Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbetering van het kanaal van Terneuzen naar Gent en de regeling van enige daarmede verband houdende aangelegenheden
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en
Zijne Majesteit de Koning der Belgen,
Verlangende het kanaal van Terneuzen naar Gent te verbeteren en tevens enige daarmede verband houdende aangelegenheden te regelen,
Hebben besloten te dien einde een verdaag te sluiten en hebben tot Hun gevolmachtigden benoemd, te weten:
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:
Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken;
Zijne Majesteit de Koning der Belgen:
Zijne Excellentie de Heer P. Wigny, Minister van Buitenlandse Zaken;
Die na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt:
HOOFDSTUK A. Verbetering van het kanaal van Terneuzen naar Gent
TITEL I. Uit te voeren werken
Artikel 1
Teneinde het kanaal van Terneuzen naar Gent op Nederlands gebied te verbeteren en in verband daarmede enige nadere voorzieningen te treffen zullen de volgende werken worden uitgevoerd:
- a). het bouwen van een nieuwe zeevaartsluis en een nieuwe binnenvaartsluis, onderscheidenlijk ten westen en ten oosten van de bestaande Westsluis te Terneuzen, alsmede het bouwen van bruggen ten behoeve van het wegverkeer over de nieuwe sluizen;
- b). het opruimen van de bestaande Oost- en Middensluis te Terneuzen en het in verband daarmede wijzigen van de waterkering;
- c). het aanleggen van twee buitenvoorhavens, onderscheidenlijk bestemd voor de nieuwe zeevaartsluis en de bestaande Westsluis en voor de nieuwe binnenvaartsluis;
- d). het verbreden en verdiepen van het kanaal over zijn gehele lengte op Nederlands gebied, alsmede het wijzigen van het kanaaltracé te Terneuzen, onder Sluiskil en tussen Sas van Gent en de Belgisch-Nederlandse grens, daaronder begrepen het dempen van enige gedeelten van het te verlaten tracé, het opruimen van de sluizen te Sas van Gent en van de bestaande bruggen te Sluiskil en Sas van Gent;
- e). het verleggen van de aan de westelijke zijde van het kanaal gelegen waterleiding, alsmede het maken van een nieuwe uitwateringssluis daarvoor;
- f). het bouwen van bruggen over het kanaal ten behoeve van het wegverkeer ten noorden van Sluiskil en te Sas van Gent, alsmede het aanleggen van een veerverbinding te Sluiskil, daaronder begrepen de bouw van een veerpont en van de benodigde aanleggelegenheden en de uitvoering van de bijbehorende wegaansluitingen;
- g). het aanleggen van nieuwe weggedeelten in de Nederlandse Rijksweg nr 61 (Terneuzen–Belgische grens) en van nieuwe bedieningswegen;
- h). het bouwen van een spoorbrug ten noorden van Sluiskil en het daarbij aanpassen van de spoorwegwerken;
- i). alle voorkomende werken en voorzieningen van tijdelijke of blijvende aard, welke noodzakelijk of wenselijk blijken in verband met of als gevolg van de uitvoering van de bovenbedoelde werken ten behoeve van een doelmatige bediening en een economisch gebruik daarvan en ter aanpassing van de bestaande toestand aan de nieuwe werken.
Artikel 2
De in artikel 1 bedoelde werken zullen worden uitgevoerd met inachtneming van de gegevens, vermelden de aan dit Verdrag toegevoegde beschrijving van de werken (Bijlage I) en de daarbij behorende tekening (Bijlage II). Afwijking van deze gegevens zal slechts kunnen geschieden overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 7 en 8.
TITEL II. Voorbereiding en uitvoering der werken
Artikel 3
De Nederlandse Regering zal zorg dragen voor de voorbereiding en uitvoering van de in artikel 1 bedoelde werken, daaronder begrepen het opmaken van de plannen en aanbestedingsbescheiden, de verkrijging in eigendom van de benodigde onroerende goederen, de berging van de vrijkomende grond, de aankoop van materialen en de aanbesteding, een en ander op de in Nederland voor overeenkomstige Rijkswerken gebruikelijke wijze.
