Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Speciale Administratieve Regio Hongkong van de Volksrepubliek China inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Speciale Administratieve Regio Hong Kong van de Volksrepubliek China („Speciale Administratieve Regio Hong Kong”), daartoe naar behoren gemachtigd door de Centrale Volksregering van de Volksrepubliek China, hierna te noemen de Partijen;
Geleid door de wens de doeltreffendheid van hun samenwerking in strafzaken en bij de confiscatie van de opbrengst van misdrijven te verbeteren;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Reikwijdte van de rechtshulp
De Partijen verlenen elkaar, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, in zo ruim mogelijke mate wederzijdse rechtshulp bij onderzoeken, strafvervolging of gerechtelijke procedures die betrekking hebben op strafbare feiten waarvan de bestraffing, op het tijdstip waarop rechtshulp wordt gevraagd, tot de bevoegdheid behoort van de verzoekende Partij.
Rechtshulp omvat, onder meer:
- a. het identificeren en opsporen van personen;
- b. het horen van getuigen of het verkrijgen van andere verklaringen in de aangezochte Partij;
- c. het verstrekken van gegevens, voorwerpen, schriftelijke bescheiden, bestanden en bewijs met inbegrip van bewijsmiddelen;
- d. het bevorderen van de persoonlijke verschijning van personen in de verzoekende Partij om verklaringen af te leggen of andere medewerking te verlenen;
- e. het uitvoeren van verzoeken om doorzoeking en inbeslagneming;
- f. het identificeren, volgen, inbeslagnemen en verbeurd verklaren van de opbrengsten van misdrijven als omschreven in artikel 16; en
- g. het betekenen van stukken.
De rechtshulp op basis van dit Verdrag omvat rechtshulp in verband met overtreding van de wetgeving inzake belastingheffing, douaneheffingen of andere aangelegenheden op het gebied van rijksinkomsten, echter niet met het oog op ander dan strafrechtelijk onderzoek of daarmee verband houdende gerechtelijke procedures.
Artikel 2. Centrale autoriteit
De centrale autoriteiten van de Partijen behandelen alle verzoeken om rechtshulp die overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag zijn gedaan en behandelen alle overige mededelingen inzake de toepassing, uitleg en uitvoering van het Verdrag.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „centrale autoriteit”:
- a. voor de Speciale Administratieve Regio Hong Kong: de Minister van Justitie;
- b. voor het Koninkrijk der Nederlanden: de Minister van Justitie van Nederland, de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen of de Minister van Justitie van Aruba, naar gelang het geval.
Artikel 3. Overige rechtshulp
Dit Verdrag sluit niet uit dat rechtshulp wordt verleend ingevolge andere overeenkomsten en regelingen die tussen de Partijen van toepassing zijn.
Artikel 4. Weigeringsgronden
De aangezochte Partij weigert rechtshulp indien:
- a. het verzoek betrekking heeft op handelen of nalaten dat volgens de wetgeving van de aangezochte Partij geen strafbaar feit zou zijn, indien dit binnen haar rechtsgebied zou hebben plaatsgevonden;
- b. de aangezochte Partij de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden is en de soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of wezenlijke belangen van het Koninkrijk der Nederlanden door de uitvoering van het verzoek zouden worden aangetast;
- c. de aangezochte Partij de Regering van de Speciale Administratieve Regio Hong Kong is, en:
- i. de soevereiniteit, veiligheid of openbare orde van de Volksrepubliek China; of
- ii. wezenlijke belangen van de Speciale Administratieve Regio Hong Kong door de uitvoering van het verzoek zouden worden aangetast;
- d. het verzoek betrekking heeft op een strafbaar feit van politieke aard;
- e. het verzoek betrekking heeft op een militair delict en dat feit niet tevens een strafbaar feit naar de gewone strafwet is;
- f. de aangezochte Partij gegronde redenen heeft aan te nemen dat het verzoek is gedaan met de bedoeling een persoon op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid te vervolgen;
- g. het verzoek betrekking heeft op de vervolging van een persoon die, naar het recht van de aangezochte Partij, niet kan of niet langer kan worden vervolgd terzake van het strafbare feit dat aanleiding tot het verzoek geeft;
- h. de verzoekende Partij niet kan voldoen aan de voorwaarden inzake vertrouwelijkheid of de beperking van het gebruik van de te verstrekken gegevens of het te verstrekken bewijs.
