Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbetering van het kanaal van Terneuzen naar Gent en de regeling van enige daarmede verband houdende aangelegenheden

Type Verdrag
Publication 1987-06-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Verlangende het kanaal van Terneuzen naar Gent te verbeteren en tevens enige daarmede verband houdende aangelegenheden te regelen,

Hebben besloten te dien einde een verdaag te sluiten en hebben tot Hun gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken;

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de Heer P. Wigny, Minister van Buitenlandse Zaken;

Die na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt:

HOOFDSTUK A. Verbetering van het kanaal van Terneuzen naar Gent

TITEL I. Uit te voeren werken

Artikel 1

Teneinde het kanaal van Terneuzen naar Gent op Nederlands gebied te verbeteren en in verband daarmede enige nadere voorzieningen te treffen zullen de volgende werken worden uitgevoerd:

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde werken zullen worden uitgevoerd met inachtneming van de gegevens, vermelden de aan dit Verdrag toegevoegde beschrijving van de werken (Bijlage I) en de daarbij behorende tekening (Bijlage II). Afwijking van deze gegevens zal slechts kunnen geschieden overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 7 en 8.

TITEL II. Voorbereiding en uitvoering der werken

Artikel 3

De Nederlandse Regering zal zorg dragen voor de voorbereiding en uitvoering van de in artikel 1 bedoelde werken, daaronder begrepen het opmaken van de plannen en aanbestedingsbescheiden, de verkrijging in eigendom van de benodigde onroerende goederen, de berging van de vrijkomende grond, de aankoop van materialen en de aanbesteding, een en ander op de in Nederland voor overeenkomstige Rijkswerken gebruikelijke wijze.

Artikel 4

De Nederlandse Minister belast met de zaken van de Waterstaat zal aan de Belgische Minister, die het Bestuur van Bruggen en Wegen (Bestuur der Waterwegen) onder zijn bevoegdheid heeft mededelen, welke Nederlandse hoofdambtenaar door hem met de leiding van en het toezicht op de voorbereiding en uitvoering van de werken is belast. Deze hoofdambtenaar zal met een daartoe door de genoemde Belgische Minister aangewezen hoofdambtenaar regelmatig overleg plegen over alle vraagstukken van gemeenschappelijk belang, welke zich bij de voorbereiding en uitvoering mochten voordoen. De bedoelde hoofdambtenaren zullen wederzijds de machtigingen ontvangen, welke nodig zijn om een doelmatig overleg en een goede voortgang van de werkzaamheden te verzekeren.

Artikel 5

De genoemde Nederlandse Minister zal de ontwerp-bestekken en ontwerp-overeenkomsten tot uitvoering van werken ter goedkeuring toezenden aan de genoemde Belgische Minister. In deze stukken kunnen de genoemde Ministers afwijken van de in artikel 2 bedoelde gegevens. De genoemde Belgische Minister ontvangt afschriften van de gesloten aannemingsovereenkomsten.

Artikel 6

1). De levering van materialen en de uitvoering van werken zal na openbare aanbesteding daarvan worden opgedragen volgens de in Nederland gebruikelijke regelen.

2). In gevallen, dat het houden van een openbare aanbesteding niet mogelijk of niet wenselijk is in verband met de bijzondere aard van een levering of een werk, de geboden spoed daarmede of het financiële belang van de beide landen, zal ondershandse aanbesteding kunnen plaats vinden.

3). Tot ondershandse aanbesteding zal niet worden overgegaan dan na overleg tussen de genoemde Ministers, behoudens wanneer het leveringen of werken betreft, waarvan de raming een bedrag van 75.000 gulden niet overschrijdt. De keuze der uit te nodigen leveranciers c.q. aannemers zal mede in bedoeld overleg worden betrokken.

Artikel 7

1). Tijdens de uitvoering noodzakelijk of wenselijk blijkende wijzigingen, afwijkingen of aanvullingen van de overeenkomstig artikel 5 goedgekeurde stukken worden door de genoemde Nederlandse hoofdambtenaar ter goedkeuring voorgelegd aan de genoemde Belgische hoofdambtenaar.

2). Indien een afwijking van de in artikel 2 bedoelde gegevens dan wel een verhoging van de kosten tot een totaal van meer dan 10 % van de aannemingssom daaraan het gevolg zou zijn, is de goedkeuring van de genoemde Ministers vereist, zulks echter met dien verstande dat deze goedkeuring bij afwijkingen beneden de 50.000 gulden niet, en boven de 500.000 gulden steeds zal zijn vereist.

Artikel 8

Indien onvoorziene werken of maatregelen nodig zijn, welke een spoedeisend karakter hebben, zullen deze kunnen worden uitgevoerd of getroffen zonder dat de in artikel 7 bedoelde goedkeuring van Belgische zijde is verkregen. In deze gevallen zal de genoemde Nederlandse hoofdambtenaar de genoemde Belgische hoofdambtenaar hiervan zo spoedig mogelijk in kennis stellen.

