Verdrag betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 25 mei 1927 in haar tiende zitting,
Besloten hebbende, verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders, welk onderwerp vervat is in het eerste punt van de agenda der zitting,
Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag,
Neemt heden, de 15de juni 1927, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de ziekteverzekering (landbouw), 1927”, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie:
Artikel 1
Ieder Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie dat dit Verdrag bekrachtigt verbindt zich een verplichte ziekteverzekering voor landarbeiders in te voeren op voorwaarden welke tenminste gelijkwaardig zijn aan die welke neergelegd zijn in dit Verdrag.
Artikel 2
De verplichte ziekteverzekering is van toepassing op arbeiders, bedienden en leerlingen werkzaam in landbouwondernemingen.
Ieder Lid kan nochtans in zijn nationale wetten die uitzonderingen maken die het noodzakelijk acht met betrekking tot:
- (a). tijdelijke werkzaamheden welke niet langer duren dan een door de nationale wet te bepalen tijd; niet geregeld voorkomende werkzaamheden welke geen verband houden met het beroep of de onderneming van de werkgever; gelegenheidswerkzaamheden en bijkomstige werkzaamheden;
- (b). arbeiders van wie het loon of de inkomsten een door de nationale wet vast te stellen grens te boven gaan;
- (c). arbeiders die geen loon in geld ontvangen;
- (d). thuiswerkers van wie de arbeidsvoorwaarden niet gelijkgesteld kunnen worden met die van loonarbeiders;
- (e). arbeiders beneden of boven een door de nationale wet te bepalen leeftijdsgrens;
- (f). gezinsleden van de werkgever.
Bovendien kunnen van de verplichte ziekteverzekering uitgezonderd worden zij die in geval van ziekte, krachtens enigerlei wet of reglement of krachtens een bijzondere verordening, recht hebben op voordelen, over het geheel tenminste gelijkwaardig aan die welke dit Verdrag kent.
Artikel 3
De verzekerde die ten gevolge van zijn lichamelijk of geestelijk abnormale gezondheidstoestand ongeschikt tot werken is, heeft recht op ziekengeld, tenminste gedurende de eerste zes en twintig weken der ongesteldheid, te rekenen van de eerste dag waarover ziekengeld wordt uitgekeerd.
Als voorwaarde voor de toekenning van het ziekengeld kan gesteld worden het gedurende een bepaalde tijd verzekerd geweest zijn en de vervulling van een wachttijd van ten hoogste drie dagen.
Het ziekengeld kan ingehouden worden:
- (a). ingeval de verzekerde reeds, ter zake van dezelfde ziekte, uit anderen hoofde een uitkering waarop hij krachtens de wet recht heeft, ontvangt; het ziekengeld wordt geheel of gedeeltelijk ingehouden, al naar gelang laatstbedoelde uitkering gelijkwaardig is of minder bedraagt dan het ziekengeld in dit artikel bedoeld;
- (b). zolang de verzekerde ten gevolge van zijn ongeschiktheid tot werken zijn normale loon niet derft of wanneer hij onderhouden wordt op kosten van de verzekering of van openbare fondsen; het ziekengeld zal echter slechts gedeeltelijk ingehouden worden, wanneer de verzekerde die aldus persoonlijk onderhouden wordt, een gezin moet onderhouden;
- (c). zolang de verzekerde, zonder deugdelijke grond, weigert, de voorschriften van de geneeskundige op te volgen, alsook de voorschriften met betrekking tot het gedrag van verzekerden ingeval van ziekte, of zich zonder machtiging en vrijwillig onttrekt aan het toezicht van de verzekeringsinstelling.
Het ziekengeld kan verminderd of geweigerd worden ingeval de ziekte het gevolg is van opzet van de verzekerde.
Artikel 4
De verzekerde heeft recht op kosteloze behandeling door een behoorlijk bevoegd geneeskundige vanaf het begin van de ziekte en tenminste tot aan het einde van het tijdvak gedurende hetwelk hij recht op ziekengeld heeft, en op het verstrekken van geneesmiddelen en therapeutische middelen van behoorlijke hoedanigheid en in voldoende hoeveelheid.
Evenwel kan van de verzekerde een bijdrage in de kosten van de geneeskundige behandeling gevorderd worden onder bij de nationale wet te bepalen voorwaarden.
De geneeskundige behandeling kan geschorst worden, zolang de verzekerde zonder deugdelijke grond weigert zich te gedragen naar de medische voorschriften en naar de voorschriften met betrekking tot het gedrag van verzekerden ingeval van ziekte, of nalaat gebruik te maken van de geneeskundige verzorging welke vanwege de verzekeringsinstelling tot zijn beschikking staat.
