Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen

Type Verdrag
Publication 1940-05-06
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ. ENZ. ENZ.

en

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN PRUISSEN, ENZ. ENZ. ENZ.

Bij tractaat van den 26ten Junij jl. bepaald hebbende de grensscheiding der beide Rijken, van de Fransche grenzen aan de Moezel tot aan het Oud-Hollandsch grondgebied bij Mook, en willende die oude grensscheiding laten onderzoeken, alsmede aan, den Neder-Rijn, op de billijkste en voegzaamste wijze, tot wederzijdsch voordeel der beide Staten, doen regelen al wat betrekking heeft tot de waterbouwkundige werken en dergelijke punten, — hebben, overeenkomstig art. 25 der slotacte van het Weener Congres, benoemd tot Commissarissen en met hunne volmagten voorzien, te weten:

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, de Heeren Maximiliaan Jacob de Man, Kolonel van het Corps der Genie, Directeur der Archieven van Oorlog en van het Topographisch bureau, Ridder der Militaire Willems-orde, 3de klasse, enJan Blanken Jz., Inspecteur-Generaal van den Waterstaat, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, en

Zijne Majesteit de Koning van Pruissen: den Heer Frederik Graaf von Solms Laubach, Eersten President der Hertogdommen Gulik, Kleef en Berg, Grootkruis der Orde van den Rooden Adelaar en der Orde van St. Anna van Rusland, dewelke, gebruik makende van de bevoegdheid, hem bij zijne volmagt verleend, tot datzelfde einde heeft gedelegeerd en met gelijke volmagten voorzien als de zijne, de Heeren Frederik Willem von Bernuth, Opper-Regerings-President te Arnsberg, en Johan Albert Eytelwein, Geheimraad en Directeur-Generaal der Openbare Werken van het Koningrijk.

Welke Commissarissen, na hunne volmagten uitgewisseld en in orde bevonden te hebben, wegens de volgende punten en artikelen zijn overeengekomen.

Art. 1

De grenzen bij het tegenwoordig tractaat vastgesteld, bepalen de grensscheiding tusschen de beide Staten, van het punt alwaar de grenzen langs de Maas het oude Hollandsche grondgebied raken bij de huizen genaamd Aan het end, tot aan het grondgebied van Hannover, alwaar de grenslijn tusschen de twee Koningrijken eindigt.

Art. 2

De grenslijn zal aan het bovengenoemde punt beginnen, en de grensscheiding volgen tusschen het Oude Hollandsche Pruissische grondgebied, zoo als die zich bevond in 1795, in dier voege, dat de Plak, het Schildbroek, de Steenbergsche heide en het Nederrijksche bosch, aan het Koningrijk der Nederlanden zullen verblijven; en het Kleefsche Bosch, de Lindenbergsche Hof, de Roode Leeuw, de Halvemaan en het grondgebied van Wilder aan het Koningrijk Pruissen.

Aan de Halvemaan zal zij den grooten weg van Kleef op Nijmegen dwars overgaan, en dien weg volgen tot aan het huis genaamd Koning van Pruissen, welk huis aan het Koningrijk Pruissen verblijven zal, zoodanig dat de gezegde weg geheel van de bovengemelde Halvemaan, tot het Koningrijk der Nederlanden behooren zal.

Van het huis, genaamd Koning van Pruissen, zal de lijn den grooten heerbaan verlaten, zich rigtende op het huis, genaamd de Mussenberg, bij het dorp Beek, latende dit huis aan Pruissen en het dorp aan de Nederlanden. Van de Mussenberg rigt zich de oude grensscheiding oostwaarts tot aan Aartjes Hof, hetwelk met den Wilderschen weg aan Pruissen verblijft; van daar noordwaarts, volgende de oude waterleiding tot aan de waterloozing van Zijfflich en deze waterloozing tot aan de grenzen tusschen Zijfflich en Loeth, zoodanig dat de Tornsche molen, met de aldaar gelegene huizen en het terrein van Zijfflich, tusschen de uitwatering en het Ooijsche water, zullen behooren tot de Nederlanden, — en het Wildersche meer, met het gedeelte der waterloozing van Zijfflich, tusschen den Tornschen molen en de grenzen van Loeth, geheel aan Pruissen zullen behooren.

