Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland tot uitlevering van misdadigers

Type Verdrag
Publication 1899-03-14
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, en Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland, Keizerin van Indië, in gemeenschappelijk overleg overeen gekomen zijnde een nieuw verdrag te sluiten betreffende de uitlevering van misdadigers, hebben gezegde Hooge Contracteerende Partijen te dien einde tot Hoogstderzelver Gevolmachtigden benoemd te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, ALEXANDER WILLEM baron SCHMIMMELPENNINCK VAN DER OYE, tijdelijk zaakgelastigde der Nederlanden te Londen, ridder der orde van Oranje-Nassau, enz., enz.;

En Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland, Keizerin van lndië, den heer ROBERT ARTHUR TALBOT GASCOYNE CECIL, markies van Salisbury, graaf van Salisbury, burggraaf Cranborne, baron Cecil, pair van het Vereenigd Koninkrijk, ridder van de orde van den Kouseband, lid van Harer Majesteits Geheimen Raad, Harer Majesteits voornaamsten secretaris van Staat voor Buitenlandsche Zaken, enz, enz.;

Die, na elkander hunne respectieve volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen en deze hebben vastgesteld: —

ARTIKEL I

De Hooge Contracteerende Partijen verbinden zich aan elkander uit te leveren alle personen, die beschuldigd van of veroordeeld wegens een misdrijf gepleegd op het grondgebied van de eene Partij, gevonden worden op het grondgebied van de andere Partij, onder de omstandigheden en voorwaarden in het tegenwoordig verdrag vermeld.

ARTIKEL II

De misdrijven, ter zake waarvan de uitlevering zal worden toegestaan zijn de volgende: —

Uitlevering wordt ook toegestaan wegens medeplichtigheid aan een der bovengenoemde misdrijven, wanneer voor die medeplichtigheid kan worden uitgeleverd volgens de wetten van den Staat, aan welken de uitlevering wordt aangevraagd.

In de bovengenoemde gevallen zal de uitlevering alleen plaats hebben, wanneer het misdrijf, indien het ware gepleegd binnen het rechtsgebied van het land, waaraan de aanvrage tot uitlevering is gedaan, volgens de wetten van dat land tot uitlevering aanleiding zou kunnen geven.

Uitlevering zal ook kunnen worden toegestaan, naar het goeddunken van den staat, aan welken de uitlevering wordt aangevraagd, ten opzichte van eenig ander misdrijf waarvoor, overeenkomstig de wetten der beide Contracteerende Partijen op dat tijdstip van kracht, de toestemming kon worden verleend.

ARTIKEL III

Elke Regeering mag, geheel naar eigen goeddunken, weigeren zijne eigen onderdanen aan de andere Regeering uit te leveren.

ARTIKEL IV

De uitlevering zal geen plaats hebben, indien de persoon door de Britsche Regeering opgeëischt, of de persoon door de Nederlandsche Regeering opgeëischt, ter zake van het misdrijf, waarvoor zijne uitlevering aangevraagd wordt, reeds heeft terecht gestaan, en vrijgesproken, van rechtsvervolging ontslagen of gestraft is, of eene strafvervolging tegen hem aanhangig is op het grondgebied van de andere Hooge Contracteerende Partij.

Indien de persoon door de Britsche Regeering opgeëischt, of indien de persoon door de Nederlandsche Regeering opgeëischt, wegens een ander misdrijf, op het grondgebied van de andere Hooge Contracteerende Partij gepleegd, wordt vervolgd, of is veroordeeld, zal zijne uitlevering worden uitgesteld totdat hij is ontslagen, hetzij ten gevolge van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, hetzij hij zijne straf heeft ondergaan, hetzij op andere wijze.

ARTIKEL V

De uitlevering zal geen plaats hebben indien, na het plegen van het misdrijf, of het instellen van eene strafrechterlijke vervolging, of de daarop gevolgde veroordeeling, de vervolging of de straf verjaard is, volgens de wetten van den Staat, aan welken de uitlevering wordt aangevraagd.

ARTIKEL VI

Een voortvluchtig misdadiger zal niet uitgeleverd worden, indien het strafbaar feit, ter zake waarvan zijne uitlevering wordt gevraagd, een staatkundig karakter draagt, of indien hij het bewijs levert, dat de aanvrage om zijne uitlevering opzettelijk is gedaan met de bedoeling om hem ter zake van een strafbaar feit van staatkundigen aard te vervolgen of te straffen.

ARTIKEL VII

De persoon, wiens uitlevering heeft plaats gehad, mag in geen geval in hechtenis gehouden of vervolgd worden in den Staat aan welken de uitlevering heeft plaats gehad, ter zake van eenig ander misdrijf, of wegens eenig ander feit, dan dat waarvoor de uitlevering geschied is, alvorens hij is teruggekeerd of gedurende eene maand de gelegenheid heeft gehad terug te keeren naar den Staat door welken hij uitgeleverd is.

