Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen omtrent de grensscheiding tussen de beide Rijken op enige punten langs de provincie Limburg en het district Aken

Type Verdrag
Publication 1869-06-18
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Door het grenstractaat tusschen Hunne Majesteiten den Koning der Nederlanden en den Koning van Pruissen, den 26sten Junij 1816 te Aken geteekend, zijn de grenzen hunner respectieve Staten aan den regter Maasoever en langs het Groot-Hertogdom Luxemburg definitief vastgesteld, en krachtens de bepalingen van dat tractaat is de aanduiding der grenzen geregeld geworden en gewaarmerkt bij het algemeen proces-verbaal der grenslijn tusschen de Koningrijken der Nederlanden en van Pruissen, houdende de beschrijving van alle de rigtingen en bogten van die grens, enz., geteekend te Emmerik den 23sten September 1818.

Maar sedert dat tijdperk zijn de uiterlijke grensteekens, bedongen bij de artt. 22 en 24 van het Akensche verdrag tusschen de palen 238—239, 263—266, 268—271 en 372—373, zoo als die omschreven zijn in het Emmeriksche algemeene proces-verbaal, veranderd geworden en zijn op vele plaatsen verdwenen of kunnen op vele andere plaatsen niet dan met veel moeite teruggevonden worden.

De noodzakelijkheid bestond dus om in deze gapingen in de uiterlijke grensteekens te voorzien door een bijvoegsel tot het verdrag en tot het algemeen proces-verbaal bovenvermeld.

Te dien einde zijn tot commissarissen benoemd en als zoodanig met volmagten voorzien geworden:

door Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden,

de heer PIETER JOSEPH AUGUST MARIE VAN DER DOES DE WILLEBOIS, Hoogstdeszelfs commissaris in het hertogdom Limburg, kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, groot-officier der orde van de Eikenkroon, ridder 2de klasse met de ster der Koninklijke Kroonorde, ridder 4de klasse der orde van den Rooden Adelaar, groot-officier der Koninklijke Belgische Leopoldsorde, enz.; en

de heer THEOPHILUS FRANÇOIS LEMIRE, ingenieur-verificateur van het kadaster in de provincien Gelderland en Utrecht en in een gedeelte van die van Noordholland: en

door Zijne Majesteit den Koning van Pruissen,

de ridder FRÉDÉRIC CHRÉTIEN HUBERT VON KÜHLWETTER, oud-Minister van Staat, Koninklijk regerings-president van Dusseldorp, ridder der 2de klasse met de ster van de Koninklijke Kroonorde, ridder der 2de klasse, met de ster en eikenloof, der orde van den Rooden Adelaar, kommandeur der Koninklijke orde van het Huis van Hohenzollern, groot-officier der Koninklijke Belgische Leopoldsorde, enz.; en

de heer EUGÈNE PELTZER, inspecteur van het kadaster en finantieraad, ridder der 4de klasse der orde van den Rooden Adelaar;

welke gevolmagtigden, na hunne wederzijds in goeden en behoorlijken vorm bevondene volmagten te hebben uitgewisseld, overeengekomen zijn om aan het tractaat van 26 Junij 1816 en aan het algemeen proces-verbaal van 23 September 1818 bovenvermeld toe te voegen de verklaringen en bedingen in de navolgende artikelen vervat.

Artikel 1

Volgens art. 22 van het Akensche grenstractaat en het algemeen proces-verbaal van Emmerik, zijn de grenzen tusschen Nederland en Pruissen in de ruimte tusschen de dubbele grenspalen 238 tot de dubbele grenspalen 239 aangeduid door het midden der bedding van de Worms.

De oevers dier rivier zijn op vier verschillende plaatsen doorgraven geworden, aangeduid onder de letters a, b, c en d op de kaart n°. I bij dit verdrag gevoegd, overeenkomstig deszelfs art. 7, en de verplaatsing van den waterloop, die daardoor ontstaan is, heeft feitelijk de veranderingen van grondgebied ten gevolge gehad, waarvan de beschrijving volgt:

De gevolmagtigden der beide Staten zijn overeengekomen, dat, niettegenstaande deze onregtmatige veranderingen, het midden der Worms, volgens den tegenwoordigen loop dezer rivier, zoo als hij op de hierbij gevoegde kaart is aangegeven, zal voortgaan de grens der beide landen te vormen tusschen de dubbele palen 238 en 239.