Artikel 9

De Nederlandse Regering zal haar beleid ten aanzien van de grondberging en de keuze van de daarvoor te gebruiken terreinen er niet in de eerste plaats op richten om de onmiddellijk langs het kanaal gelegen gronden op te hogen, doch zal trachten enerzijds de kosten van het werk zo laag mogelijk te houden en anderzijds de vermindering van de cultuurwaarde van de voor grondberging te gebruiken terreinen zo gering mogelijk te doen zijn.

Artikel 10

De goedkeuring van de door de aannemers opgeleverde werken geschiedt niet dan na overleg met de genoemde Belgische hoofdambtenaar.

TITEL III. Kostenverdeling

Artikel 11

Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 12 tot en met 16 komen alle kosten van voorbereiding en uitvoering der in artikel 1 bedoelde werken voor 80 % ten laste van België en voor 20 % ten laste van Nederland.

Artikel 12

Onder de in artikel 11 bedoelde kosten zijn onder meer begrepen:

Artikel 13

De genoemde hoofdambtenaren zullen, wanneer daartoe van Belgische zijde de wens te kennen wordt gegeven, overleg plegen over de in artikel 12, onder a, b, c, d en e, bedoelde koopsommen en vergoedingen.

Artikel 14

De in artikel 12, onder b en c, bedoelde vergoedingen zullen, voorzover zij geschieden ten behoeve van de Staat der Nederlanden of derden, jegens welke de Staat der Nederlanden niet tot het verlenen van deze vergoedingen is gehouden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13, door de genoemde Nederlandse Minister overeenkomstig maatstaven van billijkheid en goed bestuur worden vastgesteld.

Artikel 15

Indien door de N.V. Nederlandsche spoorwegen aan de in artikel 1, onder h, bedoelde spoorbrug hogere belastingeisen zullen worden gesteld dan die, waaraan de bestaande brug voldoet, zullen de meerdere kosten, die daarvan het gevolg zijn, uitsluitend voor Nederlandse rekening komen.

Artikel 16

De in artikel 12, onder g, bedoelde kosten worden, voorzover zij door de Nederlandse Rijkswaterstaat worden gemaakt, voor de vaststelling van het Belgische aandeel in die kosten geacht 2½ % van alle overige kosten van voorbereiding en uitvoering te bedragen.

Artikel 17
1.

Het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 16 is eveneens van toepassing op:

2.

Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt slechts voorzover deze werken noodzakelijk of wenselijk worden geacht binnen drie jaar na de eerste oplevering van het werk, waarvan ze als nakomend of afrondingswerk moeten worden beschouwd.

Artikel 18

De Belgische Regering zal generlei aanspraak kunnen maken op de eigendom van de in het verleden of overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag uitgevoerde werken, noch op de ten behoeve van de uitvoering daarvan door de Nederlandse Regeling aangekochte, onteigende of ter beschikking gestelde roerende of onroerende goederen.

TITEL IV. Regeling der betalingen

Artikel 19

De in de artikelen 11, 12 en 17 bedoelde kosten worden door de Nederlandse Regering voorgeschoten en voor zoveel nodig door haar rechtstreeks aan derden voldaan.

Artikel 20

1). De genoemde Nederlandse Minister doet de genoemde Belgische Minister na afloop van iedere kalendermaand een declaratie toekomen voor het Belgische aandeel in de in die maand gedane betalingen.

2). Vergoedingen wegens de ingebruikneming van door de Nederlandse Regering ter beschikking gestelde gronden of materialen worden, voorzover zij niet aan derden worden betaald, gedeclareerd na afloop van de maand, waarin deze gronden of materialen voor de werken ter beschikking zijn gesteld.

Artikel 21

De in artikel 12, onder g, bedoelde kosten worden in rekening gebracht door verhoging van de maandelijkse declaraties overeenkomstig het bepaalde in artikel 16.

Artikel 22

De Belgische Regering verplicht zich tot betaling binnen zes weken na ontvangst van de in artikel 21 bedoelde declaraties. De betaling geschiedt in guldens.

Artikel 23

1). Indien de genoemde Belgische Minister bezwaar maakt tegen in een declaratie voorkomende bedragen, stelt hij de genoemde Nederlandse Minister hiervan vóór het verstrijken van de in artikel 22 genoemde termijn in kennis. De genoemde hoofdambtenaren en zo nodig de genoemde Ministers zullen over deze bedragen zo spoedig mogelijk overleg plegen.

2). De Belgische Regering verplicht zich de in dit overleg vastgestelde bedragen te betalen zo spoedig mogelijk na het bereiken van overeenstemming daarover.

3). Ten aanzien van de bedragen, waartegen niet tijdig bezwaren zijn kenbaar gemaakt is het bepaalde in artikel 22 onverminderd van toepassing.

Artikel 24

1). Bij overschrijding van de in artikel 22 genoemde termijn zal de Belgische Regering voor de duur van de overschrijding een enkelvoudige rentevergoeding verschuldigd zijn berekend tegen 6 % per jaar.

