hooger dan beide die peilen mogt komen, zal de sluis te Aardenburg zoodanig worden gemanoeuvreerd, dat het water van den polder en van den watergang zich beurtelings kunnen ontlasten.

Artikel 27

De sluis, genaamd de Oostsluis en de daartoe betrekkelijke zeewerken, zullen onderhouden worden ten koste van gezegde watering en van de polders welke zich daarvan voor hunne afwatering zullen bedienen, ieder in verhouding tot hunne oppervlakte.

Artikel 28

Het beheer der Oostsluis zal opgedragen worden aan eene directie, bestaande uit vier leden, waarvan twee benoemd zullen worden door de directien der Nederlandsche polders, door welke het water van gezegde watering loopt, en die hunne afwatering door genoemde sluis hebben, en twee door de directie der watering van Slippendamme (Eccloo en Lembeke).

Zij zal door een der Nederlandsche leden voorgezeten worden en zich eenen penningmeester, die tevens de functien van griffier zal waarnemen, toevoegen.

De directie zal van de in functie treding harer leden kennis geven aan de Gedeputeerde Staten van Zeeland en aan de permanente deputatie van den provincialen Raad van Oost-Vlaanderen.

Artikel 29

De directie zal, zoo spoedig mogelijk, na ingewonnen advies van de directien der polders en watering in het voorgaande artikel genoemd, een reglement van administratie vaststellen.

Dit reglement zal, met overlegging der deliberatien van genoemde directien, aan de goedkeuring van het Nederlandsche gouvernement worden onderworpen.

Deze stukken zullen, tot informatie, aan de permanente deputatie van den provincialen Raad van Oost-Vlaanderen worden medegedeeld.

AFDEELING VII. Watering van Slippendamme (Maldegem).

Artikel 30

De afwatering der landen van de watering Slippendamme (Maldegem), en van al het water dat zich thans in de Eede ontlast, zal voortdurend plaats hebben volgens de overeenkomst van den tweeden October 1828.

Artikel 31

De watering van Slippendamme (Maldegem) wordt gemagtigd, om, te haren koste, de opening der sluis, gelegen op het eind der Aardenburgsche vaart, te vergrooten, na zich deswege te hebben verstaan met het bestuur der stad Sluis.

Artikel 32

De kaden ter wederzijde van de Eedevaart, van af de scheiding der beide Rijken tot aan de stad Aardenburg, zullen door genoemde watering hersteld en onderhouden worden ter hoogte van vijftig duim (0.50 el) boven de gemetselde landhoofden der brug, liggende voor de kerk der gemeente Eede.

Deze kaden zullen vijf en zeventig duim (0.75 el) kruinsbreedte hebben en een beloop, aan de zijde van het water, van twee op één, en aan de zijde der landen, van anderhalf op één.

AFDEELING VIII. Watering van de Passluis.

Artikel 33

De afwatering der landen van de watering der Passluis naar het Zwin, zal door middel der aanwezige werken voortduren.

Artikel 34

De thans in functie zijnde directie wordt in stand gehouden.

De nieuwe benoemingen zullen ter kennis gebragt worden van Gedeputeerde Staten der provincie Zeeland en van de permanente deputatie van den provincialen Raad van West-Vlaanderen.

Het lid der directie, welke den op het Nederlandsch grondgebied gelegen, in artikel 3 van het reglement van den 25sten Maart 1817 vermelden polder moet vertegenwoordigen, zal uit de Nederlandsche eigenaren worden gekozen.

Artikel 35

De directie en de algemeene vergadering zullen zich ter plaatse vereenigen, waar zij zulks geschikt zullen oordeelen.

Zij zullen worden voorgezeten door het Nederlandsch lid.

Artikel 36

Het bestaande reglement blijft van kracht in al deszelfs beschikkingen welke door de voorgaande artikelen niet zijn gewijzigd.

AFDEELING IX. Algemeene bepalingen.

Artikel 37

De directien der wateringen of sluizen, in de tegenwoordige overeenkomst vermeld, zullen gehouden zijn zich ten aanzien der op het Nederlandsch grondgebied uit te voeren werken en ten aanzien der geschotsrollen, voor zoo ver die het Nederlandsch gedeelte der wateringen betreffen, te gedragen overeenkomstig de in het Koningrijk der Nederlanden, betrekkelijk de polders of wateringen in het algemeen, bestaande of nader uit te vaardigen reglementen en besluiten-

Artikel 38

De afmetingen der kanalen en de uitwateringen der in Belgie aanwezige kunstwerken, strekkende tot aflozing van het Vlaamsche water naar het Nederlandsch grondgebied, zullen niet mogen vergroot worden, zonder toestemming van het Nederlandsche gouvernement.

Het is insgelijks verboden om de afmetingen en de uitwateringen van de op het Nederlandsch grondgebied gelegen kunstwerken, dienende tot afloop van hetzelfde water, te verminderen, zonder de toestemming van het Belgische gouvernement.

De kunstwerken, met hunne afmetingen, in dit artikel bedoeld, zijn met rood aangewezen op de hiernevens in drie bladen gevoegde kaart, te weten:

Artikel 39

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.