Verdrag ter bestrijding van de valse munterij
[Zie de Engelse tekst voor de lijst van Staatshoofden]
Verlangend de voorkoming en de bestraffing van de valsche munterij meer en meer doeltreffend te maken, hebben als hun Gevolmachtigden aangewezen:
[Zie de Engelse tekst voor de lijst van Gevolmachtigden]
Die, na hun volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm bevonden zijn, te hebben overgelegd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:
Deel I
Artikel 1
De Hooge Verdragsluitende Partijen erkennen de in Deel I van dit Verdrag vervatte regels als het in de tegenwoordige omstandigheden meest doeltreffende middel om delicten van valsche munterij te voorkomen en te bestraffen.
Artikel 2
In dit Verdrag wordt onder het woord „munt” verstaan papiergeld, waaronder begrepen bankbiljetten, en metalen geld, welke wettig betaalmiddel zijn.
Artikel 3
Als gemeenrechtelijke delicten moeten worden bestraft:
- 1°. Iedere bedriegelijke vervaardiging of verandering van munt, welk middel ook gebezigd moge zijn om het resultaat te verkrijgen;
- 2°. Het bedriegelijk in omloop brengen van valsche munt;
- 3°. Het binnen het land invoeren of het ontvangen of zich verschaffen van valsche munt, waarvan men weet, dat zij valsch is, ten einde deze in omloop te brengen;
- 4°. Poging tot en opzettelijke deelneming aan de voormelde handelingen;
- 5°. Het bedriegelijk vervaardigen, ontvangen of zich verschaffen van werktuigen of andere voorwerpen, welke naar hun aard bestemd zijn voor de vervaardiging van valsche munt of voor de verandering van munt.
Artikel 4
Ieder der in artikel 3 genoemde handelingen moet, indien zij in verschillende landen begaan zijn, als een afzonderlijk strafbaar feit worden beschouwd.
Artikel 5
Ten opzichte van de straffen mag geen onderscheid worden gemaakt ter zake van de in artikel 3 bedoelde delicten naarmate het betreft nationale munt of vreemde munt; dit voorschrift kan niet aan eenigerlei voorwaarde van wederkeerigheid krachtens wet of verdrag worden onderworpen.
Artikel 6
Landen, die het beginsel van internationale recidive aanvaarden, erkennen, dat overeenkomstig de door hun nationale wetgeving voorgeschreven voorwaarden de voor een der in artikel 3 bedoelde feiten in het buitenland uitgesproken veroordeelingen tot toepassing der bepalingen omtrent recidive zullen leiden.
Artikel 7
Voor zoover het stellen van civiele partij door de binnenlandsche wetgeving toegelaten is, moeten buitenlandsche civiele partijen, waaronder eventueel begrepen de Hooge Verdragsluitende Partij, welker munt vervalscht is, bevoegd zijn alle rechten uit te oefenen, welke aan ingezetenen zijn toegestaan volgens de wetten van het land, waar de zaak berecht wordt.
Artikel 8
In landen, die het beginsel van uitlevering van eigen onderdanen niet aanvaarden, moeten de onderdanen, die naar het gebied van hun land teruggekeerd zijn na zich in het buitenland aan een in artikel 3 bedoeld feit schuldig te hebben gemaakt, op dezelfde wijze gestraft worden alsof het feit op het eigen gebied gepleegd ware, zelfs in geval de schuldige zijn nationaliteit na het plegen van het strafbare feit verkregen zou hebben.
Deze bepaling is niet van toepassing, indien in een overeenkomstig geval de uitlevering van een vreemdeling niet zou kunnen worden toegestaan.
Artikel 9
Vreemdelingen, die in het buitenland een in artikel 3 bedoeld feit hebben begaan en die zich binnen het gebied van een land bevinden, welks binnenlandsche wetgeving als algemeenen regel het beginsel van vervolging van in het buitenland gepleegde strafbare feiten aanvaardt, moeten op dezelfde wijze worden gestraft alsof het feit op het gebied van dat land gepleegd ware.
De verplichting tot vervolging is afhankelijk van de voorwaarde, dat uitlevering gevraagd is en dat het land, waartoe de aanvraag gericht is, den beschuldigde niet kan uitleveren wegens een reden, welke geen verband met het feit houdt.
Artikel 10
De in artikel 3 bedoelde strafbare feiten zijn van rechtswege begrepen onder de gevallen, waarin uitlevering kan plaats hebben, in ieder tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen gesloten of te sluiten uitleveringsverdrag.
