← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Speciale Administratieve Regio Hongkong van de Volksrepubliek China inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken

Geldende tekst a fecha 2003-12-01

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Speciale Administratieve Regio Hong Kong van de Volksrepubliek China („Speciale Administratieve Regio Hong Kong”), daartoe naar behoren gemachtigd door de Centrale Volksregering van de Volksrepubliek China, hierna te noemen de Partijen;

Geleid door de wens de doeltreffendheid van hun samenwerking in strafzaken en bij de confiscatie van de opbrengst van misdrijven te verbeteren;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Reikwijdte van de rechtshulp
1.

De Partijen verlenen elkaar, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, in zo ruim mogelijke mate wederzijdse rechtshulp bij onderzoeken, strafvervolging of gerechtelijke procedures die betrekking hebben op strafbare feiten waarvan de bestraffing, op het tijdstip waarop rechtshulp wordt gevraagd, tot de bevoegdheid behoort van de verzoekende Partij.

2.

Rechtshulp omvat, onder meer:

3.

De rechtshulp op basis van dit Verdrag omvat rechtshulp in verband met overtreding van de wetgeving inzake belastingheffing, douaneheffingen of andere aangelegenheden op het gebied van rijksinkomsten, echter niet met het oog op ander dan strafrechtelijk onderzoek of daarmee verband houdende gerechtelijke procedures.

Artikel 2. Centrale autoriteit
1.

De centrale autoriteiten van de Partijen behandelen alle verzoeken om rechtshulp die overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag zijn gedaan en behandelen alle overige mededelingen inzake de toepassing, uitleg en uitvoering van het Verdrag.

2.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „centrale autoriteit”:

Artikel 3. Overige rechtshulp

Dit Verdrag sluit niet uit dat rechtshulp wordt verleend ingevolge andere overeenkomsten en regelingen die tussen de Partijen van toepassing zijn.

Artikel 4. Weigeringsgronden

De aangezochte Partij weigert rechtshulp indien:

Artikel 5. Verzoeken
1.

Verzoeken worden schriftelijk gedaan of, waar passend, met behulp van zodanige elektronische middelen dat zij schriftelijk kunnen worden vastgelegd.

2.

De verzoeken om rechtshulp omvatten:

3.

De verzoekende Partij kan alle overige gegevens verstrekken die zij nuttig acht voor de uitvoering van het verzoek, met inbegrip van een omschrijving van het bewijs of de gegevens die worden gevraagd.

4.

De verzoekende Partij kan verlangen dat de aangezochte Partij het verzoek en de inhoud ervan vertrouwelijk behandelt, behalve voor zover nodig is voor de uitvoering van het verzoek. Indien de aangezochte Partij de verlangde vertrouwelijkheid niet kan waarborgen, pleegt zij onverwijld overleg met de verzoekende Partij.

5.

De aangezochte Partij kan vragen om aanvullende inlichtingen die zij noodzakelijk acht voor de uitvoering van het verzoek.

6.

Een verzoek en stukken ter ondersteuning van het verzoek gaan, indien deze niet in het Engels zijn gesteld, vergezeld van een vertaling in het Engels.

Artikel 6. Uitvoering van verzoeken
1.

Een verzoek wordt onverwijld uitgevoerd met inachtneming van de in het verzoek vermelde termijn. Indien echter omstandigheden inwilliging binnen de termijn onmogelijk maken of naar alle waarschijnlijkheid aanzienlijke vertraging in de uitvoering van het verzoek zullen veroorzaken, stelt de aangezochte Partij de verzoekende Partij hiervan onverwijld op de hoogte.

2.

Een verzoek wordt uitgevoerd in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag, het recht van de aangezochte Partij en met de uitdrukkelijk in het verzoek vermelde formaliteiten en procedures, tenzij deze onverenigbaar zijn met het recht van die Partij.

3.