Volgens de opmetingen der Pruissische landmeters zou Pruissen, door deze bepaling, eene aanwinst van grondgebied doen, te weten: bij punt a, van 134 vierkante roeden en 30 vierkante voeten, bij punt b, van 2 morgen, 129 vierkante roeden en 10 vierkante voeten en bij punt d, van 56 vierkante roeden en 33 vierkante voeten. Daarentegen zou Het bij punt c eene oppervlakte verliezen van 147 vierkante roeden en 50 vierkante voeten, en zoude, bij slot van rekening, eene aanwinst van grondgebied doen van twee morgen, honderd twee en zeventig vierkante roeden en drie en twintig vierkante voeten, of in metrieke maat van vijf en zeventig Nederlandsche vierkante roeden en twee en veertig Nederlandsche vierkante ellen.

Volgens de Nederlandsche gegevens zoude die aanwinst slechts zijn van twee en zeventig Nederlandsche vierkante roeden en twintig Nederlandsche vierkante ellen, hetgeen in Pruissische maat gelijk staat met twee morgen, honderd acht en veertig vierkante roeden en negentig vierkante voeten.

Dit verschil in de berekening der deskundigen spruit voort uit de ontoereikendheid der thans nog bestaande grensteekens, en aangezien herhaalde opmetingen de onzekerheid niet hebben opgelost, zoo zijn de gevolmagtigden overeengekomen het bedrag der uitkomsten van de beiderzijds gedane opmetingen te vergelijken en zich te houden aan het bedrag verkregen door de rekenkunstige deeling van het verschil: dien ten gevolge hebben zij den inhoud van het grondgebied, dat Pruissen aanwinst — de tegenwoordige bedding der Worms aannemende als grens der beide Staten tusschen de palen 238 en 239 — berekend op drie en zeventig Nederlandsche vierkante roeden en een en tachtig Nederlandsche vierkante ellen, hetgeen in Pruissische maat gelijk staat met twee morgen, honderd zestig vierkante roeden en zes en vijftig vierkante roeden.

Ten einde de voorkomen, dat in het vervolg de als grens aangenomen bedding der Worms verlegd worde buiten de medewerking en de goedkeuring der beide Regeringen, zullen de besturen der aangrenzende gemeenten worden aangeschreven de noodige maatregelen te nemen, om de uitvoering van art. 27, alin. 2, van het tractaat van 26 Junij 1816 te verzekeren.

Artikel 2

Tusschen de gemeenten Gangelt (Koningrijk Pruissen) en Schinveld (Koningrijk der Nederlanden) wordt, tusschen den paal 263, in de nabijheid der voormalige schuur van PIETER COENEN, tot aan paal 266, de grenslijn tusschen beide Staten, volgens het algemeen proces-verbaal van Emmerik, gevormd door eene strook lands, Viehweg of Veeweg genaamd.

De ongelijke breedte van dien tusschenliggenden grond heeft van beide kanten gelegenheid gegeven tot onregtmatige toeëigeningen door de aangrenzende eigenaars en dien ten gevolge tot onzekerheid omtrent de grenslijn.

De grenzen der Staten tusschen bovengemelde palen zullen voortaan op eene meer duidelijke wijze worden aangewezen door de middellijn van een weg, die op gemeenschappelijke kosten van beide Staten zal aangelegd worden, op de gemelde strook lands ter breedte van tien ellen.

De middellijn van dien weg is vastgesteld geworden met behulp van de kadastrale kaarten van beide landen, en de bestaande grenslijn van beide Staten is behouden gebleven, zoodat er geen ruiling van grondgebied heeft plaats gehad.

De door de gevolmagtigden erkende middellijn is op het terrein aangewezen door middel van achttien voorloopige staken, gemerkt 263a—263g, 264a—264g en 265a—265d, te vervangen door steenen aan de oppervlakte van den grond, en voorzien van dezelfde nommers en letters.

De dubbele palen 264 blijven op hunne plaats; de voorloopig gestelde staken, de nommers 263, 265 en 266 dragende, wijzen op het terrein de buitenzijden aan van den afgeteekenden weg en de plaatsen, welke voortaan de dubbele palen, diezelfde nommers dragende, zullen innemen.

De plaatsen, door het tegenwoordige verdrag aangewezen voor de vier dubbele palen en de tusschenliggende steenen, zijn op kaart n°. II aangeduid door de letters:

en door de nommers 263a—263g, 264a—264g en 265a—265d voor de achttien tusschenliggende steenen.

De middellijn van den weg en bij gevolg de grens wordt, over de geheele lengte, gevormd door de regte lijnen, getrokken uit het middenpunt tusschen de voorloopige dubbele staken 263 naar den voorloopigen staak 263a, van dezen naar den voorloopigen staak 263b, en zoo vervolgens tot het middenpunt tusschen voorloopige dubbele staken 266.

