Verdrag tot herziening van het Tractaat van 19 april 1839, voor zoveel het Luxemburg betreft
In naam der zeer Heilige en Ondeelbare Drieëenheid.
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groothertog van Luxemburg, in aanmerking nemende de verandering in den toestand van het Groothertogdom gebragt ten gevolge van de losmaking der banden, waardoor het aan den voormaligen Duitschen Bond gehecht was, heeft Hunne Majesteiten den Keizer van Oostenrijk, den Koning der Belgen, den Keizer der Franschen, de Koningin van het Vereenigde Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland, den Koning van Pruissen en den Keizer aller Russen uitgenoodigd, Hunne vertegenwoordigers in eene conferentie te Londen te doen bijeenkomen, ten einde zich met de gevolmagtigden van Zijne Majesteit den Koning Groothertog te verstaan omtrent de nieuwe schikkingen, welke in het algemeen belang van den vrede te nemen zullen zijn.
En Hunne genoemde Majesteiten, na die uitnoodiging te hebben aangenomen, hebben in gemeen overleg besloten in te stemmen met den wensch door Zijne Majesteit den Koning van Italie uitgedrukt, om deel te nemen aan eene beraadslaging, die bestemd is om een nieuw onderpand van zekerheid voor de handhaving der algemeene rust daar te stellen.
Dien ten gevolge hebben Hunne Majesteiten, in overeenstemming met den Koning van Italie, tot dat doel een verdrag willende sluiten, tot Hunne gevolmagtigden benoemd, te weten:
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groothertog van Luxemburg, den heer ADOLPH baron BENTINCK, Zijner Majesteits kamerheer en Minister van Staat, Hoogstdeszelfs buitengewoon gezant en gevolmagtigd minister bij Hare Britsche Majesteit, kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder-grootkruis der orde van de Eikenkroon; den baron VICTOR DE TORNACO, Minister van Staat, Voorzitter der Regering van het Groothertogdom, Hoogstdeszelfs kamerheer in buitengewone dienst, grootkruis der orde van de Eikenkroon, grootkruis der Leopoldsorde van Belgie, ridder der Pruissische Kroonorde eerste klasse, kommandeur der Keizerlijke orde van het Legioen van Eer, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, enz.; en den heer EMANUEL SERVAIS, Vice-President van den Raad van State en van het opperste geregtshof, oud-lid der Regering, grootofficier der orde van de Eikenkroon, ridder der orde van den Rooden Adelaar van Pruissen tweede klasse met de ster en ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw;
Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Hongarije en van Bohemen, den heer RUDOLPH graaf APPONYI, kamerheer, geheimraad van Zijne Keizerlijke en Koninklijke Apostolische Majesteit, Hoogstdeszelfs buitengewoon ambassadeur bij Hare Britsche Majesteit, ridder van het Gulden Vlies, grootkruis der Keizerlijke Leopoldsorde;
Zijne Majesteit de Koning der Belgen, den heer SYLVAIN VAN DE WEIJER, Minister van Staat, Hoogstdeszelfs buitengewoon gezant en gevolmagtigd minister bij Hare Britsche Majesteit, grootkruis der Koninklijke Leopoldsorde, ridder van het IJzeren Kruis, grootkruis der orde van de Heiligen Mauritius en Lazarus van Italie, grootkruis der orde van Karel III van Spanje, grootkruis der orde van den Toren en het Zwaard van Portugal, grootkruis der orde van den Ernestinischen tak van het Saksische Huis, kommandeur der orde van het Legioen van Eer van Frankrijk;
Zijne Majesteit de Keizer der Franschen, den heer GODEFROY BERNARD HENRI ALPHONSE, Prins DE LA TOUR D'AUVERGNE LAURAGUAIS, Hoogstdeszelfs buitengewoon ambassadeur en plenipotentiaris bij Hare Britsche Majesteit, grootofficier der Keizerlijke orde van het Legioen van Eer, grootkruis der orde van Saksen-Coburg en Gotha, grootkruis der orde van den Rooden Adelaar van Pruissen, enz., enz.;
Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigde Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland, den zeer achtbaren EDWARD STANLEY, lord Stanley, lid van Harer Majesteits Geheimen Raad, lid van het Parlement en Haren eersten secretaris van Staat voor buitenlandsche zaken;
Zijne Majesteit de Koning van Italie, den heer EMMANUEL TAPARELLI DE LAGNASCO, markies D'AZEGLIO, Hoogstdeszelfs buitengewoon gezant en minister plenipotentiaris bij Hare Britsche Majesteit, grootkruis der orde van de Heiligen Mauritius en Lazarus;
Zijne Majesteit de Koning van Pruissen, den heer ALBERT, graaf VAN BERNSTORFF-STINTENBURG, kamerheer, Minister van Staat, Hoogstdeszelfs buitengewoon ambassadeur en plenipotentiaris bij Hare Britsche Majesteit, grootkruis der Koninklijke orde van den Rooden Adelaar met eikenloof en grootkommandeur der orde van het Koninklijk Huis van Hohenzollern in diamanten, grootkruis van de Hertogelijke orde van den Ernestinischen tak van het Saksische Huis en van de Keizerlijke orde van het Legioen van Eer van Frankrijk, ridder der Keizerlijk-Russische orde van St. Stanislas eerste klasse, grootkruis der Koninklijke orde van Burgerlijke Verdienste der Kroon van Beijeren, der Keizerlijke orde van den Leeuw en van de Zon van Perzie met den groenen band, van de Koninklijke en militaire Christus-orde van Portugal, enz.;
en Zijne Majesteit de Keizer aller Russen, den heer FILIP baron VON BRUNNOW, werkelijk geheimraad, Hoogstdeszelfs buitengewoon ambassadeur en plenipotentiaris bij Hare Britsche Majesteit, ridder der Russische orden, grootkruis der Keizerlijke orde van het Legioen van Eer, der orde van den Rooden Adelaar van Pruissen eerste klasse, grootkruis der orde van den Nederlandschen Leeuw en kommandeur der Stephanus-orde van Oostenrijk, enz., enz.;
die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmagten te hebben medegedeeld, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen:
Artikel I
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groothertog van Luxemburg, handhaaft de banden, welke gezegd Groothertogdom aan het Huis van Oranje-Nassau verbinden, krachtens de verdragen, waarbij die Staat is geplaatst onder de souvereiniteit van Zijne Majesteit den Koning Groothertog, Zijne afstammelingen en opvolgers.
