Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Mexico

Type Verdrag
Publication 1909-07-02
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Excellentie de President der Vereenigde Mexicaansche Staten, in gemeen overleg besloten hebbende een verdrag te sluiten, betreffende de uitlevering van misdadigers, hebben te dien einde tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den Heer Jonkheer RENEKE DE MAREES VAN SWINDEREN, Hoogstderzelver Kamerheer en Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij de Vereenigde Mexicaansche Staten; en

Zijne Excellentie de President der Vereenigde Mexicaansche Staten: den Heer FERNANDO DURET, Advocaat en Lid der Volksvertegenwoordiging,

die, na elkander hunne wederzijdsche volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen:

Art. I

De Regeering van het Koninkrijk der Nederlanden en die van de Vereenigde Mexicaansche Staten verbinden zich elkander wederzijds uit te leveren, met inachtneming der regelen vastgesteld in de navolgende artikelen, en met uitzondering van hare eigene onderdanen, de personen, die vervolgd worden of veroordeeld zijn wegens een der misdrijven opgenoemd in het navolgend art. II en gepleegd op het grondgebied van den Staat, door welken de uitlevering is gevraagd.

Nochthans zal ook, indien het misdrijf dat aanleiding tot de aanvrage tot uitlevering geeft, gepleegd is buiten het grondgebied der twee contracteerende partijen, aan die aanvrage gevolg gegeven kunnen worden, indien de wetgeving van elk der beide Staten de strafvervolging toelaat ter zake van diezelfde misdrijven buiten hun grondgebied gepleegd.

Art. II

Uitlevering zal plaats hebben wegens de volgende misdrijven:

Onder bovengenoemde opsomming is ook begrepen poging tot, of medeplichtigheid aan die misdrijven, wanneer die poging of medeplichtigheid strafbaar is volgens de wetten van het land aan hetwelk de uitlevering is gevraagd.

Art. III

Uitlevering zal nochthans wegens geen der hierboven genoemde misdrijven worden toegestaan, dan wanneer het feit, waarvoor de uitlevering wordt aangevraagd, door de wetten in de beide contracteerende landen van kracht op het oogenblik dier aanvrage, met een gevangenisstraf van meer dan één jaar, is strafbaar gesteld.

Art. IV

Geene uitlevering heeft plaats:

Art. V

Indien de opgeeischte persoon wegens een ander strafbaar feit, dan dat, waarvoor zijne uitlevering wordt aangevraagd, in het land, aan hetwelk de aanvrage is gedaan, wordt vervolgd of veroordeeld is, heeft de uitlevering niet plaats dan na den afloop der ingestelde vervolging of, in geval van veroordeeling, nadat de straf is ondergaan.

Deze bepaling belet niet, dat die vreemdeling tijdelijk kan worden uitgeleverd ten einde in den Staat die de uitlevering vraagt, terecht te staan, onder voorwaarde dat hij na afloop van de strafzaak worde teruggevoerd.

Art. VI

Indien de persoon, wiens uitlevering door eene der contracteerende partijen is aangevraagd, tegelijkertijd door één of rneerdere andere Staten wordt opgeeischt, voor andere strafbare feiten op hun grondgebied gepleegd, zal deze uitlevering bij voorkeur worden toegestaan aan den Staat, die het eerst de aanvrage gedaan heeft.

Art. VII

De uitgeleverde zal niet worden vervolgd of veroordeeld voor een feit, gepleegd vóór zijne uitlevering en verschillend van dat waarvoor die uitlevering is aangevraagd, noch aan een derden Staat worden uitgeleverd, dan met bizondere toestemming van de uitleverende Regeering.

Deze toestemming is echter niet vereischt, wanneer de beklaagde uit eigen beweging gevraagd heeft, te worden terechtgesteld, of zijn straf te ondergaan, of, wanneer hij gedurende één maand, na zijne definitieve invrijheidstelling, de vrijheid heeft gehad het land, dat de uitlevering aanvraagt, opnieuw te verlaten.

Art. VIII

De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst zijn niet toepasselijk op staatkundige misdrijven. Dientengevolge kan de persoon, die uitgeleverd is op grond van een der strafbare feiten in art. II genoemd, in geen geval worden vervolgd en gestraft in den Staat, aan welken de uitlevering heeft plaats gehad, wegens een staatkundig misdrijf door hem vóór de uitlevering gepleegd, noch wegens een met een dergelijk staatkundig misdrijf samenhangend strafbaar feit, tenzij hij, na terecht gestaan te hebben en, ingeval van veroordeeling, zijn straf ondergaan te hebben of kwijtschelding daarvan gekregen te hebben, gedurende een maand vrijheid heeft gehad het land opnieuw te verlaten.

Art. IX

De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieken weg (behalve in de gevallen in art. XVIII voorzien) en wordt niet toegestaan dan na overlegging van het oorspronkelijke of van het gewaarmerkt afschrift, hetzij van het vonnis van veroordeeling, hetzij van het bevel tot inhechtenisneming of van eenige andere akte van minstens gelijke rechtskracht, nauwkeurig aanwijzende het feit, wegens hetwelk zij is uitgevaardigd.

Die stukken zullen vergezeld zijn van een gelegaliseerd afschrift van de strafbepaling op het ten laste gelegde feit toepasselijk en zooveel mogelijk van het signalement van den opgeeischten persoon.

Art. X

De goederen, in het bezit van den opgeeischten persoon in beslag genomen, zullen aan den Staat, die de aanvrage doet, worden overgegeven, indien de bevoegde autoriteit van den uitleverenden Staat zulks heeft gelast, met eerbiediging van rechten van derden nochthans op zoodanige goederen.

