Verdrag betreffende plaatsing van zeelieden

Type Verdrag
Publication 1964-11-13
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Algemene Conferentie van de Internationale Organisatie van de Arbeid,

bijeengeroepen te Genua door de Raad van Beheer van het Internationaal Bureau van Arbeid, de 15 Juni 1920,

besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende: toezicht op de monsteringsvoorwaarden van zeelieden; plaatsing; toepassing op zeelieden van het Verdrag en de Aanbevelingen, aangenomen te Washington in November van het vorige jaar, inzake werkloosheid en verzekering tegen werkloosheid, welk vraagstuk het tweede punt uitmaakt van de agenda van de te Genua gehouden zitting der Conferentie, en

besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een Internationaal Verdrag,

neemt het volgende Verdrag aan, dat genoemd zal worden Verdrag betreffende plaatsing van zeelieden, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Organisatie van de Arbeid, in overeenstemming met de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag worden onder „zeelieden” verstaan alle personen als lid der equipage werkzaam aan boord van schepen, die de zee bevaren, met uitzondering van de officieren.

Artikel 2
1.

De Arbeidsbemiddeling voor zeelieden mag door geen persoon, vennootschap of instelling als bedrijf uitgeoefend worden met het doel winst te maken. Terzake van arbeidsbemiddeling zal geen zeeman, van welk schip ook, ooit betaling verschuldigd zijn, direct noch indirect, aan enige persoon, vennootschap of instelling.

2.

In ieder land zal overtreding van de bepalingen van dit artikel bij de wet strafbaar gesteld worden.

Artikel 3
1.

In afwijking van het bepaalde in art. 2 mag een persoon, vennootschap of instelling, die tot dusverre de arbeidsbemiddeling als bedrijf met het doel winst te maken heeft uitgeoefend, met vergunning der Regering tijdelijk dit bedrijf voortzetten, onder voorwaarde dat op zijn of haar handelingen toezicht wordt uitgeoefend door de Regering ter bescherming van de rechten van alle belanghebbende partijen.

2.

Ieder Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, verbindt zich om alle maatregelen te nemen, nodig om zo spoedig mogelijk te komen tot afschaffing van het bedrijf van arbeidsbemiddeling voor zeelieden met het doel winst te maken.

Artikel 4
1.

Ieder Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, zal zorg dragen, dat een doelmatig werkend stelsel van kosteloze arbeidsbeurzen voor zeelieden wordt georganiseerd en in stand gehouden:

2.

De werkzaamheden dezer arbeidsbeurzen zullen geleid worden door bevaren personen.

Wanneer arbeidsbeurzen van verschillende soort naast elkander bestaan, moeten maatregelen genomen worden om hun werkzaamheden in een nationaal geordend stelsel met elkander in overeenstemming te brengen.

Artikel 5

Er zullen commissies worden samengesteld, bestaande uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van reders en van zeelieden, die gehoord moeten worden in alle zaken de werking dezer beurzen betreffende.

Overigens wordt aan de Regering van ieder land overgelaten om de bevoegdheden dezer commissies vast te stellen, in het bijzonder wat betreft de keuze van een voorzitter buiten de leden, hare onderwerping aan Staatstoezicht en de bevoegdheid om zich te doen bijstaan door personen, die zich wijden aan het welzijn der zeelieden.

Artikel 6

Zolang de poging tot plaatsing duurt, behoudt de zeeman het recht om zijn schip en de reder om zijn bemanning te kiezen.

Artikel 7

De monsterrol moet alle waarborgen bevatten voor de bescherming van alle belanghebbende partijen en de zeeman moet alle gelegenheid gelaten worden om van die monsterrol vóór en na de ondertekening kennis te nemen.

Artikel 8

Ieder Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, moet maatregelen nemen, dat de in dit Verdrag voorziene middelen tot het vergemakkelijken van de plaatsing van zeelieden ter beschikking komen, zo nodig door middel van openbare arbeidsbeurzen, van de zeelieden van alle landen, die dit Verdrag bekrachtigd hebben, mits de arbeidsvoorwaarden in die landen nagenoeg dezelfde zijn.

Artikel 9

Aan ieder land wordt overgelaten te beslissen of het al of niet soortgelijke regelingen, als in dit Verdrag neergelegd, zal aanvaarden met betrekking tot stuurlieden en machinisten.

Artikel 10

Ieder Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, zal aan het Internationaal Bureau van Arbeid alle gegevens, statistische of andere, verstrekken, waarover het beschikt, betreffende de werkloosheid der zeelieden en de werking van zijn arbeidsbeurzen voor zeelieden.

Het Internationaal Bureau van Arbeid zal, in overleg met de Regeringen en de organisaties der belanghebbenden in elk land, de overeenstemming verzekeren tussen de verschillende nationale stelsels van arbeidsbemiddeling voor zeelieden.

Artikel 11
1.

Ieder Lid van de Internationale Organisatie van de Arbeid, dat dit Verdrag bekrachtigt, verbindt zich om het toe te passen ten aanzien van zijn koloniën, bezittingen of protectoraten, voor zover die geen volkomen zelfbestuur hebben, onder het volgend voorbehoud:

2.

Ieder Lid zal aan het Internationaal Bureau van Arbeid mededeling doen van zijn beslissing ten opzichte van elke zijner koloniën, bezittingen of protectoraten, die geen volkomen zelfbestuur hebben.

Artikel 12

De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag, onder de voorwaarden neergelegd in het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie, zullen worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem worden ingeschreven.

Artikel 13

Zodra de bekrachtingen van twee Leden van de Internationale Organisatie van de Arbeid door het Internationaal Arbeidsbureau zijn ingeschreven, zal de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau van dit feit mededeling doen aan alle Leden van de Internationale Organisatie van de Arbeid.

Artikel 14

Dit Verdrag zal van kracht worden op de datum, waarop deze kennisgeving door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zal zijn gedaan; het zal slechts verbindend zijn voor de Leden, die hunne bekrachtiging door het Internationaal Arbeidsbureau hebben doen inschrijven. Vervolgens zal dit Verdrag voor ieder ander Lid van kracht worden op de datum, waarop de bekrachtiging van dat Lid door het Internationaal Arbeidsbureau zal zijn ingeschreven.

Artikel 15

Onder voorbehoud van het in artikel 14 bepaalde verbindt zich ieder Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, om de bepalingen daarvan in toepassing te brengen uiterlijk op 1 Juli 1922 en om zodanige maatregelen te treffen als nodig zullen zijn om deze bepalingen rechtskracht te verschaffen.

Artikel 16

Ieder Lid, dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na verloop van een termijn van vijf jaren na de datum, waarop dit Verdrag begint van kracht te worden, zulks bij verklaring, toegezonden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door deze ingeschreven. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar nadat zij door het Internationaal Arbeidsbureau is ingeschreven.

Artikel 17

Telkens wanneer de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau zulks nodig acht legt deze een verslag inzake de toepassing van dit Verdrag voor aan de Algemene Conferentie, en gaat na of het wenselijk is de kwestie van de gehele of gedeeltelijke herziening van het Verdrag op de agenda van de Conferentie te plaatsen.

Artikel 18

Zowel de Franse als de Engelse tekst van dit Verdrag is authentiek.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.