Indien de verzoekende Partij hierom uitdrukkelijk verzoekt, stelt de centrale autoriteit van de aangezochte Partij haar in kennis van de datum en plaats van uitvoering van het verzoek.

4.

Onverminderd artikel 10, derde lid, neemt de aangezochte Partij een verzoek van de verzoekende Partij inhoudende dat de betrokken autoriteiten en belanghebbenden alsmede hun wettelijke vertegenwoordigers bij de uitvoering van een verzoek aanwezig mogen zijn, welwillend in overweging.

5.

De aangezochte Partij kan de rechtshulp uitstellen indien de uitvoering van het verzoek een lopend onderzoek of lopende strafvervolging in de aangezochte Partij zou doorkruisen.

6.

Voordat de rechtshulp wordt geweigerd of uitgesteld, stelt de aangezochte Partij de verzoekende Partij onverwijld in kennis van de redenen van de voorgenomen weigering of het voorgenomen uitstel en pleegt zij overleg met die Partij teneinde vast te stellen of rechtshulp kan worden verleend onder de door de aangezochte Partij noodzakelijk geachte voorwaarden.

7.

De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij schriftelijk in kennis van een besluit tot weigering van rechtshulp en van de redenen hiervoor.

Artikel 7. Vertegenwoordiging en kosten
1.

De aangezochte Partij vertegenwoordigt de belangen van de verzoekende Partij in gerechtelijke procedures die verband houden met een rechtshulpverzoek.

2.

De aangezochte Partij draagt de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van verzoeken, met uitzondering van de door de verzoekende Partij te dragen:

3.

Indien voor of tijdens de uitvoering van het verzoek blijkt dat de uitvoering van het verzoek een buitensporige belasting van de capaciteit van de aangezochte Partij zou betekenen of dat hiermee kosten van buitengewone aard gemoeid zijn, plegen de Partijen overleg teneinde de voorwaarden vast te stellen waaronder de uitvoering van het verzoek een aanvang kan nemen of kan worden voortgezet.

Artikel 8. Beperkingen
1.

De aangezochte Partij kan eisen dat de verzoekende Partij zonder voorafgaande toestemming van de centrale autoriteit van de aangezochte Partij gegevens of bewijs dat met toepassing van dit Verdrag is verkregen, niet gebruikt bij enig andere onderzoeken, strafvervolgingen of gerechtelijke procedures dan die welke zijn omschreven in het verzoek. In een dergelijke situatie zal de verzoekende Partij de voorwaarden naleven.

2.

De aangezochte Partij kan eisen dat met toepassing van dit Verdrag verstrekte gegevens of bewijs vertrouwelijk worden behandeld of uitsluitend worden gebruikt met inachtneming van de door haar gestelde voorwaarden. Indien de centrale autoriteit van de verzoekende Partij de gegevens of het bewijs onder dergelijke voorwaarden accepteert, zal de verzoekende Partij de voorwaarden naleven.

Artikel 9. Verkrijging van bewijs

Wanneer een verzoek tot verkrijging van bewijs wordt gedaan, treft de aangezochte Partij de nodige maatregelen om dit bewijs te verkrijgen. De verkrijging van bewijs omvat de overlegging van voorwerpen, schriftelijke bescheiden, bestanden en bewijsmiddelen.

Artikel 10. Het horen van getuigen in de aangezochte Partij
1.

Wanneer een verzoek wordt gedaan tot het horen van getuigen in de aangezochte Partij, treft die Partij daartoe de nodige maatregelen.

2.

In aanvulling op de in artikel 5, tweede lid, bedoelde gegevens vermeldt de verzoekende Partij in haar verzoek de vragen die aan de te horen persoon moeten worden gesteld of de aangelegenheid waarover hij of zij moet worden gehoord.

3.

De in de verzoekende Partij betrokken autoriteiten en belanghebbenden alsmede hun wettelijke vertegenwoordigers, mogen, met inachtneming van het recht van de aangezochte Partij, aanwezig zijn en de te horen persoon ondervragen.