De grenslijn zal vervolgens de gezegde scheiding tusschen Zijfflich en Loeth volgen, tot aan het zuidelijkste punt der heerlijkheid Millingen, en vervolgens de oude oostelijke grenzen dier heerlijkheid tot aan de Waal, zoodanig dat Zijfflich, Niehl en Bimmen aan het Koningrijk Pruissen blijven, en dat Loeth, Hulthuizen, Kekerdom en Millingen een gedeelte van het Koningrijk der Nederlanden zullen uitmaken.

Art. 3

Van het punt, alwaar de grens van Millingen aan de Waal raakt, zal de grenslijn zich in regte lijn rigten op den toren van Aerdt, tot aan het middenpunt van de regelmatige breedte der rivier, welk middenpunt opwaarts, voor Thalweg zal worden genomen, en de grensscheiding bepalen zal tot tegen over de verlenging der linkerzijde van den weg van Stokman naar Elten, in dier voege dat de Schenkeschans met deszelfs gebied een gedeelte van het Koningrijk Pruissen zal uitmaken, en dat de Kijfwaard, de Bijlandsche Waard, 's Gravenwaard, het Lobith, het Boven- en Beneden-Spijk, daaronder begrepen de enclave van het gebied van Elten, aan het Koningrijk der Nederlanden behooren zullen.

Art. 4

Van het bovengezegde midden van den Rijn, zal de grensscheiding de rivier verlaten, en zich noordwaarts wenden, den linker zoom van den weg van Stokman naar Elten langs gaande, tot aan het midden van de beek, genaamd de Wildt, latende den weg, genaamd de Postweg, met de brug over de Wildt, in zijn geheel aan Pruissen, en het gedeelte van Elten, gelegen tusschen dezen Postweg, het Boven-Spijk, den ouden Rijn en de Wildt, aan de Nederlanden.

De Pruissische onderdanen zullen de bevoegdheid hebben de Spijksche dijken vrij over te gaan, en wederkeerig zal de gezegde postweg altijd vrij en open blijven voor de onderdanen der Nederlanden.

Art. 5

De grenslijn zal het midden der beek de Wildt volgen tot aan den Ouden Rijn, en zal van daar het Eltensche gebied langs gaan, aan den regter oever van den ouden Rijn, en de kom, genaamd de Kam, tot aan den zomerdam van den Steenwaard, zoodanig dat de Kam en het Houwbergsche veerhuis, met de huizen tot aan de grens van Elten, aan het Koningrijk der Nederlanden behooren zullen.

Gekomen aan den zomerdam, welke geheel aan Pruissen blijft, zal zij de buitenglooijing op een' afstand van 12 voeten Rijnlandsche maat langs gaan, tot aan de oude zuidelijke grenzen der heerlijkheid Grondstein, en zal deze grenzen volgen langs den regter oever van den Ouden Rijn, tot beneden de weide, behoorende tot het huis genaamd Waardmanshof, zoodanig dat het gedeelte van de Kijkuit, tusschen gezegde weide en den Ouden Rijn gelegen, aan het Koningrijk Pruissen behooren zal. Vervolgens zal de lijn de westelijke sloot van deze weide volgen, tot aan den weg de verlenging der zomerkade uitmakende, en zal zij dezen weg in eene noordelijke rigting tot aan de eerste sloot ter regterzijde langs gaan, en deze sloot, als ook de zuidelijke sloot van de Smitsweide, tot aan den afstand van 3 roeden Rijnlandsche maat van de oostelijke sloot dier weide, volgen.

