Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oostenrijk
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden
en
De Bondspresident van de Oostenrijksche Republiek,
bezield met den wensch de handelsbetrekkingen tusschen de beide landen steeds meer te bevorderen, hebben besloten een handels- en scheepvaartverdrag te sluiten en hebben te dien einde tot Hun gevolmachtigden benoemd:
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:
Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, HoogstDerzelver Minister van Buitenlandsche Zaken,
De Bondspresident van de Oostenrijksche Republiek:
Zijne Excellentie ADOLF DUFFEK, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van de Oostenrijksche Republiek te 's-Gravenhage,
die, na elkander mededeeling te hebben gedaan van hunne volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm werden bevonden, omtrent het volgende zijn overeengekomen:
Artikel 1
(1). De onderdanen van elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen zullen op het gebied van de andere een in elk opzicht ten minste even gunstige behandeling genieten als de onderdanen van de meestbegunstigde natie. Zij zullen gelijkgesteld zijn met de nationalen voor wat betreft de vestiging en de uitoefening van den handel, de nijverheid en de scheepvaart. Zij zullen eveneens, gelijk de nationalen, recht hebben op de bescherming van hun persoon en goederen, alsmede het recht den eigendom van roerende of onroerende goederen te verkrijgen en erover te beschikken. Natuurlijke personen en rechtspersonen van de ene Partij op het grondgebied van de andere Partij genieten met betrekking tot het verwerven van onroerend goed dezelfde rechten als de onderdanen van de meestbegunstigde natie. De onderdanen van elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen zullen vrijen toegang hebben tot de rechtbanken der andere Partij, hetzij als eischer, hetzij als verweerder. Zij zullen, op denzelfden voet als de nationalen, de bevoegdheid hebben procureurs, advocaten en vertegenwoordigers hunner keuze te nemen en van hun diensten gebruik te maken ter bescherming van hunne rechten vóór de bedoelde rechtbanken.
(2). Het is echter wel verstaan, dat de voorgaande bepalingen op geenerlei wijze inbreuk maken op de bijzondere wetten, verordeningen en voorschriften inzake den handel, de nijverheid, de politie, de algemeene veiligheid en de uitoefening van bepaalde ambachten en beroepen, van kracht op het gebied der Hooge Verdragsluitende Partijen en in het algemeen van toepassing op alle vreemdelingen.
(3). Den onderdanen van elk der beide Partijen zal het vrij staan hunne zaken op het grondgebied der andere Partij te regelen, hetzij persoonlijk, hetzij door een tusschenpersoon hunner keuze, zonder te dezen opzichte aan eenige andere beperkingen onderworpen te zijn dan aan die, vastgesteld bij de op dat grondgebied van kracht zijnde wetten en voorschriften.
(4). Zij zullen voor de uitoefening van hunnen handel, hunne nijverheid en hunne scheepvaart binnen het grondgebied der andere Partij geene andere of hoogere belasting, heffing of rechten betalen dan die, welke van de nationalen worden geheven.
(5). De onderdanen van elk der beide Partijen, die vreemdelingen zijn volgens de wetgeving van de andere, en die op behoorlijke wijze hun nationaliteit zullen hebben aangetoond, zullen op het grondgebied van deze andere Partij vrijgesteld zijn van elken verplichten persoonlijken dienst, alsmede van iedere bijdrage hetzij in geld, hetzij in natura, opgelegd in plaats van genoemden verplichten persoonlijken dienst. Zij zullen zoowel in vredes- als in oorlogstijd slechts gedwongen worden tot die militaire leveringen en vorderingen, welke aan de nationalen worden opgelegd en wel in dezelfde mate en volgens dezelfde beginselen als deze laatsten. Zij zullen recht hebben op de vergoedingen, welke bij de geldende wetten ten gunste van de onderdanen zullen zijn vastgesteld.
Artikel 2
(1). De naamlooze en andere vennootschappen op het gebied van handel, nijverheid en financiën, de scheepvaart- en verzekeringmaatschappijen daaronder begrepen, die haar zetel hebben op het grondgebied van eene der Hooge Verdragsluitende Partijen, en die volgens de wetten dier Partij op rechtsgeldige wijze daar zijn opgericht, zullen evenzeer bevoegd zijn om op het grondgebied der andere Partij haar rechten te verdedigen en in het bijzonder in rechte op te treden, mits zij zich onderwerpen aan de daarop betrekking hebbende wetten en verordeningen, van kracht op het grondgebied dier andere Partij.
