Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Hannover
Gesloten en geteekend te Meppen den 2den Julij 1824,
bekrachtigd door Z. M. den Koning der Nederlanden,
den 18den Augustus 1824,
en
door Z. M. den Koning van Hanover,
den 24sten September 1824.
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
En Zijne Majesteit de Koning der vereenigde Rijken van Groot-Brittanje en Ierland, ook Koning van Hanover, Hertog van Brunswijk-Lunenburg, enz., enz., enz.
Noodig geoordeeld hebbende, tot meerdere bevestiging der tusschen de beide Koningrijken der Nederlanden en van Hanover zoo gelukkig bestaande opregte vriendschap en tot onderhouding der rust op de grenzen, dezelve over de geheele linie, waar de beide Rijken aan elkander sluiten, te regelen en vast te stellen, en tevens de tusschen wederzijdsche grensbewoners, wegens wederkeerige betrekkingen, hier en daar bestaande oneenigheden zoo mogelijk te vereffenen, alsmede, ten opzigte der grens-afwaterings-inrigtingen, de voor beide Staten meest doelmatige bepalingen te treffen, hebben met dit oogmerk als Commissarissen benoemd en met de noodige volmagten voorzien, te weten:
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden enz., de Heeren Maximiliaan Jacob de Man, Generaal-Majoor, Directeur van het Archief van Oorlog en topographisch Bureau, Ridder van de Militaire Willems-Orde, derde klasse, Kommandeur van de Orde van den Nederlandschen Leeuw en Ridder van de Orde van den Rooden Adelaar van Pruissen, tweede klasse, Mr. Albertus Sandberg, lid der Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel, Mr. Hendrik Guichart, lid der Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, en Mr. Johannes Linthorst Homan, lid van de Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe.
En Zijne Majesteit de Koning van Hanover, enz., Hoogstdeszelfs Regeringsraad, den Doctor in de regten Coenraad Ferdinand Frederik von Pestel-Bruche, Ridder van de Koninklijk Hanoversche Guelphen Orde, Hoogstdeszelfs Landraad den Docter in de Philosophie Clamor Ernst George Victor, Vrijheer von dem Bussche-Hümnefeld, en Hoogstdeszelfs Waterbouw-Inspector Otto Diederik Christiaan Frederik Reinhold; welke Commissarissen, na wederkeerige uitwisseling hunner volmagten, onder goedkeuring hunner hooge Heeren Committenten, te zamen zijn overeengekomen omtrent de navolgende punten:
Artikel 1
Bij de tegenwoordige regeling en bepaling der grenzen, zijn tot grondslag genomen de grensverdragen, die in dato 16 Mei 1548, 1 Augustus 1659, 18 Mei 1778, 1 April en 3 September 1779, 26 Augustus en 9 September 1801, over de grenzen tusschen de Nederlandsche provincien Overijssel en Drenthe en het Hannoversch graafschap Bentheim, en in dato 27 October en 10 November 1764, 11 en 29 October 1784, over de grenzen tusschen de Nederlandsche provincien Groningen en Drenthe en de Hanoversche kreits Meppen, alsmede die, welke in dato 24 Junij 1636, 14 Maart 1700, 28 Augustus en 2 November 1706 en 26 Januarij 1723, over de grenzen tusschen de Nederlandsche provincie Groningen en de Hannoversche provincie Oost-Vriesland, zijn gesloten. Daar intusschen in deze verdragen gedeeltelijk de grenzen op verschillende punten niet zijn opgegeven, of wel niet naauwkeurig genoeg bepaald, gedeeltelijk ook ten opzigte der grens-afwateringen, geene voldoende bepalingen bevatten, zoo zal door het tegenwoordig tractaat in deze gebreken worden voorzien, ten einde, zoo min over het een als over het ander dezer onderwerpen, in het vervolg eenig verschil plaats vinde.
Overigens zullen alle in de bedoelde verdragen voorkomende bepalingen, in zoo verre dezelve door het tegenwoordig tractaat, hetzij in het algemeen, hetzij in het bijzonder, niet zijn veranderd en opgeheven, hare volle kracht behouden.
