Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften in het bouwbedrijf

Type Verdrag
Publication 1964-11-13
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldus bijeengekomen op 3 Juni 1937 in haar drie en twintigste zitting;

overwegende, dat het bouwbedrijf gevaar oplevert voor ernstige ongevallen en dat het tegengaan van dit gevaar noodzakelijk is, zowel op humanitaire als op economische gronden;

besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende veiligheidsvoorschriften voor arbeiders in het bouwbedrijf, voor zoveel betreft steigers en hefwerktuigen, welk onderwerp het eerste punt van de agenda der zitting is;

overwegende, dat met het oog op de wenselijkheid om de minimum veiligheidsvoorschriften uniform te maken, zonder evenwel verplichtingen op te leggen, welke te strak zijn om algemeen toegepast te worden, de meest geschikte vorm aan die voorstellen te geven, die is van een internationaal verdrag, vergezeld van een aanbeveling, inhoudende een model-veiligheidsreglement;

neemt heden, de 23ste Juni 1937 het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften (bouwbedrijf) 1937”.

DEEL I. Verplichtingen van de Partijen bij het Verdrag

Artikel 1
1.

Elk Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie, dat dit Verdrag bekrachtigt, verbindt zich een wetgeving in stand te houden

2.

Elk der leden verbindt zich bovendien, om de drie jaren aan het Internationaal Arbeidsbureau een verslag te doen toekomen, aangevende in welke mate uitvoering gegeven is aan de bepalingen van het model-reglement, gevoegd bij de aanbeveling betreffende de veiligheidsvoorschriften (bouwbedrijf) 1937, of aan enig herzien model-reglement, hetwelk later door de Internationale Arbeidsconferentie aanbevolen mocht worden.

Artikel 2
1.

De wetgeving, welke de toepassing van de algemene bepalingen, welke het onderwerp uitmaken van Deel II tot IV van dit Verdrag, verzekert, moet worden toegepast op alle werkzaamheden op het bouwterrein verricht in zake het bouwen, herstellen, veranderen, onderhouden en afbreken van enig gebouw.

2.

De genoemde wetgeving kan bepalen, dat de bevoegde autoriteit gemachtigd is om, na raadpleging van de betrokken werkgevers- en arbeidersorganisaties, zo die er zijn, afwijkingen toe te staan van alle of bepaalde gedeelten van de voorschriften, voorzover die betrekking hebben op werkzaamheden van zodanige aard, dat in de regel redelijkerwijs veilige omstandigheden aanwezig zijn.

Artikel 3

De wetgeving, welke de toepassing van de algemene bepalingen, welke het onderwerp uitmaken van Deel II tot IV van dit Verdrag, verzekert en de voorschriften, door de daartoe geëigende autoriteit vastgesteld, om uitvoering te geven aan het model-reglement, gevoegd bij de aanbeveling betreffende de veiligheidsvoorschriften (bouwbedrijf) 1937

Artikel 4

Elk Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, verplicht zich om een stelsel van inspectie, hetwelk een daadwerkelijke toepassing van de wetgeving betreffende de veiligheidsvoorschriften in het bouwbedrijf waarborgt, te hebben of er zich van te overtuigen, dat een zodanig stelsel bestaat.

Artikel 5
1.

Wanneer het grondgebied van een Lid uitgestrekte streken bevat, waar tengevolge van de geringe bevolkingsdichtheid of de staat van de economische ontwikkeling de bevoegde autoriteit het ondoenlijk acht, om de bepalingen van dit Verdrag toe te passen, kan de bevoegde autoriteit die streken van de toepassing van het Verdrag vrijstellen, hetzij volledig, hetzij met zodanige uitzonderingen, als zij ten aanzien van bepaalde plaatsen of bepaalde soorten van gebouwen wenselijk acht.

2.

Elk lid doet in het eerste jaarrapport over de toepassing van dit Verdrag, krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie in te dienen, opgave van elke streek, waarvoor het zich voorstelt een beroep te doen op de bepalingen van dit artikel. Daarna kan geen Lid op de bepalingen van dit artikel een beroep doen behalve voor de streken, welke het aldus zal hebben opgegeven.

3.

Elk Lid, dat op de bepalingen van dit artikel een beroep doet, doet in de volgende jaarrapporten opgave van de streken, waarvoor het afstand doet van het recht om van de bepalingen van dit artikel gebruik te maken.