(2). De toelating der hierboven vermelde op rechtsgeldige wijze op het grondgebied van een der Hooge Verdragsluitende Partijen opgerichte vennootschappen, die na het van kracht worden van dit verdrag hare werkzaamheden willen uitstrekken over het grondgebied van de andere Partij en die daartoe eene bijzondere machtiging mochten behoeven, zal geregeld worden overeenkomstig de wetten en verordeningen, welke op het grondgebied van dien Staat van kracht zijn.
(3). De hierbedoelde, eenmaal volgens de in het betrokken land van kracht zijnde wetten en voorschriften toegelaten, vennootschappen zullen niet aan andere, noch hoogere belastingen, bijdragen, of in het algemeen gesproken heffingen worden onderworpen, dan aan die, welke worden geheven van vennootschappen van een derden Staat en zullen in elk opzicht behandeld worden op den voet van de meestbegunstigde natie.
Artikel 3
(1). Elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen verbindt zich aan de andere de meest gunstige behandeling te verleenen welke zij toekent of in de toekomst zal toekennen aan een derden Staat voor wat betreft den uitvoer, den invoer, het entrepôt-verkeer en den doorvoer van koopwaren, de voldoening van rechten of van belastingen en de vervulling van douaneformaliteiten.
(2). De voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid herkomstig uit Nederland, Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao worden toegelaten in Oostenrijk en de voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van Oostenrijk worden toegelaten in Nederland, Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao, onder toepassing van het gunstigste tarief dat elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen verleent of zal verleenen aan een derden Staat, zoowel voor wat betreft alle rechten en belastingen als ten aanzien van alle coëfficiënten, surtaxen of toeslagen welke op deze rechten en belastingen betrekking hebben of zullen hebben.
(3). Voor het geval in- of uitvoerverboden, welke door een der Hooge Verdragsluitende Partijen zijn of in de toekomst mochten worden ingesteld, den handel tusschen deze Partijen zouden belemmeren, verklaart elk Harer zich bereid op het verzoek van de andere in onderhandelingen te treden over de sluiting van een overeenkomst in zake de verleening van in- of uitvoerfaciliteiten.
(4). Alinea 3 vindt geen toepassing op in- of uitvoerverboden of -beperkingen die om een der volgende redenen zijn of mochten worden uitgevaardigd:
- a). in buitengewone omstandigheden met het oog op oorlogsvoorraden;
- b). om redenen van openbare veiligheid;
- c). ten behoeve van de Staatsmonopolies welke thans bestaan of in de toekomst zullen worden ingesteld;
- d). ten einde op vreemde koopwaren de verboden of beperkingen toe te passen welke door de binnenlandsche wetgeving zijn of mochten worden ingesteld ten aanzien van de voortbrenging, den verkoop, het vervoer of het verbruik in het binnenland van soortgelijke inheemsche koopwaren;
- e). in verband met de gezondheidspolitie en met het oog op de bescherming van nuttige dieren en planten tegen ziekten, insecten en schadelijke parasieten en vooral in het belang van de openbare gezondheid en overeenkomstig de te dezen aanzien gehuldigde internationale beginselen.
Artikel 4
De binnenlandsche rechten, welke worden geheven voor rekening van den staat, van gemeenten of van corporaties en welke worden of zullen worden gelegd op de voortbrenging of het verbruik van een product binnen het gebied van een der Hooge Verdragsluitende Partijen, zullen in geen geval de voortbrengselen van de andere Partij hinderlijker treffen dan de gelijksoortige voortbrengselen van de meestbegunstigde natie.