Artikel 3

De bedding van de beek genaamd la Rigole, die, overeenkomstig het algemeene proces-verbaal van Emmerik, in alle hare kronkelingen de grens der Staten vormt tusschen de gemeenten Gangelt en Schinveld, van den paal 268 tot de dubbele palen 272, is reeds sedert verscheidene jaren gedeeltelijk droog, gedeeltelijk verloren in moerassen.

De gevolmagtigden zijn overeengekomen deze heden niet meer te herkennen grenslijn te laten varen en haar te vervangen door eene nieuwe grenslijn, die regelmatiger en duidelijker op de plaats zigtbaar is.

Uitgaande van paal 268, zal zij gevormd worden door de regte lijn getrokken op de sloot, die in 1847 gegraven is om de gemeente-eigendommen van bovengenoemde gemeenten te scheiden en zich met haar vereenigen in punt wI van kaart n°. II; en van dit punt tot de vereeniging van de gracht met den Schinvelderbach, bij punt YI van bovengenoemde kaart, door het midden zelf van de sloot, welke bij punt xI van de kaart eene nieuwe rigting neemt.

Het midden van den Schinvelderbach gaat voort de grens der beide Staten te vormen van punt yI tot zijne zamenvloeijing met den Rothenbach, bij de dubbele palen 272.

Het geheele gemeente-eigendom van Gangelt, gelegen binnen de gemeente Schinveld op Nederlandsch grondgebied en bij het kadaster vermeld in sectie A, n°. 1, 163 en 2628, en sectie B, n°. 2, 2416, 2419, 2443, 2444 en 2447, met eene geheele oppervlakte van een en dertig Nederlandsche bunders, twintig Nederlandsche vierkante roeden, of in Pruissische maat van honderd twee en twintig morgen, vijf en dertig vierkante roeden en zeventig vierkante voeten, gaat, door de aanneming dezer nieuwe grensscheiding, over van het grondgebied der gemeente Schinveld, Koningrijk der Nederlanden, tot dat der gemeente Gangelt, Koningrijk Pruissen.

Met het oog op deze verandering van grenzen handhaven de gevolmagtigden voor paal 268 de plaats, die hij heden en sedert jaren bij den hoek van eene sloot inneemt, doch die hem niet toekwam in de grenslijn getrokken naar aanleiding van het algemeene proces-verbaal van Emmerik.

Het register geeft den hoek aan, waarin paal 268 heden geplaatst en door het tegenwoordig verdrag gehandhaafd is.

Er zijn voorloopige staken, met de merken 269, 270 en 271, geplaatst op de punten wI, xI en yI van kaart n°. II, om vervangen te worden door de tegenwoordige palen, die in de verlaten grenslijn dezelfde nommers dragen, alsmede door dubbelen van deze palen.

Artikel 4

Tusschen de gemeenten Vlodrop, Koningrijk der Nederlanden, en Effelt, Koningrijk Pruissen, zijn de uiterlijke teekens, die, volgens het algemeen proces-verbaal van Emmerik tusschen de palen 372 en 373, de grenzen bij art. 24 van het verdrag van Aken vastgesteld moesten aanwijzen, gedeeltelijk veranderd en gedeeltelijk verloren. Dit heeft aanleiding gegeven tot moeijelijkheden tusschen aangrenzende eigenaars en de beide gemeenten.

Om een einde te maken aan deze moeijelijkheden, hebben de gevolmagtigden der beide Staten een naauwkeurig onderzoek ingesteld naar de oorspronkelijke grenslijn volgens de bestaande plannen. Zij is teruggevonden op het terrein uitgezet door zestien voorloopige staken, gemerkt 372a—372q, en geplaatst op de punten a—q van kaart n°. I.

De grenslijn bestaat uit de regte lijnen getrokken van paal 372 naar de voorloopige staak 372a, van deze naar de volgende, en zoo voort tot paal 373.

De voorloopige staken zullen vervangen worden door supplementaire steenen palen, die dezelfde nommers en letters dragen.

Artikel 5

Als een gevolg van het voorgaande, hebben de gevolmagtigden der beide Staten de geheele oppervlakte van de grondstukken, die, overeenkomstig de artikelen 1 en 3 van het tegenwoordig verdrag, overgaan van het Nederlandsche grondgebied tot het Pruissische grondgebied, bepaald op een en dertig Nederlandsche bunders, drie en negentig Nederlandsche vierkante roeden en een en tachtig Nederlandsche vierkante ellen, gelijkstaande in Pruissische maat met honderd vijf en twintig morgen, zestien vierkante roeden en zes en twintig vierkante voeten.