De regten, welke de Agnaten van het Huis van Nassau op de erfopvolging van het Groothertogdom, krachtens dezelfde verdragen, bezitten, worden gehandhaafd.
De Hooge contracterende Partijen aanvaarden de tegenwoordige verklaring en nemen daarvan akte.
Artikel II
Het Groothertogdom Luxemburg, binnen de grenzen vastgesteld bij de akte, die gehecht is aan de verdragen van 19 April 1839, onder de garantie der hoven van Oostenrijk, Frankrijk, Groot-Brittannie, Pruissen en Rusland, zal voortaan en ten eeuwigen dage een’ onzijdigen Staat vormen.
Het zal gehouden zijn diezelfde onzijdigheid in acht te nemen jegens al de andere Staten.
De Hooge contracterende Partijen verbinden zich om het in het tegenwoordige artikel vastgestelde beginsel van onzijdigheid te eerbiedigen.
Dit beginsel is en blijft geplaatst onder de sanctie van den collectieven waarborg der Mogendheden, welke het tegenwoordige tractaat onderteekend hebben, met uitzondering van Belgie, dat zelf een onzijdige Staat is.
Artikel III
Het Groothertogdom Luxemburg krachtens de bepalingen van het voorgaande artikel onzijdig verklaard zijnde, wordt de handhaving of de daarstelling van versterkte plaatsen op zijn grondgebied onnoodig en doelloos.
Bij gevolg is in gemeenschappelijk overleg overeengekomen, dat de stad Luxemburg, die in het verledene, uit een militair oogpunt, als eene bondsvesting werd beschouwd, zal ophouden eene versterkte stad te zijn.
Zijne Majesteit de Koning Groothertog behoudt zich voor in die stad te onderhouden zoodanig aantal troepen als noodig is, om er te waken voor de handhaving der goede orde.
Artikel IV
Overeenkomstig de bepalingen, vervat in de artt. II en III, verklaart Zijne Majesteit de Koning van Pruissen, dat zijne troepen, tegenwoordig in bezetting liggende in de vesting Luxemburg, het bevel zullen ontvangen om tot de ontruiming van die plaats over te gaan, onmiddellijk na de uitwisseling der ratificatien van het tegenwoordige verdrag. Men zal gelijktijdig beginnen met het doen terugtrekken van het geschut, van den krijgsvoorraad en van al de voorwerpen, die deel uitmaken van de uitrusting der gezegde versterkte plaats.
Gedurende dat men daarmede bezig is, zal er slechts achterblijven zoodanig aantal troepen als noodig is, om te waken voor de veiligheid van het oorlogsmaterieel en om de expeditie daarvan te bewerkstelligen, welke binnen de kortst mogelijke tijdsruimte zal moeten afgeloopen zijn.
Artikel V
Zijne Majesteit de Koning Groothertog, uit krachte van de souvereiniteitsregten, welke hij uitoefent over de stad en de vesting Luxemburg, verbindt zich van Zijne zijde de noodige maatregelen te nemen, ten einde de genoemde versterkte plaats in eene opene stad te doen overgaan door middel van eene slooping, welke Zijne Majesteit als voldoende zal beschouwen om de bedoelingen te verwezenlijken van de Hooge contracterende Partijen, gelijk zij uitgedrukt zijn in art. III van het tegenwoordige verdrag. De tot dat einde vereischte werkzaamheden zullen een aanvang nemen onmiddellijk na het terugtrekken der bezetting. Zij zullen plaats hebben met al de voorzorgen, welke de belangen van de inwoners der stad vereischen.
Zijne Majesteit de Koning Groothertog belooft bovendien, dat de vestingwerken van de stad Luxemburg in de toekomst niet zullen hersteld worden, en dat daar geenerlei militaire instelling zal behouden blijven of in het leven geroepen worden.
Artikel VI
De Mogendheden, welke het tegenwoordig verdrag onderteekend hebben, constateren dat, vermits de ontbinding van den Duitschen Bond met zich heeft medegebragt de losmaking der banden, welke het Hertogdom Limburg gezamenlijk met het Groothertogdom Luxemburg aan gezegden Bond hebben verbonden, daaruit volgt, dat de betrekkingen, waarvan melding wordt gemaakt in de artt. III, IV en V van het verdrag van 19 April 1839, tusschen het Groothertogdom en zekere grondgebiedsdeelen, behoorende tot het Hertogdom Limburg, hebben opgehouden te bestaan; blijvende gezegde grondgebiedsdeelen een integrerend deel uitmaken van het Koningrijk der Nederlanden.
Artikel VII
Het tegenwoordige verdrag zal worden geratificeerd en de ratificatien daarvan zullen te Londen worden uitgewisseld binnen den tijd van vier weken, of zoo mogelijk vroeger.
Ter oorkonde waarvan de respectieve gevolmagtigden hetzelve hebben onderteekend en met hunne wapens bezegeld.
Fait à Londres, le onze Mai, l'an de grâce mil huit cent soixante-sept.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.