Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen
ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ.
en
ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN PRUISSEN, ENZ., ENZ., ENZ.
Willende overgaan tot de definitive vaststelling der grenzen van hunne respective Staten op den regter oever van de Maas, en langs het Groot-Hertogdom Luxemburg, en wenschende de zwarigheden te vereffenen, welke zich opgedaan hebben, met opzigt tot de voorloopige inbezitneming van sommige aan de grenzen gelegen gemeenten of gedeelten van gemeenten, en over welken het oppergezag twijfelachtig heeft kunnen schijnen, hebben, overeenkomstig art. 2 des verdrags van 31 Mei 1815, benoemd tot Commissarissen en met hunne volmagten voorzien, te weten:
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, de Heeren Maximiliaan Jacob de Man, Kolonel van het Corps der Genie, Directeur der archieven van Oorlog en van het Topografisch bureau, Ridder der Militaire Willems-orde 3de klasse; Ridder Hendrik Joseph Michiels van Kessenich, lid der Provinciale Staten van Limburg en Onder-Intendant van het arrondissement Roermond; Jean Leonard Nicolai, Onder-Intendant van het arrondissement Verviers; en Michiel Tock, Directeur der directe belastingen van het Groot-Hertogdom Luxemburg, — en
Zijne Majesteit de Koning, van Pruissen, den heer Frederik Graaf van Solms Laubach, eersten President der Hertogdommen Gulik, Cleef en Berg, Grootkruis der Orde van den Rooden Adelaar en der Orde van Ste Anna van Rusland, die gebruik makende van de bevoegdheid, hem bij zijne volmagt verleend, tot datzelfde einde heeft gedelegeerd en met gelijke volmagten voorzien als de zijne, de Heeren Frederik Willem van Bermuth, Opper-Regerings-President, en Johann Albert Eytelwein, Geheimraad van Zijne Majesteit den Koning van Pruissen en Directeur-Generaal der openbare werken van het Koningrijk.
Welke Commissarissen, na hunne volmagten uitgewisseld en in orde bevonden te hebben, omtrent de volgende punten en artikelen zijn overeengekomen:
Art. 1
De bij het tegenwoordige tractaat bepaalde limieten maken de grensscheiding uit tusschen de beide Staten, van de grenzen van Frankrijk aan de Moezel, tot aan het voormalig Hollandsch grondgebied bij Mook.
Art. 2
De grenslijn zal beginnen aan de Moezel op het punt, alwaar, op den regter oever, deze rivier de Fransche grenzen verlaat; zij zal langs de Moezel afdalen tot aan den mond van de Sure, van daar, tot aan den mond van de Oure, de Sure weder opwaarts volgen; zij zal insgelijks den loop der Oure opwaarts volgen, tot het punt, alwaar die beek de grenzen van het voormalig kanton St. Vith bereikt, behoudens nogtans de wijzigingen, welke bij de volgende artikelen worden vastgesteld.
Art. 3
Het 17de artikel van het protocol van het congres van Weenen (het 25ste artikel der slot-acte van het congres, van den 9den Junij 1815) vastgesteld hebbende, dat de plaatsen, door welke de Moezel, de Sure en de Oure loopen, niet verdeeld zouden worden, maar, met derzelver grondgebied, tot de mogendheid zouden behooren, op wier grondgebied het grootste gedeelte zoude gelegen zijn, zoo is men overeengekomen, dat, om te bepalen welke het grootste gedeelte eener plaats zou zijn, men de bevolking tot grondslag zou nemen, en dat bij gelijke bevolking, het beloop der grondbelasting daarover zou beslissen.
Art. 4
Dewijl het grondbeginsel der integraliteit van de gemeenten door het congres van Weenen slechts dan schijnt toegepast te zijn, wanneer de plaatsen zelve door eene rivier zouden doorsneden worden, en niet wanneer zulks alleen met de aanhoorigheden het geval ware, is men bovendien overeengekomen, dat, in deze laatste gevallen, de rivier tot grensscheiding zou dienen, en dat de gedeelten der aanhoorigheden door de rivier gescheiden van de plaatsen zelve, er van afgescheiden zouden blijven, en een gedeelte der Staten, op denzelfden oever gelegen, zouden uitmaken.