Deze bepaling is niet toepasselijk op misdrijven na de uitlevering gepleegd.

ARTIKEL VIII

De aanvrage tot uitlevering zal worden gedaan respectievelijk door de diplomatieke agenten der Hooge Contracteerende Partijen.

De aanvrage tot uitlevering van een beschuldigde moet vergezeld zijn van een bevel van gevangeneming, afgegeven door de bevoegde overheid van den Staat, welke de uitlevering aanvraagt, en van zoodanige stukken als welke, overeenkomstig de wetten der plaats, waar de beschuldigde gevonden is, zijne aanhouding zouden wettigen, indien het misdrijf aldaar gepleegd ware.

Indien de aanvrage eenen veroordeelde betreft, moet zij vergezeld zijn van het veroordeelend vonnis of arrest, ten laste van den veroordeelde gewezen door den bevoegden rechter van den Staat, welke de uitlevering aanvraagt.

Een vonnis bij verstek wordt niet geacht te zijn eene veroordeeling, maar een persoon, tegen wien zoodanig vonnis is gewezen, mag worden beschouwd als een beschuldigde.

ARTIKEL IX

Wanneer de aanvrage tot uitlevering overeenkomstig de voorgaande bepalingen is geschied, zal de bevoegde macht in den Staat, aan welken de aanvrage gedaan is, de noodige maatregelen nemen tot inhechtenisstelling van den voortvluchtige.

ARTIKEL X

In afwachting van de aanvrage om uitlevering langs diplomatieken weg, kan de voortvluchtige in hechtenis worden genomen krachtens een bevel afgegeven door een „Police Magistrate, Justice of the Peace,” of andere bevoegde overheid in elk der beide landen, op zoodanige aangifte of klacht en zoodanige bewijsstukken, of na zoodanig onderzoek als, naar het oordeel van de autoriteit, die het bevel verleent, termen tot het verleenen daarvan zou opleveren, indien het misdrijf gepleegd of de persoon veroordeeld ware binnen het ressort van het gebied der twee contracteerende partijen, waarover de „Magistrate,” „Justice of the Peace,” of andere bevoegde autoriteit rechtsmacht uitoefent; met dien verstande evenwel dat, in het Vereenigd Koninkrijk de beschuldigde in dat geval zoo spoedig mogelijk voor een „Magistrate” zal worden gebracht. Hij zal, overeenkomstig dit Artikel, ontslagen worden, zoowel in Nederland als in het Vereenigd Koninkrijk, indien binnen twintig dagen geene aanvrage tot uitlevering door den Diplomatieken vertegenwoordiger van het land dat de uitlevering aanvraagt is gedaan overeenkomstig de bepalingen van dit verdrag. Dezelfde regel zal worden toegepast in de gevallen dat personen zijn beschuldigd of veroordeeld ter zake van een der misdrijven in dit verdrag vermeld, en gepleegd in volle zee aan boord van een vaartuig van een der beide landen, hetwelk mocht komen in eene haven van het andere land.

ARTIKEL XI

Wanneer de voortvluchtige op Britsch grondgebied is aangehouden zal hij oogenblikkelijk worden gebracht voor een bevoegd „Magistrate” die hem verhoort en de zaak voorloopig onderzoekt, evenals of de aanhouding had plaats gehad ter zake van een misdrijf gepleegd op Britsch grondgebied.

Bij het onderzoek hetwelk de Britsche autoriteiten overeenkomstig de voorgaande bepalingen moeten instellen, zullen zij als wettige bewijsstukken aannemen beeedigde klachten of opgaven of getuigeverklaringen in Nederland afgelegd of gedaan, of afschriften daarvan, en eveneens de bevelschriften en vonnissen aldaar ter zake uitgevaardigd of gewezen, en stukken of gerechtelijke akten, waaruit blijkt van de veroordeeling, mits dezelve zijn gewaarmerkt als volgt:—

ARTIKEL XII

Wanneer de voortvluchtige op Nederlandsch grondgebied is aangehouden requireert de Officier van Justitie binnen drie dagen na de aanhouding, of, zoo de aanhouding niet heeft plaats gehad of reeds vóór de aanvrage tot uitlevering is geschied, binnen drie dagen na daartoe te zijn aangeschreven door de Nederlandsche Regeering, dat de opgeëischte persoon door de rechtbank worde gehoord, en dat deze haar advies uitbrenge over het al of niet toestaan der uitlevering.