Art. 2
De tot dus verre bestaan hebbende bijzondere regten der wederzijdsche grensbewoners op het grondgebied van een der beide Staten, hetzij dezelve gegrond zijn op de in het eerste artikel aangehaalde grensverdragen, of wel op bijzondere convenanten, eigendom of herkomst, zullen, in zoo verre dezelve door het tegenwoordig tractaat niet bijzonder zijn geregeld en vastgesteld, aan de belanghebbenden, zoo vóór als na, blijven voorbehouden.
Art. 3
Zoodra de grenssteenen, na de ratificatie van het tegenwoordig tractaat, zullen gezet zijn, zal eene door wederzijds benoemde geometers vervaardigde topographische grens-kaart, alsmede eene topische beschrijving der grenzen, met de noodig croquis, waarop alle grens steenen, derzelver afstanden en hoeken naauwkeurig zijn gebragt, door wederzijdsche Commissarissen aan hunne respective Gouvernementen worden overgelegd; inmiddels zal bij het tegenwoordig tractaat eene naar eene kleinere schaal vervaardigde generale topographische kaart, tot opheldering, worden gevoegd.
Art. 4
Daar, waar de grenslijn gebouwde eigendommen doorsnijdt, zal het geheel gebouw aan de Souvereiniteit van dien Staat onderworpen zijn, in welken het grootste gedeelte van hetzelve is gelegen. Desgelijks zal ook de grenslijn, waar dezelve tuinen doorsnijden mogt, die onmiddellijk aan de woonhuizen gelegen zijn, om den tuin heen getrokken worden, zoodanig, dat ook deze tot het gebied behoort, waaronder het huis gerekend wordt; en eindelijk, wanneer de grenslijn tusschen woonhuizen en de daaraan gelegen gebouwen of schuren loopt, zullen de laatsten, met opzigt tot de Souvereiniteit, tot dien Staat behooren, waarin de woonhuizen gelegen zijn.
Alle gevallen echter, waarop deze bepalingen van toepassing worden gemaakt, zullen bij het stellen der grenssteenen, in de topische beschrijving bijzonder worden vermeld, alsmede op de kaart aangegeven worden, of het door de grensscheiding doorsneden woonhuis of gebouw Nederlandsch of Hanoversch is.
Art. 5
Na de ratificatie van het tegenwoordig tractaat, zullen, noch door corporatiën, noch door bijzondere personen van een der beide Staten, geene gebouwen nader bij de grenzen mogen worden opgerigt, dan op eenen afstand van driehonderd zes en zeventig Nederlandsche ellen en zeven palmen of honderd Rijnlandsche roeden.
Door deze bepaling echter zal het Hoogheidsregt der beide Gouvernementen, om overal aan de grenzen, waar dezelve zulks in het vervolg noodig mogten oordeelen, staatsgebouwen of verdedigingsinrigtingen, van welken aard ook, aan te leggen, in geenen deele beperkt worden.
Art. 6
Daar, waar het tusschen aangrenzende gemeenten van beiden Rijken gebruikelijk is het vee ductu naturae of zonder hoeder te laten weiden, zal hetzelve, wanneer wederregtelijk de grenslijn mogt overtreden en deze tevens marktscheiding is, en niet verder dan honderd acht en tachtig Nederlandsche ellen en vier palmen of vijftig Rijnlandsche roeden van de grens mogt verwijderd zijn, niet mogen worden geschut, maar zal in dat geval aan de belanghebbenden slechts geoorloofd zijn, het overgeloopen vee weder over de grenzen terug te drijven, zonder hetzelve te jaren of te doen aanhitzen.
Deze bepaling zal echter geen plaats hebben, met betrekking tot gecultiveerde of bevredigde gronden, noch ook in het geval, waar het vee door eenen hoeder wordt bewaakt, of waar hetzelve, volgens bestaande usantien tusschen eenige gemeenten, in het geheel niet over de grenzen mag komen, als blijvende in die gevallen het regt van schutten van het overgeloopen vee en de invordering van het in iedere gemeente gebruiklijk schutgeld, aan de belanghebbenden voorbehouden.