Artikel 6

Als vergoeding voor dit aan Pruissen afgestaan grondgebied, staat het Koningrijk Pruissen aan dat der Nederlanden eene even groote oppervlakte gronds af, gelegen tusschen de palen 260 en 263 in de gemeente Gangelt.

Ten gevolge van dezen afstand, is de grenslijn der beide Staten, tusschen gezegde palen, opgeheven en vervangen door die, welker beschrijving volgt.

Van paal 260 rigt zij zich in eene regte lijn naar het grondstuk, bij het Pruissische kadaster vermeld als Flur H, n°. 338/116, toebehoorende aan den heer FRANÇOIS LEYERS te Aken, en bereikt het bij punt a van kaart n°. II, dat op het terrein aangegeven is door eenen voorloopigen staak, gemerkt 261. Van daar volgt zij de grenzen der particuliere bezittingen tot in punt r, alwaar, zoo als boven in artikel 2 gezegd is, de voorloopige dubbele staken 263 geplaatst zijn.

Deze grenslijn is op het terrein uitgezet door genoemden staak 261 en vijftien andere voorloopige staken, gemerkt 261a—261o en 262, geplaatst in de punten b, p en q van kaart n°. II.

Zij wordt gevormd door de regte lijnen getrokken van eenen voorloopigen staak naar den anderen, te beginnen bij n°. 261 tot n°. 263.

Van het grondgebied der gemeente Gangelt, Koningrijk Pruissen, gaan over tot het grondgebied der gemeente Schinveld, Koningrijk der Nederlanden, de grondstukken begrepen tusschen de beide grenslijnen, van paal 260 tot de voorloopige dubbele staken 263, van welke grenslijnen het tegenwoordig verdrag de eene laat varen en de andere aanneemt. Deze grondstukken zijn bij het Pruissische kadaster vermeld, Flur H, n°. 21 tot en met 31, 34, 34a en 34b en voor een gedeelte n°. 113.

De voorloopige staken, waarmede de aangenomen grens op het terrein is uitgezet, zullen vervangen worden door de palen 261 en 262 der tegenwoordige grenslijn en door supplementaire steenen palen, gemerkt 261a — 261o.

De gevolmagtigden der beide Staten constateren dat de gronden, die wederkeerig zijn afgestaan, van denzelfden aard zijn en geen bewoond gebouw dragen.

Artikel 7

De grenslijnen, aangenomen of teruggevonden en geconstateerd door het tegenwoordige verdrag, en op het terrein uitgezet door middel van voorloopige staken, welke de bestaande palen aanvullen, zijn aangeduid op eene figuratieve en geometrische kaart. Deze kaart is in duplo, op twee bladen, n°. I en n°. II, opgemaakt onder het toezigt van de deskundige gevolmagtigden der beide Staten.

Zij wijst de juiste plaatsen aan van de voorloopige palen en staken, die door de gevolmagtigden zijn gehandhaafd en gezet, geeft daarnaast de grenslijnen terug, die men heeft laten varen, en de plaatsen der palen, die krachtens het tegenwoordige verdrag moeten verplaatst worden, en geeft, in een register, de geometrische maat van de hoeken onder welke de voorloopige staken zijn geplaatst, met de lengte in Nederlandsche en Pruissische maat van de zijden dezer hoeken.

Het register der kaart van de grenzen Schinveld-Gangelt, n°. II, geeft de hoeken aan, gemeten van het Nederlandsch grondgebied en volgens hunnen stand naar de zijde van dit grondgebied.

Het register der kaart van de grenzen Effelt-Vlodrop, n°. I, geeft daarentegen de hoeken terug, gemeten van het Pruissisch grondgebied en volgens hunnen stand naar de zijde van dat grondgebied.

De gevolmagtigden der beide Staten erkennen de juistheid en echtheid van deze kaart in duplo en van de registers, die haar aanvullen.

Artikel 8

Na de uitwisseling der akten van bekrachtiging van het tegenwoordig verdrag zullen de voorloopige staken, onder het toezigt der deskundige gevolmagtigden van de beide Staten, op het terrein vervangen worden, zoo als de bepalingen van het verdrag zulks vereischen, door de palen die ophouden zullen de grenslijn aan te duiden en hunne dubbelen (door supplementaire steenen palen) of door steenen aan de oppervlakte van den grond, gemerkt zoo als bovenstaande artikelen zulks aangeven.

Deze handeling zal gestaafd worden door een proces-verbaal in duplo.

Le présent traité sera ratifié aussitôt que faire se pourra et l'échange des ratifications aura lieu à Berlin.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.