Artikel 4
De Nederlandse Minister belast met de zaken van de Waterstaat zal aan de Belgische Minister, die het Bestuur van Bruggen en Wegen (Bestuur der Waterwegen) onder zijn bevoegdheid heeft mededelen, welke Nederlandse hoofdambtenaar door hem met de leiding van en het toezicht op de voorbereiding en uitvoering van de werken is belast. Deze hoofdambtenaar zal met een daartoe door de genoemde Belgische Minister aangewezen hoofdambtenaar regelmatig overleg plegen over alle vraagstukken van gemeenschappelijk belang, welke zich bij de voorbereiding en uitvoering mochten voordoen. De bedoelde hoofdambtenaren zullen wederzijds de machtigingen ontvangen, welke nodig zijn om een doelmatig overleg en een goede voortgang van de werkzaamheden te verzekeren.
Artikel 5
De genoemde Nederlandse Minister zal de ontwerp-bestekken en ontwerp-overeenkomsten tot uitvoering van werken ter goedkeuring toezenden aan de genoemde Belgische Minister. In deze stukken kunnen de genoemde Ministers afwijken van de in artikel 2 bedoelde gegevens. De genoemde Belgische Minister ontvangt afschriften van de gesloten aannemingsovereenkomsten.
Artikel 6
1). De levering van materialen en de uitvoering van werken zal na openbare aanbesteding daarvan worden opgedragen volgens de in Nederland gebruikelijke regelen.
2). In gevallen, dat het houden van een openbare aanbesteding niet mogelijk of niet wenselijk is in verband met de bijzondere aard van een levering of een werk, de geboden spoed daarmede of het financiële belang van de beide landen, zal ondershandse aanbesteding kunnen plaats vinden.
3). Tot ondershandse aanbesteding zal niet worden overgegaan dan na overleg tussen de genoemde Ministers, behoudens wanneer het leveringen of werken betreft, waarvan de raming een bedrag van 75.000 gulden niet overschrijdt. De keuze der uit te nodigen leveranciers c.q. aannemers zal mede in bedoeld overleg worden betrokken.
Artikel 7
1). Tijdens de uitvoering noodzakelijk of wenselijk blijkende wijzigingen, afwijkingen of aanvullingen van de overeenkomstig artikel 5 goedgekeurde stukken worden door de genoemde Nederlandse hoofdambtenaar ter goedkeuring voorgelegd aan de genoemde Belgische hoofdambtenaar.
2). Indien een afwijking van de in artikel 2 bedoelde gegevens dan wel een verhoging van de kosten tot een totaal van meer dan 10 % van de aannemingssom daaraan het gevolg zou zijn, is de goedkeuring van de genoemde Ministers vereist, zulks echter met dien verstande dat deze goedkeuring bij afwijkingen beneden de 50.000 gulden niet, en boven de 500.000 gulden steeds zal zijn vereist.
Artikel 8
Indien onvoorziene werken of maatregelen nodig zijn, welke een spoedeisend karakter hebben, zullen deze kunnen worden uitgevoerd of getroffen zonder dat de in artikel 7 bedoelde goedkeuring van Belgische zijde is verkregen. In deze gevallen zal de genoemde Nederlandse hoofdambtenaar de genoemde Belgische hoofdambtenaar hiervan zo spoedig mogelijk in kennis stellen.
Artikel 9
De Nederlandse Regering zal haar beleid ten aanzien van de grondberging en de keuze van de daarvoor te gebruiken terreinen er niet in de eerste plaats op richten om de onmiddellijk langs het kanaal gelegen gronden op te hogen, doch zal trachten enerzijds de kosten van het werk zo laag mogelijk te houden en anderzijds de vermindering van de cultuurwaarde van de voor grondberging te gebruiken terreinen zo gering mogelijk te doen zijn.
