Protocol bij het Verdrag ter bestrijding van de valse munterij
I. Uitleggingen.
Op het oogenblik van onderteekening van het Verdrag hetwelk de dagteekening draagt van heden, verklaren de ondergeteekende Gevolmachtigden ten aanzien van de verschillende bepalingen van het Verdrag de hieronder uiteengezette uitleggingen te aanvaarden.
Het is wel verstaan:
- 1°. Dat de vervalsching van een op een bankbiljet geplaatsten stempel, waarvan het gevolg is dit in een bepaald land geldig te maken, als een vervalsching van het biljet zal worden beschouwd.
- 2°. Dat het Verdrag geen inbreuk maakt op het recht der Hooge Verdragsluitende Partijen om in haar binnenlandsche wetgeving naar eigen goedvinden de beginselen, volgens welke een lichter vonnis dan wel geen vonnis kan worden opgelegd, alsmede het recht van gratie en dat van amnestie te regelen.
- 3°. Dat de in artikel 4 van het Verdrag vervatte regel geenerlei wijziging medebrengt van de binnenlandsche regels, die de straffen vaststellen in geval van samenloop van strafbare feiten. Deze regel verzet zich niet er tegen, dat hetzelfde individu, hetwelk tegelijk de vervalscher en de uitgever is, slechts als vervalscher vervolgd wordt.
- 4°. Dat de Hooge Verdragsluitende Partijen slechts gehouden zijn de rogatoire commissiën uit te voeren binnen de door nationale wetgeving gestelde grenzen.
II. Voorbehouden.
De Hooge Verdragsluitende Partijen, die de hieronder vermelde voorbehouden maken, maken daarvan haar aanvaarding van het Verdrag afhankelijk; haar deelneming onder deze voorbehouden wordt door de andere Hooge Verdragsluitende Partijen aanvaard.
- 1°. De Regeering van Britsch-Indië maakt het voorbehoud, dat artikel 9 niet van toepassing is op Britsch-Indië, waar het niet binnen de bevoegdheden van de wetgevende macht valt den bij dit artikel gestelden regel uit te vaardigen.
- 2°. In afwachting van den afloop van de onderhandelingen betreffende de afschaffing van de consulaire rechtsmacht, waarvan de onderdanen van zekere Mogendheden nog in het genot zijn, is het voor de Chineesche Regeering niet mogelijk artikel 10 te aanvaarden, dat de algemeene verbintenis voor een regeering inhoudt de uitlevering van een door een derden Staat van valsche munterij beschuldigden vreemdeling toe te staan.
- 3°. Met betrekking tot de bepalingen van artikel 20 behoudt de afvaardiging van de Unie van Socialistische Sowjet Republieken zich voor haar Regeering de bevoegdheid voor om, indien zij dit wenscht, de akte van haar bekrachtiging aan een anderen Staat-onderteekenaar te richten, opdat deze er van afschrift aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond overlegge ter kennisgeving aan alle Staten, die onderteekend hebben of toegetreden zijn.
III. Verklaringen.
Op het oogenblik van onderteekening van het Verdrag heeft de vertegenwoordiger van Zwitserland de volgende verklaring afgelegd:
„De Zwitsersche Bondsraad, die eenige verbintenis betreffende de strafbepalingen van het Verdrag niet op zich kan nemen, voordat de vraag van de invoering in Zwitserland van een eenvormig wetboek van strafrecht in bevestigenden zin opgelost is, doet opmerken, dat de bekrachtiging van het Verdrag niet binnen bepaalden tijd zal kunnen worden tot stand gebracht.
„Evenwel is de Zwitsersche Bondsraad bereid binnen de mate van zijn bevoegdheid uitvoering te geven aan de administratieve bepalingen van het Verdrag, zoodra dit in werking zal zijn getreden overeenkomstig art. 25.”
Op het oogenblik van onderteekening van het Verdrag heeft de vertegenwoordiger van de Unie van Socialistische Sowjet Republieken de volgende verklaring afgelegd:
„De afvaardiging van de Unie van Socialistische Sowjet Republieken, hoewel de bepalingen van art. 19 aanvaardende, verklaart, dat de Regeering der Unie niet voornemens is, voor zoover het haar betreft, de rechtspraak van het Permanente Hof van Internationale Justitie in te roepen.”
„Met betrekking tot de bepaling van hetzelfde artikel, volgens welke de geschillen, die niet door rechtstreeksche onderhandelingen geregeld kunnen worden, onderworpen zouden zijn aan eenige andere scheidsrechterlijke procedure dan die van het Permanente Hof van Internationale Justitie, verklaart de afvaardiging van de Unie van Socialistische Sowjet Republieken nadrukkelijk, dat de aanvaarding van deze bepaling niet moet worden uitgelegd als wijziging te brengen in het standpunt van de Regeering der Unie omtrent de algemeene kwestie van arbitrage als middel tot beslechting van geschillen tusschen Staten.”
The present Protocol in so far as it creates obligations between the High Contracting Parties will have the same force, effect and duration as the Convention of to-day's date, of which it is to be considered as an integral part.
IN FAITH WHEREOF the undersigned have affixed their signatures to the present Protocol.
DONE at Geneva, this twentieth day of April, one thousand nine hundred and twenty-nine, in a single copy, which shall be deposited in the archives of the Secretariat of the League of Nations, and of which authenticated copies shall be delivered to all Members of the League of Nations and non-member States represented at the Conference.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.