4.

Een persoon die wordt gehoord, kan dit weigeren wanneer hetzij:

5.

Indien een persoon zich erop beroept dat ingevolge het recht van de verzoekende Partij een verschoningsrecht of -plicht bestaat, pleegt de centrale autoriteit van de aangezochte Partij, in voorkomend geval, overleg met de centrale autoriteit van de verzoekende Partij en vertrouwt zij op een door die autoriteit verstrekte verklaring.

Artikel 11. Videoconferentie

Voor zover mogelijk en in overeenstemming met hun wetgeving, kunnen Partijen per geval overeenkomen dat het horen van getuigen door middel van videoconferentie, onder duidelijk omschreven voorwaarden, plaatsvindt.

Artikel 12. Het horen van personen en het verlenen van medewerking in de verzoekende Partij
1.

Indien de verzoekende Partij de verschijning van een persoon in de verzoekende Partij noodzakelijk acht teneinde te worden gehoord of voor het verlenen van andere medewerking, kan zij de aangezochte Partij vragen die persoon te verzoeken te verschijnen.

2.

In aanvulling op de in artikel 5, tweede lid, vermelde gegevens bevat een verzoek ingevolge dit artikel het volgende:

3.

Indien zij ervan overtuigd is dat door de verzoekende Partij passende maatregelen worden getroffen voor de veiligheid van die persoon, verzoekt de aangezochte Partij de persoon in de verzoekende Partij te verschijnen en tracht zij de medewerking van deze persoon te verkrijgen.

4.

Een persoon die weigert te verschijnen, mag om die reden niet worden blootgesteld aan enige sanctie of dwangmaatregel naar het recht van een van beide Partijen.

Artikel 13. Overbrenging naar de verzoekende Partij van personen die zich in detentie bevinden
1.

Een persoon die zich in de aangezochte Partij in detentie bevindt en wiens verschijning verlangd wordt in de verzoekende Partij teneinde te worden gehoord of voor het verlenen van andere medewerking, wordt, indien de aangezochte Partij hiermee instemt, hiertoe overgebracht naar de verzoekende Partij, mits de verzoekende Partij de voortgezette detentie van de persoon en zijn of haar terugkeer zodra de aanwezigheid van de persoon niet langer vereist is, doch uiterlijk op het door de aangezochte Partij vermelde tijdstip, waarborgt.

2.

De overbrenging kan worden geweigerd indien:

3.

Wanneer een persoon die zich in detentie bevindt, wordt overgebracht en volgens het recht van de aangezochte Partij in aanmerking komt voor invrijheidstelling terwijl hij of zij zich in de verzoekende Partij bevindt, stelt de aangezochte Partij de verzoekende Partij hiervan in kennis. Deze ziet erop toe dat de persoon in vrijheid wordt gesteld en de persoon vervolgens wordt behandeld als een in artikel 12 vermelde persoon.

4.

Een persoon die weigert te worden overgebracht, mag om die reden niet worden blootgesteld aan enige sanctie of dwangmaatregel naar het recht van een van beide Partijen.

Artikel 14. Vrijgeleide
1.

Een persoon die overeenkomstig artikel 12 of 13 ermee instemt in de verzoekende Partij te verschijnen, mag ter zake van handelen of nalaten dat plaatsvond voordat de persoon uit de aangezochte Partij vertrok, in de verzoekende Partij niet worden vervolgd, in detentie worden genomen of in zijn of haar persoonlijke vrijheid worden beperkt wegens een strafbaar feit en niet worden blootgesteld aan een civiele procedure of enige andere procedure waaraan de persoon niet zou kunnen worden blootgesteld indien hij of zij zich niet in de verzoekende Partij zou bevinden.

2.