Art. 5
Ingevolge deze beide grondbeginselen zal Oberbillig, op den regter oever van de Moezel gelegen, tot het Koningrijk der Nederlanden behooren, als zijnde eene onderhoorigheid van Wasserbillig, met hetwelk het eene en dezelfde gemeenteplaats uitmaakt. Zoodat de grenslijn tot het grondgebied van Wasserbillig op den regteroever gekomen, de Moezel verlaten en om dit gebied heen loopen zal.
De gemeente Vianden, op beide zijden der Oure gelegen, zal insgelijks, tot het Koningrijk der Nederlanden behooren, met haar gansche grondgebied, van hetwelk de hoeve genaamd Scheuerhoff erkend is een gedeelte uit te maken; zoodat de grenslijn alhier de Oure zal verlaten, zoo als dezelve de Moezel te Wasserbillig verlaten heeft, en om het gedeelte van het grondgebied van Vianden, op den linker oever gelegen, heen loopen zal, om vervolgens den loop der rivier weder te volgen.
Al de andere gemeenten, waarvan alleen het grondgebied wordt doorsneden, zoo door de Moezel als door de Sure en de Oure, en met name die van Langsur, Meesdorff, Born, Ralingen, Echtimach, Bollendorff, Dilgen, Wallendorff, Amildingen, Bivels, Falkenstein, Gemund, Dasburg, en zelfs Wasserbillig voor het klein gedeelte van het grondgebied gelegen op den linkeroever van de Sure, zullen in de tweede rangschikking geplaatst worden, en hare door de rivier afgesneden gedeelten zullen afgescheiden blijven; zoodat de rivier zelve in alle die gevallen tot grensscheiding voor de beide staten dienen zal.
Art. 6
Van het punt alwaar de Oure in het kanton van St. Vith loopt zal de grenslijn de grensscheidingen van dat kanton in westelijke rigting volgen tot aan de heerbaan, welke van Luxemburg over Weiswanpach, naar Stavelot en Spa leidt, — voorts dezen zelfden weg noordwaarts tot het punt, alwaar die weg bepaaldelijk het kanton van St. Vith verlaat, om in dat van Stavelot te komen.
Deze heerbaan van Luxemburg, voor zoo verre dezelve het kanton van St. Vith doorloopt, of hetzelve aanraakt, zal geheel tot het Koningrijk der Nederlanden behooren, zoo mede de huizen of hutten thans bestaande, en langs den weg aan den kant van Pruissen gelegen, met een raijon van twintig ellen om die huizen. Deze heerbaan, op sommige plaatsen verscheidene bijwegen hebbende, welke de voerlieden in verschillende jaargetijden gebruiken, zoo is men overeengekomen, om, ingeval van twijfel over den waren grooten weg, bij het planten der grenspalen, den weg te nemen het naast aan Pruissen gelegen, zonder dat echter onder dat voorwendsel, men eenen weg hoegenaamd door de bebouwde landen zal kunnen vorderen, ofschoon deze ook tot eenen doortogt gediend mogt hebben, in tijden, dat de gewone weg onbruikbaar was.
Art. 7
Ingevolge het voorgaande artikel, worden de gemeenten van Deiffelt, Ourte en Watermahl, uitmakende een gedeelte van het kanton St. Vith, aan Z. M. den Koning der Nederlanden afgestaan, daaronder begrepen de gedeelten dier gemeenten, welke zich aan gene zijde van den weg aan den kant van Pruissen uitstrekken, zoodat, op deze plaatsen, de grenslijn den grooten weg, bij de scheidingen van deze gemeenten, ter regterzijde zal verlaten, om dien vervolgens te hernemen, na om de gezegde scheidingen heen geloopen te hebben. Hetzelfde zal plaats grijpen ten aanzien van het gebied van de tot het Koningrijk der Nederlanden behoorende gemeenten, aan gene zijde van den grooten weg gelegen.
De kleine gedeelten der gemeenten van Attringen, Leigner en anderen, die op de linkerzijde van den grooten weg van Luxemburg naar Stavelot gaande, gelegen zijn, worden insgelijks aan Z. M. den Koning der Nederlanden afgestaan.