De Hooge Verdragsluitende Partijen, die uitlevering niet afhankelijk maken van het bestaan van een verdrag of van een voorwaarde van wederkeerigheid, erkennen van nu af de in artikel 3 bedoelde feiten als gevallen, waarin onderling uitlevering kan plaats hebben.
De uitlevering zal worden toegestaan overeenkomstig het recht van het land, waartoe de aanvraag gericht is.
Artikel 11
De valsche munt, alsmede de werktuigen en de andere voorwerpen, welke in artikel 3 onder 5°. bedoeld zijn, moeten worden in beslag genomen en verbeurd verklaard. Deze munt, werktuigen en andere voorwerpen, moeten na verbeurdverklaring op verzoek hetzij aan de Regeering hetzij aan de emissiebank, wier munt het betreft, worden overhandigd, met uitzondering van de stukken van overtuiging, waarvan de bewaring in de strafrechtelijke archieven door de wet van het land, waar de vervolging plaats heeft gehad, is voorgeschreven, en van de specimina, waarvan de opzending aan het in artikel 12 genoemde centrale bureau wenschelijk wordt geacht. In ieder geval moeten al deze voorwerpen buiten gebruik worden gesteld.
Artikel 12
In ieder land moeten de opsporingen op het gebied van valsche munterij binnen het kader van de nationale wetgeving door een centraal bureau worden georganiseerd.
Dit centrale bureau moet in nauwe verbinding staan:
- a). Met de instellingen, welke munt uitgeven;
- b). Met de binnenlandsche politie-autoriteiten;
- c). Met de centrale bureaux van andere landen.
Het moet in ieder land alle inlichtingen, welke de opsporing, voorkoming en bestraffing van valsche munterij kunnen vergemakkelijken, centraliseeren.
Artikel 13
De centrale bureaux der verschillende landen moeten rechtstreeks met elkander briefwisseling voeren.
Artikel 14
Ieder centraal bureau zal, voor zoover het zulks dienstig acht, aan de centrale bureaux der andere landen een stel onbruikbaar gemaakte authentieke specimina der munten van zijn land moeten toezenden.
Onder hetzelfde voorbehoud zal het geregeld met opgave van alle noodige bijzonderheden aan de centrale bureaux in het buitenland moeten kennis geven van:
- a). Nieuwe uitgiften van munt, welke in het eigen land plaats hadden;
- b). Het uit de circulatie nemen van munt, wegens verloop van tijd of om andere redenen.
Behalve in gevallen van louter plaatselijk belang zal ieder centraal bureau, voor zoover het zulks doelmatig acht, aan de centrale bureaux in het buitenland moeten kennis geven van:
- 1°. Iedere ontdekking van valsche munt. De kennisgeving van vervalsching van bankbiljetten of van muntbiljetten zal vergezeld gaan van een technische beschrijving van de vervalschingen, uitsluitend te verstrekken door de emissie-instelling, waarvan de biljetten vervalscht zijn. Een fotografische afbeelding of zoo mogelijk een exemplaar van het valsche biljet zal worden overgelegd. In spoedeischende gevallen zal een bericht en een korte beschrijving, afkomstig van de politie-autoriteiten, onder de noodige voorzorgen aan de belanghebbende centrale bureaux kunnen worden toegezonden, onverminderd de kennisgeving en de technische beschrijving, waarvan hierboven sprake was.
- 2°. Opsporingen en vervolgingen in gevallen van vervalsching en aanhoudingen, veroordeelingen en uitwijzigingen van valsche munters, alsmede eventueel hun verplaatsingen en alle verdere inlichtingen, welke van nut kunnen zijn, in het bijzonder de signalementen, vinger-afdrukken en fotografieën van valsche munters;
- 3°. Bijzonderheden omtrent de ontdekking van vervaardiging van valsche munt, met vermelding of het mogelijk geweest is alle in omloop gebrachte valsche munt in beslag te nemen.
Artikel 15
Ter verzekering, verbetering en ontwikkeling van de rechtstreeksche internationale samenwerking op het gebied van voorkoming en bestraffing van valsche munterij moeten de vertegenwoordigers van de centrale bureaux der Hooge Verdragsluitende Partijen van tijd tot tijd besprekingen houden, waaraan vertegenwoordigers van de emissiebanken en van de betrokken centrale autoriteiten deelnemen. De organisatie en het toezicht van een internationaal centraal inlichtingenbureau zal het onderwerp van een dezer conferenties kunnen uitmaken.