Artikel 6

Elk Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, verbindt zich om elk jaar aan het Internationaal Arbeidsbureau de nieuwste statistische gegevens te verstrekken over het aantal en de indeling der ongevallen overkomen aan personen, die werkzaamheden verrichten, als bedoeld bij dit Verdrag.

DEEL II. Algemene bepalingen betreffende steigers

Artikel 7
1.

Doelmatige steigers moeten ter beschikking van de arbeiders gesteld worden voor alle werkzaamheden, welke niet zonder gevaar met een ladder of met andere middelen verricht kunnen worden.

2.

Steigers mogen slechts worden opgebouwd, afgebroken of belangrijke veranderingen ondergaan:

3.

Alle steigers, alle hulpmiddelen, die ertoe behoren en alle ladders moeten:

4.

De steigers moeten zodanig gebouwd zijn, dat bij normaal gebruik het verplaatsen van enig onderdeel wordt voorkomen.

5.

De steigers mogen niet overbelast worden, en de lasten moeten zo gelijkmatig mogelijk verdeeld worden.

6.

Voordat hefwerktuigen op steigers geplaatst worden, moeten bijzondere voorzorgen genomen worden, om de sterkte en de stabiliteit van deze steigers te verzekeren.

7.

De steigers moeten geregeld door een bevoegd persoon nagezien worden.

8.

De werkgever moet, voordat hij toestemming verleent om een steiger, al dan niet door zijn werklieden gebouwd, door zijn werklieden te doen gebruiken, er zich van overtuigen, dat deze steiger geheel voldoet aan de eisen van dit artikel.

Artikel 8
1.

De vloeren, bordessen, gangen en trappen moeten:

2.

In het geval dat vloeren, bordessen, gangen, arbeidsplaatsen en trappen op een hoogte gelegen zijn, welke een bepaalde grens, door de nationale wetgeving vast te stellen, te boven gaat:

Artikel 9
1.

Elke opening, aangebracht in de vloer van een gebouw of in een steigervloer of een bordes moet voorzien zijn van doeltreffende inrichtingen om het vallen van personen of voorwerpen te verhinderen, behalve op de ogenblikken en in de mate nodig om toegang aan personen te verlenen of materialen te vervoeren of te verplaatsen.

2.

Wanneer personen tewerkgesteld moeten worden op een dak, dat gevaar oplevert voor het vallen van personen of materialen van een hoogte groter dan die vast te stellen door de nationale wetgeving, moeten doeltreffende maatregelen genomen worden om het vallen van die personen of die materialen te voorkomen.

3.

Doeltreffende maatregelen moeten genomen worden om te voorkomen, dat personen getroffen worden door voorwerpen welke van steigers of andere arbeidsplaatsen zouden kunnen vallen.

Artikel 10
1.

Veilige toegangsmiddelen moeten beschikbaar zijn naar alle vloeren, bordessen en alle andere arbeidsplaatsen.

2.

Elke ladder moet stevig bevestigd zijn en van een voldoende lengte, om in alle standen, waarin zij gebruikt wordt, een stevige steun voor handen en voeten te bieden.

3.

Elke plaats waar bouwarbeid verricht wordt en de toegangsmiddelen daartoe, moeten behoorlijk verlicht zijn.

4.

Doelmatige voorzorgen moeten worden genomen, om gevaren van electrische installaties te voorkomen.

5.

De materialen, welke zich op het bouwterrein bevinden, mogen niet zodanig opgestapeld of geplaatst zijn, dat zij voor iemand gevaar kunnen opleveren.

DEEL III. Algemene bepalingen betreffende hefwerktuigen

Artikel 11
1.

Hefwerktuigen en takels, daaronder begrepen inrichtingen voor het vastmaken, verankeren en ondersteunen, moeten:

2.

Elke kabel, gebruikt voor het ophijsen of neerlaten van materialen of voor het dragen van een last, moet van goede hoedanigheid zijn, voldoende weerstand hebben en geen duidelijke gebreken vertonen.

Artikel 12
1.

Hefwerktuigen en takels moeten na de opstelling op het bouwterrein en voor het gebruik onderzocht en doelmatig beproefd worden en geregeld met tussenpozen, door de nationale wetgeving vast te stellen, onderzocht worden ter plaatse, waar zij in gebruik zijn.

2.