Artikel 10
De goedkeuring van de door de aannemers opgeleverde werken geschiedt niet dan na overleg met de genoemde Belgische hoofdambtenaar.
TITEL III. Kostenverdeling
Artikel 11
Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 12 tot en met 16 komen alle kosten van voorbereiding en uitvoering der in artikel 1 bedoelde werken voor 80 % ten laste van België en voor 20 % ten laste van Nederland.
Artikel 12
Onder de in artikel 11 bedoelde kosten zijn onder meer begrepen:
- a). de aan derden te betalen koopsommen en vergoedingen voor de aankoop of onteigening van onroerende goederen, alsmede de overige kosten van aankoop en onteigening, met dien verstande dat het Koninkrijk der Nederlanden het door het Koninkrijk België betaalde aandeel in de zuivere verkoopwaarde van de voor grondberging verworven terreinen zal terugbetalen zodra die terreinen weer aan derden worden verkocht of in gebruik gegeven;
- b). de vergoeding van de kosten, welke voor de Staat der Nederlanden of derden uit de ingebruikneming van de op 1 januari 1959 aan de Staat der Nederlanden toebehorende gronden voortvloeien wegens beëindiging van erfpacht of pacht, terzake van opstallen, wegens waardevermindering van niet benodigde perceelsgedeelten, snijschade, gebouwenschade, inkomensschade, aanpassing bij vervanging van gebouwen, kosten van wederbelegging en dergelijke, met dien verstande dat voor de zuivere verkoopwaarde van deze gronden geen verrekening zal plaats vinden;
- c). de vergoeding van de kosten, welke door de Staat der Nederlanden of derden als gevolg van de uitvoering van de in artikel 1 bedoelde werken worden gemaakt teneinde in of in de nabijheid van het kanaal aanwezige kabels, duikers en andere werken weg te nemen, aan te brengen, te herstellen, te vervangen of te verplaatsen;
- d). de vergoeding wegens hogere tractiekosten, zoals die in soortgelijke gevallen door de N.V. Nederlandsche Spoorwegen in rekening worden gebracht in verband met de ten opzichte van de bestaande spoorbrug gewijzigde ligging van de in artikel 1, onder h, bedoelde spoorbrug;
- e). de vergoeding van alle overige schade als gevolg van de uitvoering der in artikel 1 bedoelde werken, welke de Staat der Nederlanden gehouden is aan derden uit te keren;
- f). de kosten van adviezen, laboratoriumproeven en andere medewerking van anderen dan de diensten van de Nederlandse Rijkswaterstaat;
- g). de bijkomende kosten van administratie, opstelling der plannen en bestedingsstukken, toezicht op de uitvoering en dergelijke.
Artikel 13
De genoemde hoofdambtenaren zullen, wanneer daartoe van Belgische zijde de wens te kennen wordt gegeven, overleg plegen over de in artikel 12, onder a, b, c, d en e, bedoelde koopsommen en vergoedingen.
Artikel 14
De in artikel 12, onder b en c, bedoelde vergoedingen zullen, voorzover zij geschieden ten behoeve van de Staat der Nederlanden of derden, jegens welke de Staat der Nederlanden niet tot het verlenen van deze vergoedingen is gehouden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13, door de genoemde Nederlandse Minister overeenkomstig maatstaven van billijkheid en goed bestuur worden vastgesteld.
Artikel 15
Indien door de N.V. Nederlandsche spoorwegen aan de in artikel 1, onder h, bedoelde spoorbrug hogere belastingeisen zullen worden gesteld dan die, waaraan de bestaande brug voldoet, zullen de meerdere kosten, die daarvan het gevolg zijn, uitsluitend voor Nederlandse rekening komen.
Artikel 16
De in artikel 12, onder g, bedoelde kosten worden, voorzover zij door de Nederlandse Rijkswaterstaat worden gemaakt, voor de vaststelling van het Belgische aandeel in die kosten geacht 2½ % van alle overige kosten van voorbereiding en uitvoering te bedragen.