Artikel 5
De nationale wet kan toestaan of voorschrijven, dat de geneeskundige verzorging ook verleend wordt aan de gezinsleden van de verzekerde die in zijn huis wonen en te zijnen laste zijn; zij bepaalt de voorwaarden waarop die verzorging kan worden toegekend.
Artikel 6
De ziekteverzekering moet worden uitgevoerd door autonome instellingen onder administratief en financieel toezicht van de bevoegde openbare macht; deze instellingen mogen geen winst beogen. Verzekeringsinstellingen door het particulier initiatief opgericht, hebben een bijzondere erkenning van de bevoegde openbare macht nodig.
De verzekerden moeten deelnemen aan het bestuur van de autonome verzekeringsinstellingen volgens bij de nationale wet te stellen regels.
De uitvoering der ziekteverzekering kan echter rechtstreeks door de Staat geschieden, wanneer en zolang de uitvoering door autonome instellingen moeilijk of onmogelijk is of niet geëigend is ten gevolge van nationale omstandigheden en in het bijzonder van de onvoldoende ontwikkeling van vakorganisaties van werkgevers en arbeiders.
Artikel 7
De verzekerden en hun werkgevers moeten bijdragen in de kosten van de ziekteverzekering.
De nationale wet kan bepalen, dat de bevoegde openbare macht in die kosten zal bijdragen.
Artikel 8
Aan de verzekerde moet een recht van beroep toegekend worden ingeval zijn recht op vergoeding wordt betwist.
Artikel 9
De Staten waarvan het grondgebied uitgestrekte, zeer dun bevolkte streken omvat, behoeven de bepalingen van dit Verdrag niet toe te passen in die gedeelten van hun gebied waar ten gevolge van het dun bevolkt zijn en van het verspreid wonen van de bevolking en van de ontoereikendheid van de verkeersmiddelen, de uitvoering van de ziekteverzekering, overeenkomstig dit Verdrag, onmogelijk is.
De Staten die zich beroepen willen op de uitzondering in dit artikel vervat, dienen van hun voornemen kennis te geven bij de mededeling van de officiële bekrachtiging aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau. Zij moeten aan het Internationaal Arbeidsbureau de gedeelten van hun gebied opgeven, waarop zij de uitzondering van toepassing willen doen zijn onder opgave van de redenen van hun beslissing.
In Europa kan de uitzondering in dit artikel bedoeld, slechts ingeroepen worden door Finland.
Artikel 10
De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag zullen, overeenkomstig het bepaalde in het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie, ter kennis worden gebracht van de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem worden geregistreerd.
Artikel 11
Dit Verdrag zal negentig dagen nadat twee Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie hun bekrachtiging hebben doen registreren door de Directeur-Generaal, in werking treden.
Het zal slechts verbindend zijn voor de Leden waarvan de bekrachtiging bij het Internationaal Arbeidsbureau is geregistreerd.
Vervolgens zal het Verdrag voor ieder Lid in werking treden negentig dagen na het tijdstip waarop zijn bekrachtiging is geregistreerd bij het Internationaal Arbeidsbureau.
Artikel 12
Zodra de bekrachtigingen van twee Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie bij het Internationaal Arbeidsbureau zijn geregistreerd, zal de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau van dit feit mededeling doen aan alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie. Hij zal hen eveneens in kennis stellen van de registratie van de bekrachtigingen die hem later door andere Leden van de Organisatie zullen worden medegedeeld.
Artikel 13
Behoudens de bepalingen van artikel 11, verbindt ieder Lid dat dit Verdrag bekrachtigt zich om de bepalingen van de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 uiterlijk 1 januari 1929 in toepassing te brengen en om de nodige maatregelen te nemen die noodzakelijk zullen zijn om deze bepalingen doeltreffend te maken.
Artikel 14
Ieder Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie, dat dit Verdrag bekrachtigt, verbindt zich om het toe te passen ten aanzien van zijn koloniën, bezittingen en protectoraten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie.
Artikel 15
Een Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd kan het opzeggen na verloop van een tijdvak van tien jaar na de datum waarop het Verdrag in werking is getreden, door middel van een verklaring toegezonden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door deze geregistreerd. De opzegging zal eerst een jaar nadat zij is geregistreerd bij het Internationaal Arbeidsbureau, van kracht worden.
Artikel 16
Telkens wanneer de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau zulks nodig acht legt deze een verslag inzake de toepassing van dit Verdrag voor aan de Algemene Conferentie, en gaat na of het wenselijk is de kwestie van de gehele of gedeeltelijke herziening van het Verdrag op de agenda van de Conferentie te plaatsen.
Artikel 17
De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.