Art. 8
Van het punt, alwaar de heerbaan van Luxemburg bepaaldelijk het kanton St. Vith verlaat, zal de grenslijn de scheidingen tusschen de kantons van Malmedij van de eene zijde, en die van Stavelot, Spa en Limburg van de andere zijde volgen, tot het punt alwaar de grenzen van het kanton van Malmedy de frontieren van het voormalig Departement van de Roer bereiken.
De grensscheidingen tusschen het kanton Malmedy van den eenen kant, en de gemeenten van Sart, Jalhay, Membach en het bosch genaamd Hertogenwald van den anderen kant, vóór de laatste perceelsgewijze kadastrale opmeting, niet op eene volkomen stellige wijze bepaald geweest zijnde, zoo is men overeengekomen, dat de grenspalen op de punten geplaatst zouden worden, welke, tijdens die verrigting, voor aangrenzende erkend zijn, en waarvan de voornaamste in deze gemeenten bekend staan onder de benamingen van Chêne, Vinbiette, Croix-le-Prieur en fontaine Perigny. Van deze fontein, die de voornaamste bron is van de beek, la Helle genaamd, zal de lijn den loop dier beek volgen, welke erkend is, aan dien kant, de grensscheiding van het kanton Malmedy uit te maken, tot dat deze grensscheiding, zoo als reeds gezegd is, de grenzen van het voormailg departement van de Roer bereikt.
Art. 9
Indien het Pruissisch Bestuur, of de stad Malmedy, den nieuw ontworpen weg wil aanleggen, om den berg, die voor deze laatstgemelde stad gelegen is, te vermijden, eenen weg, die zoude aanvangen van den straatweg van Stavelot beneden Malmedy en, al kronkelende langs de scheidingen tusschen deze beide gemeenten, om den berg heen zoude loopen, zoo zullen in dat geval de limieten der gemeente van Stavelot tot dezen weg beperkt worden, voor zoo verre die over derzelver grondgebied loopen zal.
De weg zelf zal in vollen eigendom aan Pruissen behooren, die denzelven aangelegd zal hebben; zoo mede de kleine gedeelten heide, welke door deze nieuwe grensscheiding van de Nederlanden worden afgenomen, bevattende ongeveer eene uitgestrektheid van 5 tot 6 bunders.
De inwoners van Stavelot, of andere onderdanen der Nederlanden zullen, om denzelfden berg te vermijden, welke zich tusschen Stavelot en Spa uitstrekt, zich ook van dezen nieuwen weg mogen bedienen, zonder aan andere regten hoegenaamd onderworpen te zijn, dan aan de tollen tot deszelfs onderhoud bestemd. De landbouwers in de nabuurschap van dezen weg zullen zelfs van alle tolgeld ontheven zijn, voor zoo verre zij alleen van den weg gebruik zullen maken voor het bebouwen van hunne landen, of tot het gebruik hunner eigendommen in deszelfs omstreken gelegen.
Art. 10
Van het punt, alwaar de scheiding van het kanton van Malmedy de grenzen van het voormalig departement der Roer bereikt, zal de lijn den loop der Helle blijven volgen tot hare zamenvloeijing met eene andere kleine beek, genaamd de Sporbach. Ter plaatse van deze zamenvloeijing, zal de lijn de grenzen van het departement der Roer verlaten, om in het kanton van Eupen te treden, steeds den loop der Helle volgende, door het geheele bosch tot aan eene derde beek, genaamd de Betzel; deze laatste volgende tot aan den zoom van het groote bosch, en langs dezen zoom loopende tot de rivier, genaamd de Vesdre, en eindelijk den loop dezer rivier afzakkende tot de plaats, alwaar, op den regteroever de oude wel bekende grensscheiding der gemeente Munbach, in het kanton Limburg uitkomt; in dier voege dat niet alleen het gedeelte van het bosch, tusschen den weg van Malmedy en de Soure gelegen, aan Z. M. den Koning der Nederlanden zal worden overgelaten, als een gedeelte uitmakende der gemeente Munbach, in het kanton Limburg gelegen, maar dat insgelijks aan genoemd Koningrijk zal worden afgestaan de gansche streek, gelegen tusschen de Soure, de Helle en de grensscheiding van het departement de Roer.
