Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht

Type Verdrag
Publication 2023-06-26
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De overeenkomstsluitende lidstaten,

Overwegende dat samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie op het gebied van octrooien aanzienlijk bijdraagt aan het integratieproces in Europa, in het bijzonder door de totstandbrenging van een interne markt binnen de Europese Unie, die wordt gekenmerkt door het vrije verkeer van goederen en diensten, en de instelling van een systeem dat waarborgt dat de concurrentie op de interne markt niet wordt verstoord;

Overwegende dat de gefragmenteerde markt voor octrooien en de aanzienlijke verschillen tussen de nationale rechtspraaksystemen nadelig zijn voor innovatie, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, die moeilijkheden ondervinden hun octrooirechten te handhaven en zich te verdedigen tegen ongegronde vorderingen en vorderingen betreffende octrooien die nietig verklaard zouden moeten worden;

Overwegende dat het Europees Octrooiverdrag (hierna genoemd „EOV”), dat door alle lidstaten van de Europese Unie is bekrachtigd, in één enkele procedure voor het verlenen van Europese octrooien door het Europees Octrooibureau voorziet;

Overwegende dat octrooihouders krachtens Verordening (EU) nr. 1257/20121)Verordening (EU) Nr. 1257/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2012 tot het uitvoering geven aan nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming (PbEU L 361 van 31 december 2012, blz. 1), met inbegrip van latere wijzigingen. voor hun Europese octrooien kunnen verzoeken om eenheidswerking teneinde eenheidsoctrooibescherming te verkrijgen in de lidstaten van de Europese Unie die deelnemen aan de nauwere samenwerking;

Geleid door de wens de handhaving van octrooien en het verweer tegen ongegronde vorderingen en octrooien die nietig verklaard zouden moeten worden te verbeteren en de rechtszekerheid te vergroten door het instellen van een eengemaakt octrooigerecht voor geschillen over inbreuken op en de geldigheid van octrooien;

Overwegende dat het Eengemaakt Octrooigerecht zodanig dient te worden opgezet dat het zeer snel deugdelijke beslissingen kan geven, waarbij de belangen van rechthebbenden en andere partijen zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen en rekening wordt gehouden met de vereiste proportionaliteit en flexibiliteit;

Overwegende dat het Eengemaakt Octrooigerecht een gerecht gemeenschappelijk aan alle overeenkomstsluitende lidstaten dient te zijn en zo onderdeel dient te worden van hun rechtssysteem, met uitsluitende bevoegdheid met betrekking tot Europese octrooien met eenheidswerking alsmede Europese octrooien die zijn verleend overeenkomstig de bepalingen van het EOV;

Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de eenheid van de rechtsorde van de Unie en het primaat van het recht van de Unie dient te waarborgen;

Herinnerend aan de verplichtingen die krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de overeenkomstsluitende lidstaten rusten, zoals de verplichting loyaal samen te werken als vervat in artikel 4, derde lid, VEU en de verplichting om via het Eengemaakt Octrooigerecht zorg te dragen voor de algehele uitvoering en eerbiediging van het recht van de Unie op hun onderscheiden grondgebieden en de rechtsbescherming van de in het recht van de Unie neergelegde individuele rechten;

Overwegende dat het Eengemaakt Octrooigerecht, zoals elk nationaal gerecht, het recht van de Unie dient te eerbiedigen en toe te passen en, in samenwerking met het Hof van Justitie van de Europese Unie als bewaker van het recht van de Unie, de correcte toepassing en uniforme uitlegging ervan dient te waarborgen; in het bijzonder dient het Eengemaakt Octrooigerecht met het Hof van Justitie van de Europese Unie samen te werken door het recht van de Unie correct uit te leggen door te steunen op de jurisprudentie van het Hof en overeenkomstig artikel 267 VWEU te verzoeken om prejudiciële beslissingen;