Het eerste lid is niet langer van toepassing wanneer de persoon vrijelijk kan vertrekken, doch de verzoekende Partij niet heeft verlaten binnen een tijdvak van vijftien dagen nadat hij of zij er officieel van in kennis is gesteld dat zijn of haar aanwezigheid niet langer vereist is of, na de verzoekende Partij te hebben verlaten, is teruggekeerd.

3.

Een persoon die overeenkomstig artikel 12 of 13 ermee instemt te worden gehoord in de verzoekende Partij, mag niet worden vervolgd wegens de afgelegde getuigenis, behalve in verband met meineed.

4.

Een persoon die overeenkomstig artikel 12 of 13 ermee instemt in de verzoekende Partij te worden gehoord, kan weigeren een verklaring af te leggen wanneer hetzij:

5.

Indien een persoon zich erop beroept dat ingevolge het recht van de aangezochte Partij een verschoningsrecht of -plicht bestaat, pleegt de centrale autoriteit van de verzoekende Partij, in voorkomend geval, overleg met de centrale autoriteit van de aangezochte Partij en vertrouwt zij op een door die autoriteit verstrekte verklaring.

6.

Van een persoon die overeenkomstig artikel 12 of 13 ermee instemt in de verzoekende Partij te verschijnen, mag niet worden verlangd dat hij een verklaring aflegt of medewerking verleent in enige andere gerechtelijke procedure dan die welke in het verzoek is vermeld.

Artikel 15. Doorzoeking en inbeslagneming
1.

De aangezochte Partij geeft, in zoverre haar wetten zulks toelaat, gevolg aan verzoeken om doorzoeking, inbeslagneming of de uitlevering ter inbeslagneming van schriftelijke bescheiden, bestanden of voorwerpen en de overdracht van aldus verkregen bewijsmateriaal, of afschriften daarvan, aan de verzoekende Partij.

2.

De aangezochte Partij verstrekt alle gegevens waarom de verzoekende Partij verzoekt met betrekking tot de resultaten van de doorzoeking, de plaats en omstandigheden van inbeslagneming en de daaropvolgende bewaring van het in beslag genomen bewijsmateriaal.

3.

De verzoekende Partij voldoet aan alle voorwaarden die door de aangezochte Partij worden gesteld met betrekking tot al het in beslag genomen en aan de verzoekende Partij overgedragen bewijsmateriaal.

Artikel 16. Confiscatie
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „opbrengsten van misdrijven”:

2.

De aangezochte Partij zal op verzoek trachten:

3.

De aangezochte Partij voert de in het tweede lid bedoelde verzoeken uit in overeenstemming met haar wetgeving hangende een definitieve beslissing over deze opbrengsten door een rechtscollege van de verzoekende Partij. De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij onverwijld in kennis van het resultaat van de uitvoering van het verzoek.

4.

De aangezochte Partij gaat, op verzoek, over tot confiscatie van de opbrengsten van misdrijven in overeenstemming met haar wetgeving.

5.

Naast de in artikel 5, tweede lid, vermelde gegevens bevatten verzoeken uit hoofde van dit artikel:

6.

De ingevolge dit artikel geconfisqueerde opbrengsten van misdrijven worden door de aangezochte Partij behouden. Een Partij kan evenwel, voorzover haar wetgeving zulks toestaat, aanbieden de opbrengsten van misdrijven, of een deel daarvan, op nader overeen te komen wijze aan de andere Partij over te dragen.

7.

Bij de toepassing van dit artikel worden de rechten van derden te goeder trouw geëerbiedigd.

Artikel 17. Betekening van stukken
1.

De aangezochte Partij betekent elk hem ter betekening toegezonden stuk dat betrekking heeft op een strafrechtelijke aangelegenheid, mits dat stuk vergezeld gaat van een vertaling in een officiële taal van de aangezochte Partij of ten minste een vertaling van de essentie daarvan.

2.

De verzoekende Partij verzendt een verzoek om betekening van een stuk waarop een reactie wordt verwacht binnen een redelijke termijn vóór het tijdstip waarop de reactie wordt verwacht.