Artikel 5. Verzoeken
Verzoeken worden schriftelijk gedaan of, waar passend, met behulp van zodanige elektronische middelen dat zij schriftelijk kunnen worden vastgelegd.
De verzoeken om rechtshulp omvatten:
- a. de naam van de autoriteit namens welke het verzoek wordt gedaan;
- b. een omschrijving van de aard van het onderzoek, de strafvervolging of gerechtelijke procedure en van het handelen of nalaten dat het strafbare feit vormt naar aanleiding waarvan het verzoek wordt gedaan, alsmede een samenvatting van de relevante wetgeving of de tekst van de toepasselijke wetsbepalingen, onder vermelding van de maximumstraf die op het strafbare feit is gesteld;
- c. het doel van het verzoek, de aard van de verlangde rechtshulp en het belang hiervan voor het onderzoek, de strafvervolging of de gerechtelijke procedure;
- d. voor zover van toepassing, een omschrijving van de formaliteiten of procedures die door de aangezochte Partij bij de uitvoering van het verzoek dienen te worden gevolgd en de redenen daarvoor;
- e. eventuele eisen inzake vertrouwelijkheid en de redenen daarvoor; en
- f. vermelding van enige termijn waarbinnen inwilliging van het verzoek wordt verlangd en de redenen daarvoor.
De verzoekende Partij kan alle overige gegevens verstrekken die zij nuttig acht voor de uitvoering van het verzoek, met inbegrip van een omschrijving van het bewijs of de gegevens die worden gevraagd.
De verzoekende Partij kan verlangen dat de aangezochte Partij het verzoek en de inhoud ervan vertrouwelijk behandelt, behalve voor zover nodig is voor de uitvoering van het verzoek. Indien de aangezochte Partij de verlangde vertrouwelijkheid niet kan waarborgen, pleegt zij onverwijld overleg met de verzoekende Partij.
De aangezochte Partij kan vragen om aanvullende inlichtingen die zij noodzakelijk acht voor de uitvoering van het verzoek.
Een verzoek en stukken ter ondersteuning van het verzoek gaan, indien deze niet in het Engels zijn gesteld, vergezeld van een vertaling in het Engels.
Artikel 6. Uitvoering van verzoeken
Een verzoek wordt onverwijld uitgevoerd met inachtneming van de in het verzoek vermelde termijn. Indien echter omstandigheden inwilliging binnen de termijn onmogelijk maken of naar alle waarschijnlijkheid aanzienlijke vertraging in de uitvoering van het verzoek zullen veroorzaken, stelt de aangezochte Partij de verzoekende Partij hiervan onverwijld op de hoogte.
Een verzoek wordt uitgevoerd in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag, het recht van de aangezochte Partij en met de uitdrukkelijk in het verzoek vermelde formaliteiten en procedures, tenzij deze onverenigbaar zijn met het recht van die Partij.
Indien de verzoekende Partij hierom uitdrukkelijk verzoekt, stelt de centrale autoriteit van de aangezochte Partij haar in kennis van de datum en plaats van uitvoering van het verzoek.
Onverminderd artikel 10, derde lid, neemt de aangezochte Partij een verzoek van de verzoekende Partij inhoudende dat de betrokken autoriteiten en belanghebbenden alsmede hun wettelijke vertegenwoordigers bij de uitvoering van een verzoek aanwezig mogen zijn, welwillend in overweging.
De aangezochte Partij kan de rechtshulp uitstellen indien de uitvoering van het verzoek een lopend onderzoek of lopende strafvervolging in de aangezochte Partij zou doorkruisen.
Voordat de rechtshulp wordt geweigerd of uitgesteld, stelt de aangezochte Partij de verzoekende Partij onverwijld in kennis van de redenen van de voorgenomen weigering of het voorgenomen uitstel en pleegt zij overleg met die Partij teneinde vast te stellen of rechtshulp kan worden verleend onder de door de aangezochte Partij noodzakelijk geachte voorwaarden.
De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij schriftelijk in kennis van een besluit tot weigering van rechtshulp en van de redenen hiervoor.
Artikel 7. Vertegenwoordiging en kosten
De aangezochte Partij vertegenwoordigt de belangen van de verzoekende Partij in gerechtelijke procedures die verband houden met een rechtshulpverzoek.