Art. 7
Aan de grensbewoners, wier eigendom gedeeltelijk aan deze, gedeeltelijk aan gene zijde der grenzen gelegen is, zal eene geheel vrije gemeenschap met zoodanige grondstukken, in zoo verre die tot bedrijf van hunnen akkerbouw noodig is, zijn voorbehouden; dienvolgens kunnen de bezitters van zulke gronden, mest, stroo, strooisel en andere bemestingen voor het bebouwen hunner landerijen, als mede alle soorten van veld-, tuin- en boomvruchten, uit- en invoeren, zonder ergens aan eenige regten, hetzij inkomende of uitgaande, transito of andere dergelijke belastingen, onderworpen te kunnen worden.
Zij zullen alleen door certificaten hunner plaatselijke autoriteiten behooren aan te wijzen, dat zij aan gene zijde der grenzen een eigendom bezitten en bebouwen, doch kunnen zich niettemin aan het onderzoek en visitatie der commiesen of andere tot wering des sluikshandels wettig aangestelde ambtenaren, niet onttrekken. Deze zijn daarentegen alleen bevoegd, respectivelijk op derzelver gebied visitatien te doen.
Art. 8
Voor zoo verre, door de bepalingen van het tegenwoordig tractaat, eenige gebouwen of andere gronden mogten overgaan onder eene andere Souvereiniteit, als waartoe dezelve tot beden hebbeen behoord, zullen de Rijks belastingen, die thans van zoodanige percelen worden geheven, voor het jaar 1825 blijven voortduren ten behoeve van het Rijk, hetwelk dezelve thans geniet; edoch van af den eersten Januarij duizend acht honderd zes en twintig alleen door dat Gouvernement worden belast, tot wiens Souvereiniteit deze percelen alsdan zullen behooren.
Art. 9
Daar, waar de grenslijn gronden doorsnijdt, die, of aan Nederlandsche hofhoorige erven of aan Hanoversche lijfeigene boeren behooren, zal opzigtelijk huune tegenwoordige betrekkingen tot derzelver goedsheeren, geene verandering worden te weeg gebragt.
Art. 10
De Nederlandsch-Hanoversche grenzen vangen aan, te rekenen van de provincie Overijssel en het graafschap Bentheim, in den omtrek van het zoogenaamde Welperveen of Vleer, ter plaatse waar zich het Nederlandsch, Hanoversch en Pruisisch grondgebied, bij het punt Drieland genaamd, vereenigt en waar thans een met het jaartal 1659 gemerkte grenssteen staat.
Van hier loopt de grensscheiding, in regte lijn en noordwestelijke rigting, naar eenen op de zoogenaamde marksplaats staande, met voorschreven jaartal en het Bourgondische en Bentheimsche wapen gemerkten grenssteen; vervolgens in meer noordelijke doch steeds regte strekking, op den ouden grenssteen, staande aan den noordelijken voet van den Paaschbult of Scherpenberg; van dezen verder door de nieuwe kamp van den Hanoverschen landman Verbecke, en het gemeene veld, niet verre van de Dinckel en oostelijk van dit riviertje naar den ouden in een eiken boschje staande steen, welke wel met het Bourgondische en Bentheimsche wapen, doch met geen jaartal, is voorzien.
Ofschoon de weg alhier, die naar den hof van Verbecke leidt, in deszelfs lengte gedeelte door de grenslijn wordt doorsneden, zoo zal dezelve nogtans geheel Hanoversch blijven.
Van laatstgemelden steen gaat de grens verder, in regte lijn, op een punt aan den regter-oever der Dinckel, hetwelk zeven en dertig ellen zeven palmen of tien Rijnlandsche roeden rug-of zuidwaarts van het, in tegenwoordigheid van commissarissen in de rigting der opgegeven marktegrenzen tusschen de Nederlandsche gemeente Losser en de Hanoversche gemeente Gilhuis, gegraven kruis, op den regter-oever der Dinckel valt, zoodanig dat tusschen deze twee opgegeven punten, de Dinckel, ter lengte van zeven en dertig ellen zeven palmen of tien Rijnlandsche roeden, gemeenschappelijk blijft en de dalweg, of het midden derzelve, aldaar de grensscheiding maakt.