3.

De verzoekende Partij zendt een verzoek om betekening van een dagvaarding of oproep om te verschijnen in de verzoekende Partij, ten minste 30 dagen voor de datum waarop de betrokkene moet verschijnen.

4.

De aangezochte Partij verstrekt een bewijs van betekening:

5.

Een persoon die geen gehoor geeft aan een hem of haar overeenkomstig dit artikel betekend stuk wordt om die reden niet blootgesteld aan sancties of dwangmaatregelen naar het recht van een van beide Partijen.

Artikel 18. Openbare en overheidsstukken
1.

Met inachtneming van haar wetgeving verstrekt de aangezochte Partij op verzoek afschriften van voor een ieder toegankelijke stukken.

2.

De aangezochte Partij kan afschriften verstrekken van stukken, schriftelijke bescheiden, of gegevens in bezit van een onderdeel van een ministerie of overheidsdienst, doch die niet voor een ieder toegankelijk zijn, in dezelfde mate als waarin en op dezelfde voorwaarden als waarop dergelijke stukken, schriftelijke bescheiden of gegevens toegankelijk zouden zijn voor haar eigen politiefunctionarissen en rechterlijke autoriteiten.

Artikel 19. Waarmerking

Bewijs, schriftelijke bescheiden, afschriften, bestanden, verklaringen of andere bewijsmateriaal die aan de verzoekende Partij moeten worden gezonden, worden slechts gewaarmerkt indien de verzoekende Partij daarom vraagt. In dit verband is waarmerking door de centrale autoriteit van de aangezochte Partij voldoende.

Artikel 20. Verstrekking van gegevens in verband met strafvervolging

Wanneer een strafbaar feit is gepleegd in een van de Partijen en dat strafbare feit eveneens kan worden vervolgd door de andere Partij, kan de Partij waar het strafbare feit is gepleegd, indien zij besluit geen vervolging in te stellen, de andere Partij hiervan in kennis stellen. Op verzoek kan de Partij waar het strafbare feit is gepleegd de andere Partij bijstaan, in het bijzonder door het verstrekken van gegevens en bewijs verband houdende met dat strafbare feit, met het oog op het instellen van een strafvervolging terzake van het strafbare feit in laatstgenoemde Partij.

Artikel 21. Beslechting van geschillen

Geschillen die voortvloeien uit de uitleg, toepassing of uitvoering van dit Verdrag worden langs diplomatieke weg opgelost, indien de centrale autoriteiten zelf niet in staat zijn overeenstemming te bereiken.

Artikel 22. Territoriale toepassing

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op het deel van het Koninkrijk in Europa en kan het op verzoek van het Koninkrijk der Nederlanden worden uitgebreid tot de Nederlandse Antillen en/of Aruba.

Artikel 23. Inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop de Partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan hun respectieve wettelijke vereisten is voldaan.

2.

Dit Verdrag is van toepassing op verzoeken die worden ingediend nadat het in werking is getreden, zelfs indien het desbetreffende handelen en nalaten zich voordeden voor die datum.

Artikel 24. Beëindiging

Elk van beide Partijen kan dit Verdrag te allen tijde beëindigen door middel van een schriftelijke kennisgeving. De beëindiging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van een zodanige kennisgeving. In geval van uitbreiding van de toepasselijkheid van dit Verdrag tot de Nederlandse Antillen en/of Aruba, is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van dit Verdrag te beëindigen ten aanzien van elk afzonderlijk deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

IN WITNESS whereof the undersigned, being duly authorised by their respective Governments, have signed this Agreement.

DONE at the Hong Kong Special Administrative Region this twenty-sixth day of August Two Thousand and Two in duplicate in the Dutch, Chinese and English languages, each version being equally authentic.

For the Government of the Kingdom of the Netherlands

(sd.) J. S. HAAKMA

For the Government of the Hong Kong Special Administrative Region of the people's Republic of China

(sd.) REGINA IP