Artikel 17
Het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 16 is eveneens van toepassing op:
- a). de bijkomende werken en voorzieningen als bedoeld in artikel 1, onder i, waarvan de noodzaak of wenselijkheid eerst na voltooiing of ingebruikneming der overige werken blijkt;
- b). de bijzondere onderhoudswerkzaamheden en voorzieningen, welke nog tot de uitvoering der werken moeten worden gerekend.
Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt slechts voorzover deze werken noodzakelijk of wenselijk worden geacht binnen drie jaar na de eerste oplevering van het werk, waarvan ze als nakomend of afrondingswerk moeten worden beschouwd.
Artikel 18
De Belgische Regering zal generlei aanspraak kunnen maken op de eigendom van de in het verleden of overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag uitgevoerde werken, noch op de ten behoeve van de uitvoering daarvan door de Nederlandse Regeling aangekochte, onteigende of ter beschikking gestelde roerende of onroerende goederen.
TITEL IV. Regeling der betalingen
Artikel 19
De in de artikelen 11, 12 en 17 bedoelde kosten worden door de Nederlandse Regering voorgeschoten en voor zoveel nodig door haar rechtstreeks aan derden voldaan.
Artikel 20
1). De genoemde Nederlandse Minister doet de genoemde Belgische Minister na afloop van iedere kalendermaand een declaratie toekomen voor het Belgische aandeel in de in die maand gedane betalingen.
2). Vergoedingen wegens de ingebruikneming van door de Nederlandse Regering ter beschikking gestelde gronden of materialen worden, voorzover zij niet aan derden worden betaald, gedeclareerd na afloop van de maand, waarin deze gronden of materialen voor de werken ter beschikking zijn gesteld.
Artikel 21
De in artikel 12, onder g, bedoelde kosten worden in rekening gebracht door verhoging van de maandelijkse declaraties overeenkomstig het bepaalde in artikel 16.
Artikel 22
De Belgische Regering verplicht zich tot betaling binnen zes weken na ontvangst van de in artikel 21 bedoelde declaraties. De betaling geschiedt in guldens.
Artikel 23
1). Indien de genoemde Belgische Minister bezwaar maakt tegen in een declaratie voorkomende bedragen, stelt hij de genoemde Nederlandse Minister hiervan vóór het verstrijken van de in artikel 22 genoemde termijn in kennis. De genoemde hoofdambtenaren en zo nodig de genoemde Ministers zullen over deze bedragen zo spoedig mogelijk overleg plegen.
2). De Belgische Regering verplicht zich de in dit overleg vastgestelde bedragen te betalen zo spoedig mogelijk na het bereiken van overeenstemming daarover.
3). Ten aanzien van de bedragen, waartegen niet tijdig bezwaren zijn kenbaar gemaakt is het bepaalde in artikel 22 onverminderd van toepassing.
Artikel 24
1). Bij overschrijding van de in artikel 22 genoemde termijn zal de Belgische Regering voor de duur van de overschrijding een enkelvoudige rentevergoeding verschuldigd zijn berekend tegen 6 % per jaar.
2). Ten aanzien van de bedragen, waartegen overeenkomstig artikel 23, eerste lid, bezwaar is gemaakt, zal deze rentevergoeding over de in het daarbedoelde overleg vastgestelde bedragen eveneens voor de duur van de overschrijding van de in artikel 22 genoemde termijn van zes weken na ontvangst van de oorspronkelijke declaratie worden berekend.
TITEL V. Onderhoud en bediening der werken
Artikel 25
De Nederlandse Regering zal zorg dragen voor het onderhoud en de bediening van de ingevolge dit Verdrag ten behoeve van de scheepvaart op Nederlands gebied aangelegde of verbeterde kanaal- en kunstwerken, alsmede voor het onderhoud en de bediening van de over het Nederlands gedeelte van het kanaal aanwezige oeververbindingen. Behoudens het bepaalde in artikel 17 en in artikel 55, eerste lid, komen de kosten hiervan ten laste van Nederland.