De aangezochte Partij draagt de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van verzoeken, met uitzondering van de door de verzoekende Partij te dragen:
- a. kosten die verband houden met de overkomst van een persoon naar of uit de aangezochte Partij, alsook alle honoraria, toelagen en onkostenvergoedingen die aan die persoon verschuldigd zijn tijdens zijn verblijf in de verzoekende Partij; en
- b. kosten die verband houden met de ambtenaren belast met de overkomst, detentie of begeleiding.
Indien voor of tijdens de uitvoering van het verzoek blijkt dat de uitvoering van het verzoek een buitensporige belasting van de capaciteit van de aangezochte Partij zou betekenen of dat hiermee kosten van buitengewone aard gemoeid zijn, plegen de Partijen overleg teneinde de voorwaarden vast te stellen waaronder de uitvoering van het verzoek een aanvang kan nemen of kan worden voortgezet.
Artikel 8. Beperkingen
De aangezochte Partij kan eisen dat de verzoekende Partij zonder voorafgaande toestemming van de centrale autoriteit van de aangezochte Partij gegevens of bewijs dat met toepassing van dit Verdrag is verkregen, niet gebruikt bij enig andere onderzoeken, strafvervolgingen of gerechtelijke procedures dan die welke zijn omschreven in het verzoek. In een dergelijke situatie zal de verzoekende Partij de voorwaarden naleven.
De aangezochte Partij kan eisen dat met toepassing van dit Verdrag verstrekte gegevens of bewijs vertrouwelijk worden behandeld of uitsluitend worden gebruikt met inachtneming van de door haar gestelde voorwaarden. Indien de centrale autoriteit van de verzoekende Partij de gegevens of het bewijs onder dergelijke voorwaarden accepteert, zal de verzoekende Partij de voorwaarden naleven.
Artikel 9. Verkrijging van bewijs
Wanneer een verzoek tot verkrijging van bewijs wordt gedaan, treft de aangezochte Partij de nodige maatregelen om dit bewijs te verkrijgen. De verkrijging van bewijs omvat de overlegging van voorwerpen, schriftelijke bescheiden, bestanden en bewijsmiddelen.
Artikel 10. Het horen van getuigen in de aangezochte Partij
Wanneer een verzoek wordt gedaan tot het horen van getuigen in de aangezochte Partij, treft die Partij daartoe de nodige maatregelen.
In aanvulling op de in artikel 5, tweede lid, bedoelde gegevens vermeldt de verzoekende Partij in haar verzoek de vragen die aan de te horen persoon moeten worden gesteld of de aangelegenheid waarover hij of zij moet worden gehoord.
De in de verzoekende Partij betrokken autoriteiten en belanghebbenden alsmede hun wettelijke vertegenwoordigers, mogen, met inachtneming van het recht van de aangezochte Partij, aanwezig zijn en de te horen persoon ondervragen.
Een persoon die wordt gehoord, kan dit weigeren wanneer hetzij:
- a. het recht van de aangezochte Partij voor hem of haar een verschoningsrecht of -plicht kent onder vergelijkbare omstandigheden in gerechtelijke procedures die zijn ingesteld in de aangezochte Partij; of
- b. het recht van de verzoekende Partij het voor hem of haar in dergelijke gerechtelijke procedures in de verzoekende Partij een verschoningsrecht of -plicht kent.
Indien een persoon zich erop beroept dat ingevolge het recht van de verzoekende Partij een verschoningsrecht of -plicht bestaat, pleegt de centrale autoriteit van de aangezochte Partij, in voorkomend geval, overleg met de centrale autoriteit van de verzoekende Partij en vertrouwt zij op een door die autoriteit verstrekte verklaring.
Artikel 11. Videoconferentie
Voor zover mogelijk en in overeenstemming met hun wetgeving, kunnen Partijen per geval overeenkomen dat het horen van getuigen door middel van videoconferentie, onder duidelijk omschreven voorwaarden, plaatsvindt.
Artikel 12. Het horen van personen en het verlenen van medewerking in de verzoekende Partij
Indien de verzoekende Partij de verschijning van een persoon in de verzoekende Partij noodzakelijk acht teneinde te worden gehoord of voor het verlenen van andere medewerking, kan zij de aangezochte Partij vragen die persoon te verzoeken te verschijnen.