Artikel 16
De overmaking van rogatoire commissies met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde strafbare feiten moet geschieden:
- a). Bij voorkeur door rechtstreeksche toezending tusschen de rechterlijke autoriteiten, eventueel door tusschenkomst van de centrale bureaux;
- b). Door rechtstreeksche briefwisseling van de Ministers van Justitie der twee landen of door rechtstreeksche toezending door de autoriteit van het verzoekende land aan den Minister van Justitie van het aangezochte land;
- c). Door tusschenkomst van den diplomatieken of consulairen vertegenwoordiger van het verzoekende land in het aangezochte land; deze vertegenwoordiger zal de rogatoire commissie rechtstreeks toezenden aan de bevoegde rechterlijke autoriteit of aan de autoriteit, die door het aangezochte land aangewezen is, en zal rechtstreeks van deze autoriteit de stukken ontvangen, waaruit de uitvoering van de rogatoire commissie blijkt.
In de gevallen a) en c) zal steeds tegelijkertijd afschrift van de rogatoire commissie aan de hoogste juridische autoriteit van het aangezochte land worden gezonden.
Tenzij anders wordt overeengekomen, zal de rogatoire commissie moeten worden opgesteld in de taal van de verzoekende autoriteit, onverminderd het recht van het aangezochte land om steeds een vertaling in de eigen taal, voor eensluidend door de verzoekende autoriteit gewaarmerkt, te verlangen.
Iedere Hooge Verdragsluitende Partij zal door een mededeeling aan ieder der andere Hooge Verdragsluitende Partijen doen weten, welke der bovenbedoelde wijzen van overmaking zij voor de rogataire commissies van die Hooge Verdragsluitende Partij toelaat.
Totdat een Hooge Verdragsluitende Partij een zoodanige mededeeling zal hebben gedaan, zal de door haar thans gevolgde procedure ten aanzien van rogatoire commissies gehandhaafd blijven.
De uitvoering van rogatoire commissies zal geen aanleiding kunnen geven tot vergoeding van andere rechten en kosten dan de kosten van deskundigen-onderzoek.
Niets in dit artikel zal kunnen worden uitgelegd als een verbintenis van de zijde der Hooge Verdragsluitende Partijen om met betrekking tot de bewijsvoering in strafzaken een afwijking van haar wet te aanvaarden.
Artikel 17
De deelneming van een Hooge Verdragsluitende Partij aan dit Verdrag moet niet worden uitgelegd als inbreuk te maken op haar houding in de algemeene kwestie van de strafrechtelijke bevoegdheid als volkenrechtelijk vraagstuk.
Artikel 18
Dit Verdrag laat het beginsel onaangetast, dat de in artikel 3 bedoelde feiten in ieder land, zonder dat daaraan ooit straffeloosheid verzekerd zij, aangemerkt, vervolgd en bestraft moeten worden overeenkomstig de algemeene regels van de binnenlandsche wetgeving.
Deel II
Artikel 19
De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, dat alle geschillen, welke tusschen haar zouden kunnen rijzen ten aanzien van de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, indien zij niet door rechtstreeksche onderhandelingen geregeld kunnen worden, ter beslissing aan het Permanente Hof van Internationale Justitie zullen worden voorgelegd. Indien de Hooge Verdragsluitende Partijen, tusschen welke een geschil rijst, of één harer, geen partij zijn bij het den datum van 16 December 1920 dragende Protocol met betrekking tot het Permanente Hof van Internationale Justitie, zal dit geschil met haar goedvinden en overeenkomstig de constitutioneele regels van ieder harer worden verwezen hetzij naar het Permanente Hof van Internationale Justitie, hetzij naar een overeenkomstig het Verdrag van 18 October 1907 in zake de vreedzame beslechting van internationale geschillen samengesteld scheidsgerecht, hetzij naar eenig ander scheidsgerecht.
Artikel 20
Dit Verdrag, waarvan de Fransche en de Engelsche tekst beide als authentiek zullen gelden, zal de dagteekening dragen van heden; het zal tot 31 December 1929 kunnen worden geteekend namens ieder Lid van den Volkenbond en iederen Staat niet-Lid, die ter Conferentie, welke dit Verdrag opgesteld heeft, vertegenwoordigd is geweest of aan wien de Raad van den Volkenbond een exemplaar van dit Verdrag zal hebben doen toekomen.
Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden toegezonden aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst daarvan kennis zal geven aan alle Leden van den Volkenbond alsmede aan de in het vorige lid bedoelde Staten niet-Leden.
Artikel 21
Van 1 Januari 1930 af zal toetreding tot dit Verdrag kunnen geschieden namens ieder Lid van den Volkenbond of iederen in artikel 20 bedoelden Staat niet-Lid, door wien het niet zou zijn onderteekend.
De akten van toetreding zullen worden toegezonden aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst daarvan kennis zal geven aan alle Leden van den Bond en aan de in artikel 20 bedoelde Staten niet-Leden.
Artikel 22
De landen, die bereid zijn het Verdrag overeenkomstig het tweede lid van artikel 20 te bekrachtigen of er toe krachtens artikel 21 toe te treden, maar die verlangen gemachtigd te worden voorbehouden te maken ten aanzien van de toepassing van het Verdrag, zullen van hun voornemen den Secretaris-Generaal van den Volkenbond kennis kunnen geven. Deze zal onmiddellijk deze voorbehouden aan alle Hooge Verdragsluitende Partijen mededeelen, namens wie een akte van bekrachtiging of van toetreding zal zijn nedergelegd, en haar daarbij vragen, of zij bezwaren daartegen hebben in te brengen. Indien binnen een termijn van zes maanden na deze mededeeling geen der Hooge Verdragsluitende Partijen bezwaren gemaakt heeft, zal de deelneming aan het Verdrag van het land, dat het betreffende voorbehoud gemaakt heeft, beschouwd worden als door de andere Hooge Verdragsluitende Partijen onder dat voorbehoud te zijn aanvaard.
Artikel 23
De bekrachtiging door een Hooge Verdragsluitende Partij of haar toetreding tot dit Verdrag sluit in, dat haar wetgeving en haar administratieve organisatie in overeenstemming zijn met de in het Verdrag gestelde regels.
Artikel 24
Behoudens verklaring van het tegendeel door een Hooge Verdragsluitende Partij bij de onderteekening, bekrachtiging of toetreding zullen de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing zijn op koloniën, overzeesche gewesten, protectoraten of gebieden onder suzereiniteit of mandaat.
Evenwel behouden de Hooge Verdragsluitende Partijen zich het recht voor overeenkomstig de bepalingen der artikelen 21 en 23 voor haar koloniën, overzeesche gewesten, protectoraten of gebieden onder suzereiniteit of mandaat tot het Verdrag toe te treden. Zij behouden zich eveneens het recht voor het afzonderlijk overeenkomstig de bepalingen van artikel 27 op te zeggen.
Artikel 25
Dit Verdrag zal slechts in werking treden, wanneer het zal zijn bekrachtigd of wanneer er toe zal zijn toegetreden namens vijf Leden van den Volkenbond of Staten niet-Leden. De datum van inwerkingtreding zal zijn de negentigste dag volgende op de ontvangst door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond van de vijfde bekrachtiging of toetreding.
Artikel 26
Iedere bekrachtiging of toetreding, die na de inwerkingtreding van het Verdrag overeenkomstig artikel 25 tot stand zal komen, zal van kracht worden op den negentigsten dag volgende op den datum van de ontvangst er van door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.
Artikel 27
Dit Verdrag zal namens ieder Lid van den Volkenbond of iederen Staat niet-Lid kunnen worden opgezegd door een schriftelijke kennisgeving gericht tot den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die er van mededeeling zal doen aan alle Leden van den Volkenbond en aan de in artikel 20 bedoelde Staten niet-Leden. De opzegging zal van kracht worden een jaar na den datum, waarop zij zal zijn ontvangen door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, en zal alleen gevolg hebben ten opzichte van de Hooge Verdragsluitende Partij, voor wie zij zal zijn geschied.
Artikel 28
Dit Verdrag zal worden geregistreerd door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond op den datum van de inwerkingtreding.
IN FAITH WHEREOF the above-mentioned Plenipotentiaries have signed the present Convention.
DONE at Geneva, the twentieth day of April, one thousand nine hundred and twenty-nine, in a single copy, which will remain deposited in the archives of the Secretariat of the League of Nations, and of which certified copies will be transmitted to all the Members of the League and to the non-member States referred to in Article 20.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.