Artikel 26
Indien een van beide Hoge Verdragsluitende Partijen te kennen geeft het geheel of voor een belangrijk gedeelte vernieuwen van de sluizen of bruggen dan wel de bouw van nieuwe sluizen of bruggen wenselijk te achten, zal deze aangelegenheid het onderwerp van overleg tussen de beide Regeringen uitmaken.
TITEL VI. Verontreiniging van het kanaalwater
Artikel 27
Onverminderd de verplichtingen welke voor de Hoge Verdragsluitende Partijen voortvloeien uit multilaterale overeenkomsten, zullen zij er voor zorg dragen, dat het kanaalwater nabij de Belgisch-Nederlandse grens beantwoordt aan de kwaliteitsnormen genoemd in Bijlage III bij dit Verdrag.
Artikel 28
De genoemde Belgische Minister en de genoemde Nederlandse Minister zullen ter uitvoering van het behaalde in paragraaf I, onder d, van Bijlage III bij dit Verdrag de aanvaardbare concentratie van scheikundige stoffen nader vaststellen. De genoemde Ministers kunnen in onderlinge overeenstemming de kwaliteitsnormen genoemd in die Bijlage wijzigen.
Artikel 29
De beide Regeringen zullen elkaar terzake van bestaande of nog op te richten installaties, welke vloeibare en/of vaste radioactieve afval afstoten in het op hun gebied gelagen kanaalgedeelte, alle gegevens verschaffen, welke noodzakelijk zijn om de radioactieve besmetting van het kanaalwater tengevolge van deze afvoer vast te stellen. Deze gegevens zullen onder meer omvatten een gedetailleerde opgave van de aard en de hoeveelheid van de geloosde of te lozen radioactieve stoffen, alsmede de plaats en de omstandigheden van de lozing,
Artikel 30
Indien normen voor grensoverschrijdende wateren, vastgesteld op grond van het op 25 maart 1957 te Rome gesloten Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) of van enige andere de beide Regeringen bindende overeenkomst, dan wel de analyseresultaten daartoe aanleiding geven, zullen de genoemde Ministers de kwaliteitsnormen betreffende de radioactiviteit in onderlinge overeenstemming herzien.
Artikel 31
De Belgische en de Nederlandse technische diensten zullen geregeld, doch ten minste vier maal per jaar, gemeenschappelijke waarnemingen doen tot vaststelling van de toestand van het kanaalwater bij de Belgisch-Nederlandse grens en daarover een gemeenschappelijk verslag uitbrengen aan de Belgische en Nederlandse Regeringen.
TITEL VII. Verzilting en wateronttrekking
Artikel 32
De beide Regeringen zullen elk op haar gebied de nodige maatregelen treffen om te bewerkstelligen dat het zoutbezwaar beperkt blijft. De wederzijdse technische diensten zullen terzake met elkaar in verbinding staan om deze maatregelen aan te passen aan de wisselende omstandigheden. Er zullen geen maatregelen van bijzondere aard genomen worden dan na overleg met de dienst van de andere Verdragsluitende Partij.
De Belgische Regering zal ervoor zorg dragen dat de door het Belgische aan het Nederlandse gedeelte van het kanaal gebruikelijk minimaal toegevoegde hoeveelheid zoet water niet wordt onderschreden, tenzij een eventuele onderschrijding van deze voeding ondervangen wordt door andere maatregelen die een zelfde effect hebben op de beperking van het zoutbezwaar.
De gebruikelijke minimale hoeveelheid zoet voedingswater bedraagt 13 m3/sec., gemeten over een tijdsbestek van twee maanden. De toegevoegde hoeveelheid wordt berekend aan de hand van de bij de Tolhuisstuw of het later vervangend kunstwerk te Gent op het Belgisch gedeelte van het kanaal ingelaten hoeveelheid.
De Nederlandse Regering zal er zorg voor dragen dat de door de sluizen van Terneuzen toetredende hoeveelheid zout water zoveel mogelijk beperkt blijft.
Artikel 33
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.