Elke ketting, ring, haak, sluiting, wartel en hijsblok, in gebruik voor het ophijsen of het neerlaten van materialen of voor het dragen van een last, moet geregeld onderzocht worden.

Artikel 13
1.

Ieder, die een kraan of een ander hefwerktuig bedient, moet daartoe behoorlijk bevoegd zijn.

2.

Een persoon, die de leeftijd, vastgesteld door de nationale wetgeving, niet bereikt heeft, mag geen werkzaamheden verrichten, bestaande in het bedienen van hefwerktuigen, daaronder begrepen steigerlieren, of het geven van signalen aan degene, die dit werktuig bedient.

Artikel 14
1.

Ten aanzien van elk hefwerktuig, ketting, ring, haak, sluiting, wartel of hijsblok, gebruikt voor het hijsen of neerlaten van materialen of als middel voor het dragen van een last, moet de grootste veilig toelaatbare belasting op doelmatige wijze vastgesteld worden.

2.

Op elk hefwerktuig en elk onderdeel, genoemd in het vorig lid, moet de grootste veilig toelaatbare belasting zichtbaar aangegeven zijn.

3.

Voor zoveel het een hefmachine betreft, waarvan de grootste veilig toelaatbare belasting veranderlijk is, moet elke grootste veilig toelaatbare belasting en de omstandigheden, waaronder die toegelaten is, duidelijk aangebracht zijn.

4.

Geen deel van een hefwerktuig of van een der onderdelen, genoemd in lid 1 van dit artikel, mag zwaarder belast worden dan de grootste veilig toelaatbare belasting, behalve ten behoeve van proefnemingen.

Artikel 15
1.

Motoren, tandraderen, drijfwerken, electrische geleidingen en andere gevaarlijke delen van hefwerktuigen, moeten van doeltreffende beveiligingsmiddelen voorzien zijn.

2.

De hefwerktuigen moeten van zodanige middelen voorzien zijn, dat het gevaar, dat een last onverhoeds valt, tot een minimum wordt teruggebracht.

3.

Doelmatige voorzorgen moeten worden genomen om het gevaar van het onverhoeds zich verplaatsen van enig deel van de hangende last tot een minimum te beperken.

DEEL IV. Algemene bepalingen betreffende de veiligheidsuitrusting en eerste hulpverlening

Artikel 16
1.

Alle uitrustingsstukken voor de persoonlijke beveiliging moeten ter beschikking staan van het personeel, dat op het bouwterrein werkzaam is gesteld en steeds voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

2.

De arbeiders zijn verplicht, de aldus te hunner beschikking gestelde uitrustingsstukken te gebruiken en de werkgevers moeten ervoor waken, dat die uitrustingsstukken op juiste wijze door de betrokkenen worden gebruikt.

Artikel 17

Wanneer werkzaamheden in de nabijheid van een plaats uitgevoerd worden, waar gevaar van verdrinken bestaat, moeten de nodige hulpmiddelen aanwezig en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn, en moeten alle nodige maatregelen worden genomen voor de snelle redding van een in gevaar verkerende persoon.

Artikel 18

Doeltreffende maatregelen moeten worden genomen, om aan personen, die tijdens de arbeid gewond zijn, eerste hulp te verlenen.

DEEL V. Slotbepalingen

Artikel 19

De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag zullen worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem worden geregistreerd.

Artikel 20
1.

Dit Verdrag zal slechts bindend zijn voor de Leden der Internationale Arbeidsorganisatie, die hun bekrachtigingen door de Directeur-Generaal hebben doen registreren.

2.

Het zal van kracht worden twaalf maanden nadat de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-Generaal zullen zijn geregistreerd.

3.

Vervolgens zal dit Verdrag voor ieder der Leden in werking treden twaalf maanden na de datum, waarop zijn bekrachtiging zal zijn geregistreerd.

Artikel 21

Zodra de bekrachtigingen van twee Leden der Internationale Arbeidsorganisatie zijn geregistreerd, zal de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau van dit feit mededeling doen aan alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie. Hij zal hen eveneens in kennis stellen met de registratie van de bekrachtigingen, welke hem later door andere Leden der Organisatie zullen worden medegedeeld.

Artikel 22
1.

Ieder Lid, dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na verloop van een termijn van tien jaren na de datum, waarop dit Verdrag van kracht is geworden, zulks bij een verklaring toegezonden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door deze te registreren. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar nadat zij is geregistreerd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.