Van dit punt, zal de grensscheiding zich evenwijdig met gezegde oostelijke sloot rigten tot aan de noordelijke grenzen van Grondstein, in dier voege, dat de Steenwaard met den zomerdam, de heerlijkheid Grondstein, en de oostelijke sloot van de Smetsweide, met de 3 roeden aan de overzijde, ten einde daarvan eenen weg te maken, welke op den weg van Zevenaar naar Elten uitloopt, tot het Koningrijk van Pruissen behooren zullen; en de Kribmeestersweide, de Meeuwenpollen en het gedeelte van den Noteboomschen polder, alwaar zich de overlaat van de Lijmers bevindt, geheel tot het Koningrijk der Nederlanden.

Art. 6

Vervolgens zal de grenslijn langs de noordelijke grenzen van Grondstein gaan, tot aan een land behoorende aan de kerk van Elten, tusschen den weg van Zevenaar naar Elten en de uitstekende punt van Grondstein gelegen. Van daar zal zij de oude grenzen tusschen Elten en de Lijmers volgen, en zich in eene regte lijn op de oude grens van Gelderland rigten, zoodanig dat de huizen van Velthuizen aan Pruissen blijven en de uitstekende punt door de oude grensscheiding ter linkerzijde gevormd, aan de Nederlanden.

Eindelijk zal zij de grenzen tussen grondgebied van Elten en dat van het proostschap van Emmerik, alsmede die van Beek en 's Heerenberg, zoo als die zich in 1795 bevonden, tot aan de beek, gezegd de Wildt, langs gaan.

Art. 7

Van de Wildt zal zij zich oostwaarts wenden door het midden van deze beek en van de Bergsche Wetering, tot aan de landweer of schouwgracht van Netterden, en zal insgelijks het midden van deze schouwgracht volgen tot aan de sluis, welke in den zomerdam van klein Netterden gelegd zal worden. Deze sluis zal geheel aan Pruissen blijven, en de lijn zal, na zich om dezelve te hebben heen gewend, het midden volgen van het uitwateringskanaal, tot aan de oude grensscheiding tusschen de beide Koningrijken, ten oosten van de Nettersche landweer te graven.

Door deze bepaling zal het terrein, waarin zich bevindt de Linthorst, de Bosch, de Botberg, Klein Netterden, Speelberg, Borghees enz., en hetwelk tusschen de oude grenzen van Huttum en Emmerik gelegen is, het nieuw te graven uitwaterings-kanaal, de sluis van Klein Netterden, de Schouwgraaf, de Bergsche Wetering en de Wildt, van nu voortaan aan Zijne Majesteit den Koning van Pruissen behooren.

Art. 8

Op de bijzondere kaart, bij dit tractaat gevoegd, en door de respective Commissarissen geteekend, zullen de hierboven omschreven grenzen bepaaldelijk afgeteekend worden.

Art. 9

Van gezegd punt, ten oosten der landweer van Hetter tot aan de Hannoversche grenzen, zal de grenslijn dezelfde als in 1795 blijven, en zal in hare bijzonderheden slechts bij de algemeene plaatsing der palen bepaald worden, aangezien zich noch verschil noch aanmerking nopens hare rigting voordoet.

Art. 10

Behalve de gedeelten grondgebied, welke, ten gevolge der grensscheiding, bij de vorige artikelen bepaald, van heerschappij zullen veranderen, zal Oberbillig, met het grondgebied op den regter oever van de Moesel gelegen, en volgens het tractaat van Aken van den 26sten Junij jl. aan het Koningrijk der Nederlanden moetende behooren, aan het Koningrijk Pruissen verblijven.

Art. 11

Al de Waterbouwkundige werken enz, aan weêrskanten der rivier gelegen, zullen voortaan alleenlijk ten laste en ter bijzondere beschikking komen van den Vorst, die het bij art. 3 bepaalde grondgebied aan beide zijden van den Thalweg bezit.

Art. 12

Er zal in de bedding der rivier, ten ware bij voorafgaand overleg en gemeenschappelijk goedvinden der beide Mogendheden, geen offensief werk mogen worden daargesteld, hetwelk aan den stroom en daardoor aan den tegenovergestelden oever schadelijk zou kunnen zijn. Insgelijks is het gelegen met de nieuwe werken aan het buitenterrein der dijken, welke den stroom en den ijsgang zouden kunnen belemmeren of tegenhouden.

