← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag tot vaststelling van de minimumleeftijd van toelating van kinderen tot arbeid op zee (herzien)

Geldende tekst a fecha 1970-01-02

De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 22 October 1936 in hare twee en twintigste zitting;

besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de gedeeltelijke herziening van het verdrag tot vaststelling van den minimum leeftijd van toelating van kinderen tot arbeid op zee, aangenomen door de Conferentie in hare tweede zitting, welk onderwerp op de agenda van de huidige zitting geplaatst is;

overwegende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag;

neemt heden den 24sten October 1936 het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „(herzien) verdrag betreffende den minimum leeftijd (arbeid op zee) 1936”:

De wijziging is in werking getreden op 15 januari 1948 (Trb. 1957/181).

Artikel 1

Voor de toepassing van dit verdrag worden onder „schepen” verstaan alle vaartuigen, van welke soort ook, toebehoorende aan de overheid dan wel aan bijzondere personen, in gebruik voor de zeevaart, met uitzondering van oorlogsschepen.

Artikel 2
1.

Kinderen beneden 15 jaar mogen niet gebruikt worden voor arbeid aan boord van schepen, tenzij daarop uitsluitend leden van één gezin werkzaam zijn.

2.

De nationale wetgeving kan echter toestaan, dat certificaten worden afgegeven, welke toestaan dat kinderen, die ten minste 14 jaar oud zijn, gebruikt worden in de gevallen, dat een schoolautoriteit of een andere geëigende autoriteit, daartoe aangewezen door de nationale wetgeving, er zich van vergewist heeft, na behoorlijk gelet te hebben op den lichamelijken toestand van het kind en zoowel op de toekomstige voordeelen als op het onmiddellijk voordeel, dat de bedoelde arbeid voor het kind kan meebrengen, dat die arbeid in het belang van het kind is.

Artikel 3

Het in artikel 2 bepaalde is niet van toepassing op arbeid van kinderen aan boord van opleidingsschepen, mits die arbeid wordt verricht met goedkeuring en onder toezicht van de overheid.

Artikel 4

Ter bevordering van het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit verdrag is ieder gezagvoerder verplicht een arbeidsregister of bemanningsrol bij te houden, waarop de namen en geboortedata vermeld zijn van alle aan boord werkzame personen beneden 16 jaar.

Artikel 5

Dit verdrag zal eerst in werking treden, nadat door de Internationale Conferentie van den Arbeid aangenomen is een verdrag houdende herziening van het verdrag tot vaststelling van den minimum leeftijd van toelating van kinderen tot het verrichten van arbeid in nijverheidsondernemingen (1919) en van een verdrag houdende herziening van het verdrag betreffende den leeftijd van toelating van kinderen tot het verrichten van niet industrieele werkzaamheden (1932).

Artikel 6

De officieele bekrachtigingen van dit verdrag zullen worden medegedeeld aan den Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem worden ingeschreven.

Artikel 7
1.

Dit verdrag zal slechts verbindend zijn voor de Leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, die hunne bekrachtigingen door den Directeur-Generaal hebben doen inschrijven.

2.

Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 5 hierboven genoemd zal het van kracht worden twaalf maanden, nadat de bekrachtigingen van twee Leden door den Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zullen zijn ingeschreven.

3.

Vervolgens zal dit verdrag voor ieder der andere Leden in werking treden twaalf maanden na den datum, waarop de bekrachtiging van dat Lid door het Internationaal Arbeidsbureau zal zijn ingeschreven.

Artikel 8

Zoodra de bekrachtigingen van twee Leden der Internationale Organisatie van den Arbeid door het Internationaal Arbeidsbureau zijn ingeschreven, zal de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau van dit feit mededeeling doen aan alle Leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid. Hij zal hen eveneens in kennis stellen met de inschrijvingen van de bekrachtigingen, die hem later door andere Leden der Organisatie zullen worden medegedeeld.

Artikel 9
1.

Ieder Lid, dat dit verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na verloop van een termijn van tien jaren na den datum, waarop dit verdrag van kracht begint te worden, zulks bij een verklaring, toegezonden aan den Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door dezen in te schrijven. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar, nadat zij door het Internationaal Arbeidsbureau is ingeschreven.

2.

Ieder Lid, dat dit verdrag heeft bekrachtigd, dat binnen den termijn van een jaar na verloop van den termijn van tien jaren, bedoeld in het vorig lid, geen gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging voorzien in dit artikel, zal voor een nieuwen termijn van tien jaren gebonden zijn en zal in het vervolg dit verdrag kunnen opzeggen, na verloop van elken termijn van tien jaren onder de voorwaarde bedoeld in dit artikel.

Artikel 10

Telkens wanneer de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau zulks nodig acht legt deze een verslag inzake de toepassing van dit Verdrag voor aan de Algemene Conferentie, en gaat na of het wenselijk is de kwestie van de gehele of gedeeltelijke herziening van het Verdrag op de agenda van de Conferentie te plaatsen.

Artikel 11
1.

Indien de Internationale Arbeidsconferentie een nieuw verdrag aanneemt, houdende geheele of gedeeltelijke herziening van dit verdrag, zal, tenzij het nieuwe verdrag anders bepaalt:

2.

Het onderhavige verdrag zal echter van kracht blijven naar vorm en inhoud voor die Leden, die het bekrachtigd hebben en die het nieuwe verdrag, houdende herziening, niet bekrachtigen.

Artikel 12

Zoowel de Fransche als de Engelsche tekst van dit verdrag is authentiek.