Deze gaat dan verder, van het laatste in de verlenging der voornoemde Marktegrenzen op den regter-oever der Dinckel vallende punt, in regte lijn op een ander vastgesteld punt, bij de plaats, waar het vorig huis van den Hanoverschen bouwman Oeverink heeft gestaan, en wel op eenen afstand van twee en vijftig Nederlandsche ellen zeven palmen of veertien rijnlandsche roeden van het middelpunt van den tegenwoordigen steenen put of bron des gezegden bouwmans, rug- of westwaarts naar de Dinckel heen.
Van hier loopt de grens verder in regte lijn naar eenen met het jaartal 1659 en het Bourgondische kruis en Bentheimsche wapen gemerkten grenssteen, welke op eene hoogte staat, waar voorheen de Twentsche galg heeft gestaan en verder in regte lijn tot op negen nederl. palmen of drie voeten rijnl. westelijk van den nog voorhanden paal der voormalige Bentheimsche galg; van hier in regte lijn door de heide op eenen ouden grenssteen, gemerkt als de vorigen en aan den westelijk uitspringenden hoek der ouden kamp van Mersman staande. Wijders regt door de heide en de landen van den Hanoverschen inwoner Kock op eenen aan beide zijden met het Bentheimsche wapen voorzienen grenssteen, westelijk aan den Bentheimschen Landweer staande, welke Landweer Hanoversch territoir blijft; vervolgens westelijk langs deze Landweer, tot daar, waar dezelve op den zuidelijken hoek van de zoogenaamde Veenkamp stoot, alsdan om de oostzijde van den wal dezer kamp heen; vervolgens weder westelijk langs de Landweer tot aan den westelijken hoek van Holthermskamp; van daar langs de westzijde der sloot van de maten der Hanoversche ingezetenen Holtherms, Piepers en Egbert, tot aan den grenssteen, welke aan den westelijken hoek van voornoemde Egbertsmate staat en met het Bourgondische en Bentheimsche wapen, zonder jaartal, is voorzien.
Van dezen steen gaat de grens in regte lijn op dien bij de zoogenaamde Zonnentelge, een oude eikenboom, die op Hanoversch grondgebied staat, zijnde deze steen aan de eene zijde met het woord Twenthe en aan de andere met het Bentheimsche wapen voorzien. Vervolgens door het Heideveld, regt op eenen steen, het onderst boven op eenen kleinen heuvel of zoogenaamd Bergske staande, van waar de grenslijn in eenen regten hoek oostelijk naar het Hanoversch grondgebied, elf Nederlandsche ellen en drie palmen of drie roeden rijnlandsch inspringt, namelijk tot op het midden van den dadelijk aan den voet en ten oosten van dit bergsken beginnende zoogenoemden Rammelhaarweg, welke gemeenschappelijk en tien Nederlandsche ellen of twee- en dertig voeten rijnlandsch breed zal zijn, en voorts aan beide zijden met steenen zal worden afgezet. Van den op dezen afstand te plaatsen steen, loopt de grensscheiding in regte lijn door het midden van den genoemden gemeenschappelijken weg, op eenen piketpaal, geslagen aan de linker- of noordzijde van den ingang der kamp van den Hanoverschen bouwman Schwartzkamp, tegen over deszelfs woning, opzeven-en-dertig Nederlandsche ellen zeven palmen of tien roeden rijnlandsch, westelijk van den hoek der kamp, van waar aan den weg eene zoodanige rigting zal worden gegeven, dat het midden van denzelven op zestien Nederlandsche ellen negen palmen of vier en eene halve roede rijnlandsch, van den zuidwestelijken hoek der kamp van den Hanoverschen landman Hagelskamp, westelijk komt te vallen. Hier van daan rigt zich dezelve verder op het middenpunt, tusschen den zuidoostelijken hoek van den op Nederlandsch territoir gelegen zoogenaamde Vosskamp en de scheiding tusschen de Hanoversche bouwlieden Hagelskamp en Kalters of Rademakerskamp, welk middenpunt omtrent zestien Nederlandsche ellen negen palmen of vier en een halve roede Rijnlandsch, van den genoemden zuidoostelijken hoek van Vosskamp gelegen is. Van dit punt zal de middenlijn des wegs op de thans aanwezige westelijke sloot van Kalters of Rademakerskamp, en wel op eenen afstand van honderd dertien Nederlandsche ellen of dertig Rijnlandsche roeden van den uitspringenden noordwestelijken hoek der laatstgenoemde kamp rug- of zuidwaarts afgemeten, getrokken en de gezegde middellijn van dit punt verder zoodanig gedirigeerd worden, dat dezelve in noordelijke en regte rigting op vier en negentig Nederlandsche ellen twee palmen of vijf en twintig Rijnlandsche roeden afstand van den oostelijk van den slagboom voor Kalterskamp ingeslagen piquetpaal in het alignement valt van het overige gedeelte van den bepaalden Rammelhaarweg en zich dan daarmede vereenigt.