In aanvulling op de in artikel 5, tweede lid, vermelde gegevens bevat een verzoek ingevolge dit artikel het volgende:
- a. de reden waarom de verschijning van de persoon in de verzoekende Partij noodzakelijk wordt geacht;
- b. de data – bij benadering – waarop de persoon dient te verschijnen;
- c. de rechten, bescherming en verplichtingen van de persoon volgens het recht van de verzoekende Partij;
- d. voor zover van toepassing, maatregelen voor de veiligheid van de persoon;
- e. de regeling van de reis naar en het verblijf in de verzoekende Partij, alsmede de terugreis; en
- f. de hoogte van de aan de persoon te betalen vergoedingen, inclusief reis- en verblijfkosten.
Indien zij ervan overtuigd is dat door de verzoekende Partij passende maatregelen worden getroffen voor de veiligheid van die persoon, verzoekt de aangezochte Partij de persoon in de verzoekende Partij te verschijnen en tracht zij de medewerking van deze persoon te verkrijgen.
Een persoon die weigert te verschijnen, mag om die reden niet worden blootgesteld aan enige sanctie of dwangmaatregel naar het recht van een van beide Partijen.
Artikel 13. Overbrenging naar de verzoekende Partij van personen die zich in detentie bevinden
Een persoon die zich in de aangezochte Partij in detentie bevindt en wiens verschijning verlangd wordt in de verzoekende Partij teneinde te worden gehoord of voor het verlenen van andere medewerking, wordt, indien de aangezochte Partij hiermee instemt, hiertoe overgebracht naar de verzoekende Partij, mits de verzoekende Partij de voortgezette detentie van de persoon en zijn of haar terugkeer zodra de aanwezigheid van de persoon niet langer vereist is, doch uiterlijk op het door de aangezochte Partij vermelde tijdstip, waarborgt.
De overbrenging kan worden geweigerd indien:
- a. de betrokken persoon niet instemt met zijn verschijning;
- b. zijn of haar aanwezigheid vereist is voor een in de aangezochte Partij hangend onderzoek of lopende procedure; of
- c. er andere zwaarwegende gronden tegen de overbrenging bestaan.
Wanneer een persoon die zich in detentie bevindt, wordt overgebracht en volgens het recht van de aangezochte Partij in aanmerking komt voor invrijheidstelling terwijl hij of zij zich in de verzoekende Partij bevindt, stelt de aangezochte Partij de verzoekende Partij hiervan in kennis. Deze ziet erop toe dat de persoon in vrijheid wordt gesteld en de persoon vervolgens wordt behandeld als een in artikel 12 vermelde persoon.
Een persoon die weigert te worden overgebracht, mag om die reden niet worden blootgesteld aan enige sanctie of dwangmaatregel naar het recht van een van beide Partijen.
Artikel 14. Vrijgeleide
Een persoon die overeenkomstig artikel 12 of 13 ermee instemt in de verzoekende Partij te verschijnen, mag ter zake van handelen of nalaten dat plaatsvond voordat de persoon uit de aangezochte Partij vertrok, in de verzoekende Partij niet worden vervolgd, in detentie worden genomen of in zijn of haar persoonlijke vrijheid worden beperkt wegens een strafbaar feit en niet worden blootgesteld aan een civiele procedure of enige andere procedure waaraan de persoon niet zou kunnen worden blootgesteld indien hij of zij zich niet in de verzoekende Partij zou bevinden.
Het eerste lid is niet langer van toepassing wanneer de persoon vrijelijk kan vertrekken, doch de verzoekende Partij niet heeft verlaten binnen een tijdvak van vijftien dagen nadat hij of zij er officieel van in kennis is gesteld dat zijn of haar aanwezigheid niet langer vereist is of, na de verzoekende Partij te hebben verlaten, is teruggekeerd.
Een persoon die overeenkomstig artikel 12 of 13 ermee instemt te worden gehoord in de verzoekende Partij, mag niet worden vervolgd wegens de afgelegde getuigenis, behalve in verband met meineed.
Een persoon die overeenkomstig artikel 12 of 13 ermee instemt in de verzoekende Partij te worden gehoord, kan weigeren een verklaring af te leggen wanneer hetzij:
- a. het recht van de aangezochte Partij voor hem of haar een verschoningsrecht of -plicht kent onder vergelijkbare omstandigheden in gerechtelijke procedures die zijn ingesteld in de aangezochte Partij; of
- b. het recht van de verzoekende Partij het voor hem of haar in dergelijke gerechtelijke procedures in de verzoekende Partij een verschoningsrecht of -plicht kent.