Overwegende dat de overeenkomstsluitende lidstaten, conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, aansprakelijk dienen te zijn voor schade ten gevolge van schendingen van het recht van de Unie door het Eengemaakt Octrooigerecht, met inbegrip van het verzuim het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken om prejudiciële beslissingen;

Overwegende dat schendingen van het recht van de Unie door het Eengemaakt Octrooigerecht, met inbegrip van het verzuim het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing te verzoeken, rechtstreeks worden toegerekend aan de overeenkomstsluitende lidstaten, waartegen op grond van de artikelen 258, 259 en 260 VWEU bijgevolg tegen elke overeenkomstsluitende lidstaat een inbreukprocedure kan worden ingesteld, teneinde het primaat van het recht van de Unie en de correcte toepassing ervan te waarborgen;

Herinnerend aan het primaat van het recht van de Unie, met inbegrip van het VEU, het VWEU, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de algemene beginselen van het recht van de Unie zoals ontwikkeld door het Hof van Justitie van de Europese Unie en in het bijzonder het recht op een doeltreffend rechtsmiddel en op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het secundaire recht van de Unie;

Overwegende dat elke lidstaat van de Europese Unie tot deze overeenkomst dient te kunnen toetreden. Lidstaten die hebben besloten niet deel te nemen aan de nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming mogen aan deze overeenkomst deelnemen met betrekking tot Europese octrooien die voor hun onderscheiden grondgebied zijn verleend;

Overwegende dat deze overeenkomst op 1 januari 2014 in werking dient te treden of op de eerste dag van de vierde maand na de dertiende nederlegging, mits de drie staten met het grootste aantal geldende Europese octrooien in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de overeenkomst wordt ondertekend tot de overeenkomstsluitende lidstaten behoren die hun akte van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd, of op de eerste dag van de vierde maand na de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen in Verordening (EU) nr. 1215/20122)Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEU L 351 van 20 december 2012, blz. 1), met inbegrip van latere wijzigingen. inzake de verhouding van de verordening tot deze overeenkomst, al naar gelang welke datum het laatst valt;

Zijn het volgende overeengekomen:

DEEL I. ALGEMENE EN INSTITUTIONELE BEPALINGEN

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Eengemaakt Octrooigerecht

Bij deze overeenkomst wordt een eengemaakt octrooigerecht voor de beslechting van geschillen over Europese octrooien en Europese octrooien met eenheidswerking ingesteld.

Het Eengemaakt Octrooigerecht is een gerecht gemeenschappelijk aan de overeenkomstsluitende lidstaten en is derhalve aan dezelfde verplichtingen uit hoofde van het recht van de Unie onderworpen als elk nationaal gerecht van de overeenkomstsluitende lidstaten.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

Artikel 3. Toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing op:

Artikel 4. Rechtspositie
1.

In elke overeenkomstsluitende lidstaat bezit het Gerecht rechtspersoonlijkheid en de ruimste handelingsbevoegdheid die bij de wetgeving van die staat aan rechtspersonen wordt toegekend.

2.

Het Gerecht wordt vertegenwoordigd door de president van het Hof van Beroep, die overeenkomstig het statuut wordt gekozen.

Artikel 5. Aansprakelijkheid
1.

De contractuele aansprakelijkheid van het Gerecht wordt beheerst door het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 593/20085)Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PbEU L 177 van 4 juli 2008, blz. 6), met inbegrip van latere wijzigingen. (Rome I) op het contract toepasselijke recht, indien van toepassing, of anders overeenkomstig het recht van de lidstaat van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

2.

De niet-contractuele aansprakelijkheid van het Gerecht voor schade veroorzaakt door het Gerecht of door het personeel bij de uitvoering van zijn taken, voor zover het geen burgerlijke- of handelsrechtelijke aangelegenheid in de zin van Verordening (EG) nr. 864/20076)Verordening (EG) Nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (PbEU L 199 van 31 juli 2007, blz. 40), met inbegrip van latere wijzigingen. (Rome II) betreft, wordt beheerst door het recht van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de schade zich voordoet. Deze bepaling laat de toepassing van artikel 22 onverlet.