Door deze bepaling zal alsdan, na aftrek der breedte van den halven weg, van den noordwestelijken hoek van Kalters of Rademakerskamp, ten hoogste een driehoek worden afgesneden, welke negen Nederlandsche ellen vier palmen of twee en een halve Rijnlandsche roeden hoogte en honderd dertien ellen of dertig Rijnlandsche roeden tot basis heeft en aan Nederlandsch gebied zal behooren, zullende deze rigting overigens, bij het stellen der grenssteenen, nader worden aangewezen.
Het vorengenoemde alignement of middellijn van den weg zal worden aangewezen door den op vier en negentig Nederlandsche ellen twee palmen of vijf en twintig Rijnlandsche roeden noordwaarts van den slagboom voor Kalters of Rademakers kamp ingeslagen piquetpaal en het op zeven Nederlandsche ellen vijf palmen, of twee roeden Rijnlandsch westelijk van den zuidelijken hoek der kamp van den Hanoverschen bouwman Schutte of Schutman aangenomen punt, en valt vervolgens in den reeds bestaanden weg voor Schutmanskamp, zullende deze laatste weg insgelijks van daar af tot aan den steen n°. 11 in den wal van de aan den Hanoverschen landbouwer Rammelkamp toebehoorende Twenter kamp aan de Rammelbeek, in regte lijn gelegd worden, zoodanig, dat deszelfs middellijn tot daartoe de grens uitmaakt.
Art. 11
Het gebruik van den hiervoren genoemden gemeenschappelijken Rammelhaarweg zal voor de ingezetenen der beide Staten, zoo wel in commercieel als in andere opzigten, vrij en ongehinderd zijn en blijven.
Art. 12
Van den in art. 10 laatstgenoemden steen aan de Rammelbeek, loopt de grensscheiding, ingevolge het in d°. 1 April en 3 September 1779, tusschen de Provincie Overijssel en het Graafschap Bentheim gesloten vergelijk-reçes, op de langs de gemeenschappelijke Rammelbeek voorhanden steenen n°. 10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2 en 1, staande deze laatste steen aan het einde der Rammelbeek aan den oostelijken hoek van Strootmans kamp.
Hierbij moet echter bemerkt worden, dat van den steen n°. 7 af aan tot aan Wolfskamp, de grenslijn niet langs de sedert het bovengemeld convenant regt doorgegraven Rammelbeek loopt, maar den ouden nog zigtbaren loop der Rammelbeek oostelijk in Rammelkamps hooiberg volgt, waarin zij drie wendingen maakt, die te zamen eenen kleine vierhoek vormen en dan in Rammelkamps hooiberg zich weder aan het punt aansluit, waar de nieuw doorgegraven Rammelbeek, tusschen Wolfskamp en Rammelkamps hooiberg, in de oude aangehouden en verder tot grens strekkende beek weder invalt.
Art. 13
De in het aangehaalde vergelijk-reçes van het jaar 1779 bepaalde jaarlijksche bezigtiging der op voorschreven wijze de landgrens formerende Rammelbeek, zal voortaan, op den eersten Maandag in September van ieder jaar, door de wederzijdsche plaatselijke autoriteiten, die zulks aangaat, worden verrigt en voor de opruiming der beek door de wederzijdsche geconcerneerde gemeenten, door hen worden gezorgd; zullende dezelve ook in hunne tegenwoordigheid moeten geschieden.
Art. 14
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.