Artikel 5
(1). Behoudens de grootere voordeelen, welke in deze kunnen voortvloeien uit de behandeling als meestbegunstigde natie, zullen de handelaren, de fabrikanten en andere producenten van een der beide landen, alsmede hun handelsreizigers, op vertoon van een legitimatiebewijs, afgegeven door de autoriteiten van hun land, en met inachtneming van de formaliteiten, voorgeschreven binnen het grondgebied van het andere land, het recht hebben zoowel om in dat land aankoopen te doen voor hun handel, nijverheid of andere onderneming bij de handelaren of producenten van deze koopwaren of in de openbare verkooplokalen als om er orders op te nemen bij de personen of handelshuizen die zich bezighouden met den wederverkoop of die in hun beroep of nijverheid de aangeboden handelswaren gebruiken, zonder uit dien hoofde tot de betaling van eenig recht of eenige belasting gehouden te zijn. Zij mogen monsters of modellen doch geen koopwaren met zich voeren, behalve in de gevallen dat dit aan de eigen handelsreizigers is toegestaan.
(2). Het hierboven bedoelde legitimatiebewijs moet zijn opgesteld overeenkomstig het model dat als bijlage is gevoegd bij de op 3 November 1923 te Genève gesloten conventie voor de vereenvoudiging van de douaneformaliteiten.
(3). Aan invoerrechten onderhevige goederen, welke als monsters dienst doen, met uitzondering van verboden waren, zullen bij invoer over en weer een tijdelijken vrijdom van invoerrechten genieten, mits de douaneformaliteiten worden in acht genomen welke noodig zijn ten einde den wederuitvoer te verzekeren.
(4). Het is wel verstaan, dat de uitzondering van de verboden waren van de toelating ten invoer onder genot van tijdelijken vrijdom van invoerrechten slechts van toepassing is op monsters van waren, welker invoer verboden is om humanitaire en politieredenen of met het oog op de bescherming van menschen, dieren of planten tegen besmettelijke ziekten.
(5). De herkenningsmerken welke door de autoriteiten van een der Hooge Verdragsluitende Partijen op de monsters zijn aangebracht zullen ter vaststelling van de identiteit dier monsters door de autoriteiten van de andere Partij worden erkend, met dien verstande evenwel, dat deze laatsten de bevoegdheid zullen hebben daarnevens de nationale herkenningsmerken aan te brengen in al die gevallen dat haar zulks noodzakelijk mocht voorkomen.
(6). Het genot van dezen vrijdom van invoerrechten kan worden ontnomen aan die reizigers en die handelshuizen, welke zich niet volgens de vastgestelde bepalingen gedragen.
Artikel 6
(1). Voor al hetgeen betreft het spoorwegregiem en het doorvoerverkeer verbinden zich de Hooge Verdragsluitende Partijen elkander alle redelijke vervoer-faciliteiten te verleenen en alle geschikte maatregelen te treffen opdat het vervoer op normale wijze en zonder moeilijkheden kan plaats hebben.
(2). De voorgaande bepalingen maken in geen enkel opzicht inbreuk op de voorschriften der douanereglementen inzake de behandeling van doorvoerzendingen noch op de verordeningen betrekking hebbende op het verkeer van en den handel in goederen, welke aan een binnenlandsche belasting onderworpen zijn of het voorwerp zijn van een Staatsmonopolie. De doorvoer van de hierbedoelde goederen zal echter niet méér belemmerd mogen worden dan noodig is in verband met de eventueele inning van de binnenlandsche belasting op dat gedeelte van de goederen dat in het land zou blijven, of in het belang van het monopolie.
Artikel 7
(1). De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, dat het vervoer van reizigers van elke nationaliteit, alsmede van hun bagage over het grondgebied van elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen voor wat betreft de verzending, de vrachtprijzen, de openbare lasten, gelegd op het vervoer, en voor wat betreft het reizen zelf aan een even gunstig regiem zal onderhevig zijn als het algemeene regiem dat van toepassing is op het vervoer van reizigers in het binnenlandsch verkeer of in het verkeer met een derden Staat, te weten onder dezelfde voorwaarden, in dezelfde richting en op hetzelfde traject.
(2). De uit Nederland met bestemming naar een Oostenrijksch station of in doorvoer door Oostenrijk verzonden goederen zullen op de Oostenrijksche spoorwegen, voor wat betreft de verzending en het vervoer, de vrachtprijzen en de openbare lasten, verbonden aan het vervoer, niet minder gunstig behandeld worden dan dezelfde goederen, vervoerd tusschen Oostenrijksche stations, wel te verstaan onder dezelfde voorwaarden, in dezelfde richting en op hetzelfde traject.