3.

De bevoegdheid te beslissen over de in het tweede lid bedoelde geschillen ligt bij een rechterlijke instantie van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de schade zich heeft voorgedaan.

HOOFDSTUK II. INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel 6. Het Gerecht
1.

Het Gerecht bestaat uit een Gerecht van Eerste Aanleg, een Hof van Beroep en een Griffie.

2.

Het Gerecht vervult de hem bij deze overeenkomst toegekende taken.

Artikel 7. Het Gerecht van Eerste Aanleg
1.

Het Gerecht van Eerste Aanleg bestaat uit een centrale divisie alsmede uit lokale en regionale divisies.

2.

De centrale afdeling zetelt in Parijs en heeft afdelingen in Milaan en München. De zaken voor de centrale afdeling worden verdeeld overeenkomstig bijlage II, die integraal onderdeel is van deze overeenkomst.

3.

Overeenkomstig het statuut wordt op verzoek van een overeenkomstsluitende lidstaat op zijn grondgebied een lokale divisie opgericht. Een overeenkomstsluitende lidstaat waar een lokale divisie wordt gevestigd, wijst de zetel van die divisie aan.

4.

Op verzoek van een overeenkomstsluitende lidstaat wordt op zijn grondgebied een extra lokale divisie opgericht voor elke honderd octrooizaken die in die overeenkomstsluitende staat zijn ingesteld gedurende drie opeenvolgende kalenderjaren voor of na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Het aantal lokale divisies in een overeenkomstsluitende lidstaat zal niet meer bedragen dan vier.

5.

Overeenkomstig het statuut wordt voor twee of meer overeenkomstsluitende lidstaten op hun verzoek een regionale divisie opgericht. Deze overeenkomstsluitende lidstaten wijzen de zetel van de desbetreffende regionale divisie aan. De regionale divisie kan op meerdere locaties zaken behandelen.

Artikel 8. Samenstelling van de panels van het Gerecht van Eerste Aanleg
1.

Elk panel van het Gerecht van Eerste Aanleg heeft een multinationale samenstelling. Onverminderd het vijfde lid van dit artikel en artikel 33, derde lid, onder a), bestaat zij uit drie rechters.

2.

Elk panel van een lokale divisie in een overeenkomstsluitende lidstaat waar gedurende een periode van drie opeenvolgende jaren voor of na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst gemiddeld minder dan vijftig octrooizaken per kalenderjaar zijn ingesteld, bestaat uit één juridisch geschoolde rechter die onderdaan is van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de desbetreffende lokale divisie gevestigd is, en twee juridisch geschoolde rechters die geen onderdaan zijn van die overeenkomstsluitende lidstaat en die overeenkomstig artikel 18, derde lid, per zaak uit de pool van rechters worden toegewezen.

3.

Onverminderd het tweede lid, bestaat elk panel van een lokale divisie in een overeenkomstsluitende lidstaat waar gedurende een periode van drie opeenvolgende jaren voor of na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst gemiddeld vijftig of meer octrooizaken per kalenderjaar zijn ingesteld, uit twee juridisch geschoolde rechters die onderdaan zijn van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de desbetreffende lokale divisie gevestigd is, en één juridisch geschoolde rechter die geen onderdaan is van die overeenkomstsluitende lidstaat en die overeenkomstig artikel 18, derde lid, uit de pool van rechters wordt toegewezen. Deze derde rechter blijft langdurig aan de lokale divisie verbonden, indien dat noodzakelijk is voor het efficiënt functioneren van divisies met een hoge werklast.

4.

Elk panel van een regionale divisie bestaat uit twee juridisch geschoolde rechters die worden gekozen uit een regionale lijst van rechters en die onderdaan zijn van de betrokken overeenkomstsluitende lidstaten, en één juridisch geschoolde rechter die geen onderdaan van een van die lidstaten is en die overeenkomstig artikel 18, derde lid uit de pool van rechters wordt toegewezen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.