2). Ten aanzien van de bedragen, waartegen overeenkomstig artikel 23, eerste lid, bezwaar is gemaakt, zal deze rentevergoeding over de in het daarbedoelde overleg vastgestelde bedragen eveneens voor de duur van de overschrijding van de in artikel 22 genoemde termijn van zes weken na ontvangst van de oorspronkelijke declaratie worden berekend.

TITEL V. Onderhoud en bediening der werken

Artikel 25

De Nederlandse Regering zal zorg dragen voor het onderhoud en de bediening van de ingevolge dit Verdrag ten behoeve van de scheepvaart op Nederlands gebied aangelegde of verbeterde kanaal- en kunstwerken, alsmede voor het onderhoud en de bediening van de over het Nederlands gedeelte van het kanaal aanwezige oeververbindingen. Behoudens het bepaalde in artikel 17 en in artikel 55, eerste lid, komen de kosten hiervan ten laste van Nederland.

Artikel 26

Indien een van beide Hoge Verdragsluitende Partijen te kennen geeft het geheel of voor een belangrijk gedeelte vernieuwen van de sluizen of bruggen dan wel de bouw van nieuwe sluizen of bruggen wenselijk te achten, zal deze aangelegenheid het onderwerp van overleg tussen de beide Regeringen uitmaken.

TITEL VI. Verontreiniging van het kanaalwater

Artikel 27

Onverminderd de verplichtingen welke voor de Hoge Verdragsluitende Partijen voortvloeien uit multilaterale overeenkomsten, zullen zij er voor zorg dragen, dat het kanaalwater nabij de Belgisch-Nederlandse grens beantwoordt aan de kwaliteitsnormen genoemd in Bijlage III bij dit Verdrag.

Artikel 28

De genoemde Belgische Minister en de genoemde Nederlandse Minister zullen ter uitvoering van het behaalde in paragraaf I, onder d, van Bijlage III bij dit Verdrag de aanvaardbare concentratie van scheikundige stoffen nader vaststellen. De genoemde Ministers kunnen in onderlinge overeenstemming de kwaliteitsnormen genoemd in die Bijlage wijzigen.

Artikel 29

De beide Regeringen zullen elkaar terzake van bestaande of nog op te richten installaties, welke vloeibare en/of vaste radioactieve afval afstoten in het op hun gebied gelagen kanaalgedeelte, alle gegevens verschaffen, welke noodzakelijk zijn om de radioactieve besmetting van het kanaalwater tengevolge van deze afvoer vast te stellen. Deze gegevens zullen onder meer omvatten een gedetailleerde opgave van de aard en de hoeveelheid van de geloosde of te lozen radioactieve stoffen, alsmede de plaats en de omstandigheden van de lozing,

Artikel 30

Indien normen voor grensoverschrijdende wateren, vastgesteld op grond van het op 25 maart 1957 te Rome gesloten Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) of van enige andere de beide Regeringen bindende overeenkomst, dan wel de analyseresultaten daartoe aanleiding geven, zullen de genoemde Ministers de kwaliteitsnormen betreffende de radioactiviteit in onderlinge overeenstemming herzien.

Artikel 31

De Belgische en de Nederlandse technische diensten zullen geregeld, doch ten minste vier maal per jaar, gemeenschappelijke waarnemingen doen tot vaststelling van de toestand van het kanaalwater bij de Belgisch-Nederlandse grens en daarover een gemeenschappelijk verslag uitbrengen aan de Belgische en Nederlandse Regeringen.

TITEL VII. Verzilting en wateronttrekking

Artikel 32

De beide Regeringen zullen elk op haar gebied de nodige maatregelen treffen om te bewerkstelligen dat het zoutbezwaar beperkt blijft. De wederzijdse technische diensten zullen terzake met elkaar in verbinding staan om deze maatregelen aan te passen aan de wisselende omstandigheden. Er zullen geen maatregelen van bijzondere aard genomen worden dan na overleg met de dienst van de andere Verdragsluitende Partij.

De Belgische Regering zal ervoor zorg dragen dat de door het Belgische aan het Nederlandse gedeelte van het kanaal gebruikelijk minimaal toegevoegde hoeveelheid zoet water niet wordt onderschreden, tenzij een eventuele onderschrijding van deze voeding ondervangen wordt door andere maatregelen die een zelfde effect hebben op de beperking van het zoutbezwaar.

De gebruikelijke minimale hoeveelheid zoet voedingswater bedraagt 13 m3/sec., gemeten over een tijdsbestek van twee maanden. De toegevoegde hoeveelheid wordt berekend aan de hand van de bij de Tolhuisstuw of het later vervangend kunstwerk te Gent op het Belgisch gedeelte van het kanaal ingelaten hoeveelheid.

De Nederlandse Regering zal er zorg voor dragen dat de door de sluizen van Terneuzen toetredende hoeveelheid zout water zoveel mogelijk beperkt blijft.

Artikel 33

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.