(3). Deze laatste bepaling zal evenzeer worden in acht genomen door de Nederlandsche spoorwegen ten aanzien van goederen verzonden uit Oostenrijk met bestemming naar een Nederlandsch station of wanneer deze goederen in transit het Nederlandsch grondgebied passeeren.
(4). De voorgaande bepalingen doelen niet op de tariefverminderingen welke worden verleend ten gunste van werken van weldadigheid of van openbaar onderwijs, noch op de kortingen welke in geval van een algemeene ramp worden verleend aan het vervoer van reizigers en goederen, noch op die, welke gelden voor militair vervoer, voor personen in publieken dienst, voor spoorwegpersoneel en voor personeel van gelijksoortige diensten, alsmede voor de leden van hun gezinnen, noch voor de dienstzendingen van inheemsche vervoerondernemingen.
(5). Het is eveneens wel verstaan, dat op de secundaire spoorlijnen (buurtspoorwegen, lokaalspoorwegen, tramwegen), welke voornamelijk dienen voor het toeristenverkeer, kortingen op de reizigerstarieven zullen kunnen worden verleend aan de inwoners van de aangrenzende gemeenten.
Artikel 8
(1). De schepen van elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen, hun bemanningen, hun passagiers en hun ladingen zullen in de havens en wateren en op de bevaarbare stroomen van de andere Partij alle voorrechten genieten welke aan de meestbegunstigde natie worden verleend.
(2). De meetbrieven van de schepen en vaartuigen van een der Hooge Verdragsluitende Partijen zullen door de autoriteiten van de andere Partij worden aanvaard zonder dat zal worden overgegaan tot een hernieuwd onderzoek of tot nieuwe maatregelen, mits de regelen, volgens welke de meting geschiedt in het land waar de meetbrief is afgegeven, worden erkend als gelijkwaardig aan de regelen welke in het land van de andere Partij zijn vastgesteld.
Artikel 9
De bepalingen van dit verdrag zijn niet van toepassing op de kustvaart uitgeoefend langs de kusten van het Koninkrijk der Nederlanden, welke kustvaart uitsluitend onderworpen blijft aan de desbetreffende wetten en verordeningen.
Artikel 10
(1). Ook voor de niet bij de voorafgaande artikelen voorziene gevallen verleenen de Hooge Verdragsluitende Partijen elkander wederkeerig de behandeling op den voet van de meestbegunstigde natie voor al hetgeen betreft den handel, de nijverheid, de scheepvaart en den consulairen dienst.
(2). Het is echter wel verstaan, dat de clausule van de meestbegunstigde natie niet van toepassing is op de concessies, welke een der Hooge Verdragsluitende Partijen verleent of in de toekomst zal verleenen aan de naburige Staten ten einde het grensverkeer te vergemakkelijken of aan de bewoners van bepaalde grensdistricten.
Artikel 11
Elk geschil over de uitlegging, de toepassing of de ten uitvoerlegging van dit verdrag dat door de Hooge Verdragsluitende Partijen niet langs diplomatieken weg is kunnen worden opgelost, zal onderworpen worden aan het Permanente Hof van Internationale Justitie.
Artikel 12
De bepalingen van dit verdrag zijn ook van toepassing op Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao met uitzondering van de bepaling van artikel 1, lid 1, voor zoover deze betrekking heeft op onroerende eigendommen, met dien verstande dat in deze de behandeling op den voet van de meestbegunstigde natie wederkeerig van toepassing zal zijn.
Artikel 13
Dit verdrag zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen zoodra mogelijk te 's-Gravenhage worden uitgewisseld. Het zal in werking treden drie maanden na de uitwisseling der akten van bekrachtiging en zal van kracht blijven gedurende een jaar te rekenen van den dag zijner in werking treding, met stilzwijgende verlenging telkenmale voor eenzelfde periode, tenzij het door een der Hooge Verdragsluitende Partijen ten minste drie maanden vóór den afloop mocht zijn opgezegd.
En foi de quoi les Plénipotentiaires ont signé le présent traité.
Fait en double à La Haye, le vingt huit mars de l'an mil neuf cent vingt neuf.
BEELAERTS VAN BLOKLAND.
DUFFEK.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.