Art. XI

In spoedeischende gevallen kan voorloopige aanhouding eene, zelfs telegraphische, aanvrage, mits langs diplomatieken weg, plaats hebben. Deze aanvrage moet aanwijzen het strafbare feit, waarvoor de beklaagde wordt vervolgd en het bestaan van een der in Art. IX vermelde processtukken vaststellen.

De voorloopige aanhouding is onderworpen aan de vormen en regelen door de wetten van het land aan hetwelk de aanvrage gedaan is, voorgeschreven.

Art. XII

De vreemdeling, die in overeenstemming met de bepalingen van het voorgaande artikel voorloopig is aangehouden, zal, tenzij hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde bewaring te blijven, in vrijheid worden gesteld, indien niet binnen een termijn van 90 (negentig) dagen na zijne voorloopige aanhouding, de aanvrage tot uitlevering in Art. IX vermeld, heeft plaats gehad.

Art. XIII

Indien bij de vervolging van een niet staatkundig strafbaar feit, eene der Regeeringen het verhoor der getuigen, die zich op het gebied van den anderen Staat bevinden, noodzakelijk zal oordeelen, zal te dien einde langs diplomatieken weg een rogatoire commissie worden gezonden, waaraan gevolg zal worden gegeven met inachtneming van de wetten van het land, waar de getuigen gedagvaard zullen worden.

Deze rogatoire commissies zullen van eene Fransche vertaling vergezeld moeten zijn.

Art. XIV

Indien in een niet politiek strafgeding de persoonlijke verschijning van een getuige in het ander land noodzakelijk of gewenscht is, zal de Regeering van het land, waar die getuige verblijf houdt, dezen verzoeken aan de oproeping, die hem gedaan zal worden gevolg te geven en in geval hij hieraan voldoet, zullen hem door de Regeering van wie de oproeping uitgaat, reis- en verblijfkosten worden vergoed, volgens de tarieven en reglementen, die van kracht zijn in het land waar het verhoor moet plaats hebben, behalve in het geval, waarin de Regeering, die de aanvrage doet, meent dat den getuige eene hoogere schadevergoeding moet worden toegekend.

Geen enkele getuige, welke zijne nationaliteit ook zij, die in een van de beide landen gedagvaard, vrijwillig voor de rechtbank van het andere land verschijnt, zal daar te lande vervolgd of gevangen gehouden kunnen worden, wegens vroegere strafbare feiten of veroordeelingen en evenmin onder voorwendsel van medeplichtigheid aan feiten, waarover het geding, waarin hij als getuige op zal treden, gevoerd wordt.

Art. XV

Indien in een niet politiek strafgeding, hetzij confrontatie van misdadigers, die in den anderen Staat gevangen gehouden zijn, hetzij mededeeling van stukken van overtuiging of andere documenten, die in de handen van de autoriteiten van het andere land berusten, nuttig of noodzakelijk wordt geoordeeld, geschiedt het verzoek daartoe langs diplomatieken weg en zal daaraan worden gevolg gegeven, tenzij overwegingen van bijzonderen aard zich daartegen verzetten en onder verbintenis van misdadigers en stukken terug te zenden.

Art. XVI

Het vervoer over het grondgebied van een der contracteerende Staten, van een persoon, door eene derde mogendheid uitgeleverd en geen onderdaan zijnde van het land, door hetwelk het vervoer plaats heeft, zal worden toegestaan op enkel vertoon hetzij van het oorspronkelijke, hetzij van een gewaarmerkt afschrift van een der processtukken in art. IX vermeld, onder voorwaarde dat het feit, dat aan de uitlevering ten grondslag heeft gelegen, in de tegenwoordige overeenkomst is opgenomen en niet valt onder de gevallen in artikelen IV en VIII voorbehouden en dat het medegeleide geschiede door beambten van het land, dat het vervoer over zijn grondgebied heeft toegestaan.

De kosten van het vervoer worden gedragen door den Staat, die de uitlevering heeft aangevraagd.

Art. XVII

De kosten veroorzaakt door de aanhouding, de gevangenhouding en het vervoer der opgeeischte personen worden gedragen door de Regeering die de uitlevering aanvraagt.

Art. XVIII

De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst zullen toepasselijk zijn op de koloniën en bezittingen van Nederland in andere werelddeelen, maar slechts worden nageleefd voorzoover zij in overeenstemming zijn met de wetten, die in die koloniën en bezittingen van kracht zijn.

De aanvrage tot uitlevering van een misdadiger, die gevlucht is van een der West-Indische Nederlandsche koloniën naar Mexico of van Mexico naar een der West-Indische Nederlandsche koloniën, zal ook kunnen geschieden rechtstreeks door den Gouverneur van Suriname of van Curaçao aan de Regeering van Mexico en omgekeerd.

Genoemde Gouverneurs zullen de bevoegdheid hebben, hetzij de uitlevering toe te staan, hetzij hunne Regeering daarover te raadplegen.

De termijn voor invrijheidstelling in art. XII bedoeld, zal, wat betreft de koloniën in Amerika gelegen, op 60 (zestig) dagen worden vastgesteld.

Art. XIX

Zoo spoedig mogelijk zal de tegenwoordige overeenkomst worden bekrachtigd en de bekrachtigingen er van worden uitgewisseld.

Zij zal in werking treden drie maanden na uitwisseling der ratificaties en van kracht blijven tot zes maanden nadat zij door een van beide Regeeringen zal zijn opgezegd.

Ten blijke waarvan de wederzijdsche gevolmachtigden dit tractaat in dubbel hebben geteekend en van hunne zegels voorzien.

Gedaan te Mexico den zestienden dag der maand December van het jaar onzes Heeren negentien honderd zeven.

(L. S.) R. DE MAREES VAN SWINDEREN.

(L. S.) F. DURET.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.