Art. 13

De eigenlijke breedte der rivier wordt gerekend op 150 roeden (Rijnlandsche maat), genomen ter middelbare hoogte van 8 voet en 6 duim aan de pijlschaal te Pannerden, overeenkomende met 6 voet en 4 duim aan de pijlschaal van Emmerik.

Geene rijs- of aanplantingen hoegenaamd, die den tegenovergestelden oever der rivier op een afstand van minder dan 150 roeden zouden naderen, zullen mogen geduld worden, in dier voege, dat zij niet alleen op die normale breedte zullen verboden zijn, maar zelfs dat de thans bestaande, welke de breedte van 100 roeden overschrijden, tot op den wortel zullen worden geveld of uitgerukt.

Indien het intusschen mogt worden noodig geoordeeld, eenige aanplanting, in strijd met die bepalingen, van de eene of andere zijde te doen, dan zullen de respective autoriteiten zich vooraf over de uitvoering daarvan moeten verstaan.

Art. 14

Geene der beide Mogendheden zal immer, op gezegde normale breedte van 150 roeden, aan haren kant tegenover den vreemden oever laten uitoefenen of toestaan het visschen van zalm of andere visch hoe ook genaamd, door middel van steken of andere middelen welke in den loop van het water eenige de minste vertraging zouden kunnen veroorzaken, of eenigermate eene ophooping van kiezel, zand of andere voorwerpen bevorderlijk kunnen zijn, die aanwas van grond zouden kunnen te weeg brengen.

Art. 15

Het oppergezag over de visscherij op den Beneden-Rijn zal bepaald worden door eene regte lijn, te trekken van de toren van Keken op die van Lobith, zoodanig dat het gedeelte bovenwaarts die lijn, aan Zijne Majesteit den Koning van Pruissen, en het gedeelte benedenwaarts aan Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden behooren zal.

Art. 16

Indien zich ondiepten of zandbanken in het midden der rivier mogten vormen, zoodanig dat het nuttig is de nadeelige gevolgen voor de algemeene scheepvaart er van voor te komen, zoo zal men in overleg treden omtrent de maatregelen, met wederzijdsch goedvinden te nemen om verdere ongelegenheden tegen te gaan.

Art. 17

Vervallen

Art. 18

De overeenkomsten van den 23sten September 1745 en van den 4den Julij 1771 worden bij het tegenwoordig tractaat vernietigd.

Art. 19

Vervallen

Art. 20

Opdat de afloop van het water van den polder de Hetter, zonder aan het naburig grondgebied der Nederlanden te schaden, plaats grijpe, zal in den zomerdam de klein Netterden een gemetseld sluisje met twee wel gesloten valdeuren worden gemaakt.

De opening der afwatering zal zijn van 4 tot 5 voeten (Rijnlandsche maat), en de grond of de bodem zal niet lager dan een voet beneden dien der groote sluis van Nieder-Hetter, nabij den Leeuwenberg, in den Hoofd-Rijndijk, boven Emmerik, worden gelegd.

Noch de muren, noch de waterkeering der nieuwe sluis van Klein Netterden, zullen immer beneden de tegenwoordige hoogte van gezegden zomerdam van Netterden mogen zijn, gelijkstaande aan n°. 13 voet der pijlschaal, die op dit oogenblik aan den kant opwaarts van gezegde groote sluis van Leeuwenberg bestaat.

Art. 21

Geen der valdeuren van de nieuwe sluis van Klein Netterden mag worden opgehaald, dan wanneer de landweer of schouwgracht van Netterden, de Bergsche Wetering en de Wildt, zullen zijn op hunne diepten, breedten en geheele opening, bedongen bij art. 22, en wanneer alsdan het water in de schouwgracht, beneden gezegde nieuwe sluis, ten minste tot n°. 10 voet aan de pijlschaal der groote sluis van Leeuwenberg zal gedaald zijn, of, hetgeen op hetzelfde neerkomt, op drie voet nederwaarts van de grootste hoogte, welke bij het volgend artikel bepaald is, voor de nieuwe sluis van Klein Netterden, en de kruin van den zomerdam van dien naam.