Art. 11
De beek de Helle zal niet in gemeenschap toebehooren aan de beide staten, zoo als de andere beken en rivieren, die de grens daarstellen, maar zij zal in haren ganschen loop, uitsluitend aan den Koning van Pruissen toebehooren; zoodat de linkeroever van deze beek de grensscheiding zal uitmaken, in dier voege echter, dat deze oever geheel tot het Koningrijk der Nederlanden zal behooren.
Art. 12
De Pruissische onderdanen zullen vrijheid hebben, hout en schors in het gedeelte van het Hertogenwald, tusschen de Soure en de Helle gelegen, te koopen, en vrij van alle tolregten uit te voeren.
De onderdanen van Z. M. den Koning der Nederlanden zullen dezelfde voordeelen genieten voor houthakkingen in het aan Nederland behoorende gedeelte van het bosch, en het hout en de schors van daar over het Pruissisch grondgebied mogen uitvoeren, zonder gehouden te zijn eenig ander regt, dan het barrièregeld te betalen, alles onverminderd zoodanige maatregelen, als ieder gouvernement, tot wering van sluikerij, zal goedvinden te nemen.
Art. 13
De weg van Eupen naar Malmedy zal bestendiglijk voor de Pruissische onderdanen vrij en open blijven, en het vervoer van allerlei aard, dat langs dezen weg plaats mogt hebben, zal aan geene tolregten hoegenaamd onderhevig kunnen zijn, zullende dit echter het betalen voor barrièregeld niet uitsluiten, zoo men mogt goedvinden zulks in te voeren, doch alleenlijk voor het aanleggen en het onderhouden van den weg.
De andere wegen, welke dit groote bosch in alle rigtingen doorloopen, zullen tot gemeenschappelijk gebruik strekken, voor zoo verre zij noodzakelijk geoordeeld zullen worden tot de exploitatie van de in derzelver nabijheid gelegen gedeelten bosch. De opperhoutvesters der beide regeringen zullen opzigtelijk deze wegen zich verstaan, en des noodig, gemeenschappelijk een reglement deswege vaststellen.
Art. 14
De fabriekanten van Eupen, van het voormalig bestuur de vergunning bekomen hebbende, zekere greppels en sloten, in dat bosch tusschen de Helle en de Soure gelegen, uit te diepen en te reinigen, om, door dit middel, de hoeveelheid waters der Helle, en dienvolgens van de Vesdre, eene rivier waarop alle hunne werkplaatsen gelegen zijn, te vermeerderen, zoo is men overeengekomen, dat die gemeente of hare fabriekanten in dit gebruik gehandhaafd zullen worden, en dat zij zullen kunnen voortgaan met het uitdiepen en ophalen der tegenwoordig bestaande greppels en sloten; zonder dat echter dit gebruik gelijk gesteld kan worden met de bijzondere regten, wier behoud, bij het onderstaande 30ste art. bedongen is; maar zich zal moeten beperken tot eene eenvoudige toelating, welke door de Regering der Nederlanden herroepen kan worden, wanneer haar het daarzijn dezer greppels of sloten, of de uitdieping er van, voor de exploitatie van het bosch, of voor hare verbeteringsontwerpen, schadelijk mogt voorkomen. Dergelijke werken zullen zelfs niet vermogen begonnen te worden, dan na alvorens daarvan te hebben verwittigd de beambten der houtvesterij, onder wier beheer en toevoorzigt zij zullen worden verrigt.
Art. 15
De Vesdre verlatende, ter plaatse bij art. 9, hierboven aangewezen, zal de grenslijn de oostelijke grensscheiding der gemeente Munbach tot den straatweg van Eupen volgen; daarna dezen zelfden straatweg tot het Witte Huis in de gemeente Henri-Chapelle, en van het Witte Huis tot het punt van doorsnijding van dezen straatweg, en van eene lijn, te trekken van het aanrakingspunt van de drie kantons van Eupen, Limburg en Aubel, tot het aanrakingspunt der drie departementen van de Ourthe, de Roer en de Neder-Maas; derwijze, dat de gedeelten van het gebied der gemeenten Baelen, Welkenraad, Henri-Chapelle Montzen en Moresnet tusschen dezen straatweg, voor zoo veel die weg de grensscheiding uitmaakt, en tusschen de grenzen van Eupen gelegen, aan Zijne Majesteit den Koning van Pruissen worden afgestaan.