Indien een persoon zich erop beroept dat ingevolge het recht van de aangezochte Partij een verschoningsrecht of -plicht bestaat, pleegt de centrale autoriteit van de verzoekende Partij, in voorkomend geval, overleg met de centrale autoriteit van de aangezochte Partij en vertrouwt zij op een door die autoriteit verstrekte verklaring.
Van een persoon die overeenkomstig artikel 12 of 13 ermee instemt in de verzoekende Partij te verschijnen, mag niet worden verlangd dat hij een verklaring aflegt of medewerking verleent in enige andere gerechtelijke procedure dan die welke in het verzoek is vermeld.
Artikel 15. Doorzoeking en inbeslagneming
De aangezochte Partij geeft, in zoverre haar wetten zulks toelaat, gevolg aan verzoeken om doorzoeking, inbeslagneming of de uitlevering ter inbeslagneming van schriftelijke bescheiden, bestanden of voorwerpen en de overdracht van aldus verkregen bewijsmateriaal, of afschriften daarvan, aan de verzoekende Partij.
De aangezochte Partij verstrekt alle gegevens waarom de verzoekende Partij verzoekt met betrekking tot de resultaten van de doorzoeking, de plaats en omstandigheden van inbeslagneming en de daaropvolgende bewaring van het in beslag genomen bewijsmateriaal.
De verzoekende Partij voldoet aan alle voorwaarden die door de aangezochte Partij worden gesteld met betrekking tot al het in beslag genomen en aan de verzoekende Partij overgedragen bewijsmateriaal.
Artikel 16. Confiscatie
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „opbrengsten van misdrijven”:
- a. vermogensbestanddelen van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend of onroerend, stoffelijk of onstoffelijk, alsmede rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die vermogensbestanddelen blijken, direct of indirect afkomstig van of verkregen door het plegen van een strafbaar feit, of de waarde die met dergelijke vermogensbestanddelen overeenkomt; en
- b. voorwerpen, apparatuur of andere hulpmiddelen die zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt bij het plegen van een strafbaar feit.
De aangezochte Partij zal op verzoek trachten:
- a. opbrengsten van misdrijven die zich in haar rechtsgebied bevinden, vast te stellen en op te sporen; en
- b. deze opbrengsten van misdrijven vast te houden teneinde de verhandeling, overdracht of vervreemding hiervan te voorkomen.
De aangezochte Partij voert de in het tweede lid bedoelde verzoeken uit in overeenstemming met haar wetgeving hangende een definitieve beslissing over deze opbrengsten door een rechtscollege van de verzoekende Partij. De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij onverwijld in kennis van het resultaat van de uitvoering van het verzoek.
De aangezochte Partij gaat, op verzoek, over tot confiscatie van de opbrengsten van misdrijven in overeenstemming met haar wetgeving.
Naast de in artikel 5, tweede lid, vermelde gegevens bevatten verzoeken uit hoofde van dit artikel:
- a. een zo precies mogelijke omschrijving en plaatsbepaling van de opbrengsten van misdrijven en hun verband met de persoon die van het strafbare feit wordt verdacht, aan wie dit ten laste wordt gelegd of die ter zake daarvan is veroordeeld; en
- b. voor zover het verzoek is gedaan uit hoofde van het vierde lid, een afschrift van een bevel tot confiscatie afgegeven door een gerechtelijke autoriteit van de verzoekende Partij en een verklaring van de centrale autoriteit van de verzoekende Partij dat het bevel definitief en voor tenuitvoerlegging vatbaar is.
De ingevolge dit artikel geconfisqueerde opbrengsten van misdrijven worden door de aangezochte Partij behouden. Een Partij kan evenwel, voorzover haar wetgeving zulks toestaat, aanbieden de opbrengsten van misdrijven, of een deel daarvan, op nader overeen te komen wijze aan de andere Partij over te dragen.
Bij de toepassing van dit artikel worden de rechten van derden te goeder trouw geëerbiedigd.
Artikel 17. Betekening van stukken
De aangezochte Partij betekent elk hem ter betekening toegezonden stuk dat betrekking heeft op een strafrechtelijke aangelegenheid, mits dat stuk vergezeld gaat van een vertaling in een officiële taal van de aangezochte Partij of ten minste een vertaling van de essentie daarvan.