Art. 22

De algemeene afmetingen, bepaald voor de, afwateringen, zijn als volgt:

Uitgezonderd die van Klein Netterden, zal geene sluis verlaagd, of doorsnijding hoe ook genaamd, in gezegden zomerdam mogen worden gebouwd of daargesteld.

Geen afwaterings-sloot, breeder dan drie voet op de bedding zal gegraven worden:

Het Pruissische Gouvernement zal binnen den kortst mogelijken tijd, ieder gebrek, ten aanzien der bepalingen onder 4°, doen verhelpen.

Art. 23

De bermen of de gronden, aan iederen kant der afwaterings-sloot zullen, met de uit te graven aarde worden opgehoogd en gelijk gemaakt, des noodig met de gronden aan beide zijden der sloot, zonder eenige vergoeding voor de gedeelten terrein met gezegde uitgegraven aarde bedekt, welke ten laste van het Pruissisch Gouvernement zullen zijn.

Art. 24

Ingeval dat de nieuw te graven sloot, alsmede de Nettersche schouwgraaf, naburige wegen of andere, hoe ook genaamd, doorsnijdt, zal het Pruissisch Gouvernement daar ter plaatsen hechte en voldoende bruggen doen leggen, opdat de overgang in geenen deele belemmerd worde.

Hetzelve zal insgelijks ten zijnen laste nemen, niet alleen de verbreeding der Wildt, de Bergsche Wetering en het graven der nieuwe afwaterings-sloot, alles op de afmetingen bij art. 22 bepaald, maar ook het maken van alle nieuwe aarde- of metselwerken.

Art. 25

Hoe onderhoud van gezegde afwatering, voor zoo verre zij de grensscheiding, beginnende aan de limieten van Nieder-Hetter, daarstelt, zal door beide Staten gemeenschappelijk worden gedragen, terwijl hetzelve ten laste zal komen van iederen Staat op wiens grondgebied die afwatering geheel zal gelegen zijn.

De sluis van Nieder-Hetter zal geheel ten laste van het Pruissisch Gouvernement komen.

Art. 26

Voor zoo veel verbreedingen of veranderingen van oude bruggen voor de waterloozing der Hetter noodig mogten zijn, zal het Pruissisch Gouvernement in de kosten der eerste vermaking voorzien; maar het onderhoud zoo wel van die nieuwe werken als van de bruggen en werken vóór het graven der bedoelde waterloozing bestaande, zal ten laste der beide Staten komen.

Art. 27

De groote sluizen in den Hoofd-Rijndijk, tusschen Emmerik en Wezel bestaande, zullen niet weggenomen, gesloten, of in hun afwaterings-vermogen naar gemelde groote rivier verminderd mogen worden; opdat alle die sluizen, zoo als thans, in goeden staat blijven tot het gemakkelijk afvoeren van het overstroomings- of regenwater van de geheele uitgestrektheid van het land, achter die hoofddjjken gelegen.

Ingeval van de zijde van Pruissen eenige verandering in de bedoelde sluizen mogt worden noodig geoordeeld, zal men zich dienaangaande met de bevoegde Nederlandsche autoriteiten verstaan, en indien het Gouvernement van dat Rijk daarin toestemt, zal het beding, in dit artikel vervat, veranderingen kunnen ondergaan

Art. 28

Alle voornoemde werken en voorwerpen, van den zomerdam van Klein Netterden tot aan de vereeniging der Wildt met den ouden Rijn, zullen tweemaal in 't jaar, in de maanden Junij en October, door Commissarissen en deskundigen, van weêrskanten te benoemen, in oogenschouw worden genomen, overeenkomstig een reglement, met gemeen overleg op te stellen. Welke Commissarissen en deskundigen, van 't oogenblik hunner bemoeijing, de bevoegdheid zullen hebben om over al de te maken en te onderhouden werken toezigt te houden.

Art. 29

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.