Art. 16
De straatweg zelf, voor zoo verre die, bij het voorgaand artikel tot grensscheiding verklaard is, of het, bij nadere beschikking worden zal, zal gemeen zijn voor beide Staten. Deszelfs onderhoud en herstelling zullen gemeenschappelijk bekostigd worden, en het heffen van tol, dat bij voortduring zal kunnen plaats hebben, zal echter alleen moeten geschieden, voor zoo verre het onderhoud van den weg en de aflossing der schuld, tot deszelfs aanleg gemaakt, het zullen vereischen.
Deze weg voor de beide Staten gemeen zijnde, zal van weerszijden vrij van de betaling van alle douane- of ander regt, behalve van den tol; het zal zelfs den beambten der in- en uitgaande regten van de beide Gouvernementen verboden zijn, er eenig onderzoek, eenige opsporing, of eindelijk eenige andere dienstverrigting hoegenaamd te doen.
Art. 17
Van het punt van doorsnijding, bij art. 15 vermeld, tot het aanrakingspunt der drie departementen, zal de grenslijn onbepaald blijven, daar de beide commissien zich niet hebben kunnen verstaan over de wijze, hoe zou worden afgescheiden het kleine gedeelte van het kanton Aubel, hetwelk ingevolge het tractaat van der 31sten Mei en andere akten van het Congres van Weenen, aan het Koningrijk Pruissen behooren moet.
Deze zwarigheid zal aan de beslissing der wederzijdsche Gouvernementen onderworpen worden, die, om ze uit den weg te ruimen, dusdanige nadere maatregelen zullen nemen, als zij noodig zullen oordeelen.
In afwachting van deze beslissing, zal de gemeente Moresnet voorloopig de grensscheiding uitmaken; derwijze, dat het gedeelte dezer gemeente, gelegen ter linkerzijde van eene regte lijn, te trekken van het aanrakingspunt der drie kantons, tot het aanrakingspunt der drie departementen, in alle gevallen het Koningrijk der Nederlanden zal toebehooren, even als dat gelegen ter regterzijde van eene lijn, te trekken van de grenzen van het kanton. Eupen, regtstreeks van het zuiden naar het noorden, tot hetzelfde aanrakingspunt der drie departementen, in alle gevallen tot het koningrijk Pruissen behooren zal; en dat eindelijk het gedeelte van deze zelfde gemeente, tusschen deze beide linien gelegen, als het eenige zijnde, waarover redelijker wijze geschil kan bestaan, aan een gemeenschappelijk beheer onderworpen zal zijn, en door geen der beide mogendheden met krijgsvolk bezet zal mogen worden; alles onverminderd het hierboven vastgestelde, betrekkelijk het gedeelte van Moresnet, dat tusschen den grooten weg en het kanton Eupen begrepen is, welk gedeelte, bij art. 15 hierboven, reeds aan het koningrijk Pruissen is afgestaan.
Art. 18
Van het aanrakingspunt der drie departementen zal de grenslijn de scheiding tusschen het voormalig departement van de Roer en dat der beneden-Maas, tot den straatweg van Aken naar Geilenkirchen volgen, latende ter linkerzijde de gemeente Vaels, die aan de Nederlanden toebehoort, en in dewelke het pastory-huis, op de lijn zelve gelegen, begrepen zal zijn; vervolgens zal de lijn dezen straatweg tot aan de grenzen der gemeente 's Hertogenrade volgen, en eindelijk de grensscheiding van 's Hertogenrade, westelijk tot het punt, alwaar deze de Worms bereikt.
Derhalve wordt het gedeelte van Kerkraede, gelegen ter regterzijde van den straatweg, aan Z. M. den Koning van Pruissen afgestaan, alsmede het gansche gedeelte der gemeente 's Hertogenrade op den linkeroever der Worms gelegen.
Aan hetzelfde Koningrijk wordt mede afgestaan het gedeelte van den straatweg tusschen de grenzen van het departement van de Roer en 's Hertogenrade begrepen, zoodat deze gemeente geheel en in vollen eigendom en heerschappij tot het Koningrijk Pruissen zal behooren.
Art. 19
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.