De verzoekende Partij verzendt een verzoek om betekening van een stuk waarop een reactie wordt verwacht binnen een redelijke termijn vóór het tijdstip waarop de reactie wordt verwacht.
De verzoekende Partij zendt een verzoek om betekening van een dagvaarding of oproep om te verschijnen in de verzoekende Partij, ten minste 30 dagen voor de datum waarop de betrokkene moet verschijnen.
De aangezochte Partij verstrekt een bewijs van betekening:
- a. door middel van een door de geadresseerde gedateerd en ondertekend ontvangstbewijs; of
- b. een verklaring van de aangezochte Partij opgemaakt in overeenstemming met haar wetgeving dat de betekening heeft plaatsgevonden, alsmede de wijze en de datum waarop dit is gebeurd.
Een persoon die geen gehoor geeft aan een hem of haar overeenkomstig dit artikel betekend stuk wordt om die reden niet blootgesteld aan sancties of dwangmaatregelen naar het recht van een van beide Partijen.
Artikel 18. Openbare en overheidsstukken
Met inachtneming van haar wetgeving verstrekt de aangezochte Partij op verzoek afschriften van voor een ieder toegankelijke stukken.
De aangezochte Partij kan afschriften verstrekken van stukken, schriftelijke bescheiden, of gegevens in bezit van een onderdeel van een ministerie of overheidsdienst, doch die niet voor een ieder toegankelijk zijn, in dezelfde mate als waarin en op dezelfde voorwaarden als waarop dergelijke stukken, schriftelijke bescheiden of gegevens toegankelijk zouden zijn voor haar eigen politiefunctionarissen en rechterlijke autoriteiten.
Artikel 19. Waarmerking
Bewijs, schriftelijke bescheiden, afschriften, bestanden, verklaringen of andere bewijsmateriaal die aan de verzoekende Partij moeten worden gezonden, worden slechts gewaarmerkt indien de verzoekende Partij daarom vraagt. In dit verband is waarmerking door de centrale autoriteit van de aangezochte Partij voldoende.
Artikel 20. Verstrekking van gegevens in verband met strafvervolging
Wanneer een strafbaar feit is gepleegd in een van de Partijen en dat strafbare feit eveneens kan worden vervolgd door de andere Partij, kan de Partij waar het strafbare feit is gepleegd, indien zij besluit geen vervolging in te stellen, de andere Partij hiervan in kennis stellen. Op verzoek kan de Partij waar het strafbare feit is gepleegd de andere Partij bijstaan, in het bijzonder door het verstrekken van gegevens en bewijs verband houdende met dat strafbare feit, met het oog op het instellen van een strafvervolging terzake van het strafbare feit in laatstgenoemde Partij.
Artikel 21. Beslechting van geschillen
Geschillen die voortvloeien uit de uitleg, toepassing of uitvoering van dit Verdrag worden langs diplomatieke weg opgelost, indien de centrale autoriteiten zelf niet in staat zijn overeenstemming te bereiken.
Artikel 22. Territoriale toepassing
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op het deel van het Koninkrijk in Europa en kan het op verzoek van het Koninkrijk der Nederlanden worden uitgebreid tot de Nederlandse Antillen en/of Aruba.
Artikel 23. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop de Partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan hun respectieve wettelijke vereisten is voldaan.
Dit Verdrag is van toepassing op verzoeken die worden ingediend nadat het in werking is getreden, zelfs indien het desbetreffende handelen en nalaten zich voordeden voor die datum.
Artikel 24. Beëindiging
Elk van beide Partijen kan dit Verdrag te allen tijde beëindigen door middel van een schriftelijke kennisgeving. De beëindiging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van een zodanige kennisgeving. In geval van uitbreiding van de toepasselijkheid van dit Verdrag tot de Nederlandse Antillen en/of Aruba, is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van dit Verdrag te beëindigen ten aanzien van elk afzonderlijk deel van het Koninkrijk der Nederlanden.
IN WITNESS whereof the undersigned, being duly authorised by their respective Governments, have signed this Agreement.
DONE at the Hong Kong Special Administrative Region this twenty-sixth day of August Two Thousand and Two in duplicate in the Dutch, Chinese and English languages, each version being equally authentic.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands
(sd.) J. S. HAAKMA
For the Government of the Hong Kong Special Administrative Region of the people's Republic of China
(sd.) REGINA IP