Binnen veertien dagen na het verhoor zendt de rechtbank haar advies en hare beslissing, met de tot de zaak behoorende stukken, aan den Minister van Justitie.

De uitlevering zal alleen worden toegestaan op vertoon van het orgineel of van een gewaarmerkt afschrift —

Bij het onderzoek, hetwelk de Nederlandse autoriteiten overeenkomstig de voorgaande bepalingen moeten instellen, zullen zij als wettige bewijsstukken aannemen, beëedigde klachten of opgaven, of getuigeverklaringen in het Britsche Rijk afgelegd of gedaan, of afschriften daarvan, en eveneens de bevelschriften en vonnissen aldaar ter zake uitgevaardigd of gewezen, en stukken of gerechtelijke akten, waaruit blijkt van de veroordeeling, mits dezelve zijn gewaarmerkt als volgt: —

ARTIKEL XIII

De uitlevering zal geen plaats vinden, tenzij er voldoende bewijs bestaat, volgens de wetten van den Staat, aan welken de uitlevering is aangevraagd, hetzij om eene verwijzing naar de openbare terechtzitting te rechtvaardigen, indien het misdrijf zou zijn gepleegd binnen het grondgebied van bedoelden Staat, hetzij om de zekerheid te verschaffen dat de aangehoudene dezelfde persoon is, die door de rechtbank van den Staat, welke de aanvrage doet, veroordeeld is, en dat het misdrijf, ter zake waarvan hij is veroordeeld, behoort tot de zoodanige waarvoor, op het tijdstip van die veroordeeling, uitlevering had kunnen worden toegestaan door den Staat, aan welken de uitlevering is aangevraagd. De voortvluchtige misdadiger zal niet worden uitgeleverd, alvorens de termijn van vijftien dagen is verstreken sedert den dag dat hij in afwachting van zijne uitlevering in bewaring is gesteld.

ARTIKEL XIV

Wanneer de uitlevering van een persoon, krachtens het tegenwoordig verdrag door een der Hooge Contracteerende Partijen opgeëischt, eveneens door een of meer andere Staten wordt aangevraagd, op grond van andere misdrijven op hun respectievelijk grondgebied gepleegd, zal zijne uitlevering worden toegestaan aan dien Staat, welke het eerst de aanvrage daartoe heeft gedaan.

ARTIKEL XV

Al de in beslag genomen goederen, welke zich op het oogenblik zijner aanhouding in het bezit van den uit te leveren persoon bevonden, zullen, indien de bevoegde overheid van den Staat, aan welken de uitlevering wordt aangevraagd, de overgave daarvan bevolen heeft, worden overgegeven op het oogenblik, waarop de uitlevering plaats heeft, en die overgave zal zich uitstrekken niet alleen tot de door misdrijf verkregen voorwerpen, maar tot alles wat tot bewijs van het misdrijf kan dienen.

ARTIKEL XVI

De beide Regeeringen doen over en weer afstand van alle terugvordering van kosten, door haar gemaakt voor de aanhouding, gevangenhouding en het transport van den uit te leveren persoon, en van alle andere kosten, welke mochten worden gemaakt binnen de grenzen van haar respectievelijk grondgebied, totdat de uit te leveren persoon aan boord is gebracht, benevens van de kosten, veroorzaakt door het over en weer zenden van al de in beslag genomen voorwerpen en van papieren, inhoudende het bewijs van het misdrijf, of van andere bescheiden. Zij stemmen er wederkeerig in toe al die kosten zelve te dragen.

De bovenbedoelde bepalingen zijn echter niet van toepassing bij de uitlevering naar en uit Canada. Met betrekking tot deze kolonie zullen alle kosten worden gedragen door den Staat, welke de uitlevering aanvraagt.

De uit te leveren persoon zal worden gezonden naar de haven, welke de diplomatieke of consulaire agent van den aanvragenden Staat aanwijst.

ARTIKEL XVII

Wanneer het in een bij eenig hof of rechtbank van een der beide landen aanhangige strafzaak wenschelijk geoordeeld wordt een getuige in het andere land te hooren, zal zoodanig verhoor plaats hebben voor de rechterlijke overheid, overeenkomstig de wet, ten deze van kracht in het land, waar de getuige zich bevindt; en de kosten ten gevolge van zoodanig verhoor gemaakt, zullen worden gedragen door het land waar dit heeft plaats gehad.

ARTIKEL XVIII

De bepalingen van het tegenwoordige verdrag zullen van toepassing zijn op de koloniën en overzeesche bezittingen der beide Hooge Contracteerende Partijen, doch, daar zij gegrond zijn op de wetgeving van het moederland, zullen zij van weerszijden slechts worden nagekomen voor zoover zij vereenigbaar zijn met de wetten in die koloniën of bezittingen van kracht.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.