Verdrag tot vaststelling van eenvormige regelen inzake de immuniteit van staatsschepen
[Zie de Franse tekst voor een opsomming der Staatshoofden]
Het nut erkend hebbend om in gemeen overleg eenige eenvormige regelen betreffende de immuniteit van staatsschepen vast te stellen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben als hunne Gevolmachtigden aangewezen:
[Zie de Franse tekst voor een opsomming der Gevolmachtigden]
Welke, daartoe behoorlijk gemachtigd, het volgende zijn overeengekomen:
Artikel 1
De zeeschepen, welke aan Staten toebehooren of door hen worden geëxploiteerd, de aan Staten toebehoorende ladingen, de in staatsschepen vervoerde ladingen en passagiers, evenals de Staten, die eigenaar zijn van deze schepen of deze exploiteeren, of die eigenaar zijn van deze ladingen, zijn, ten opzichte van vorderingen betreffende de exploitatie van die schepen of het vervoer van die ladingen, onderworpen aan dezelfde regelen in zake aansprakelijkheid en aan dezelfde verbintenissen als die, welke op particuliere schepen, ladingen en reeders van toepassing zijn.
Artikel 2
Ten opzichte van die aansprakelijkheden en verbintenissen zijn de regelen betreffende de bevoegdheid der gerechten, de rechtsvorderingen en de rechtspleging dezelfde als voor de aan particuliere eigenaars toebehoorende koopvaardijschepen en voor de particuliere ladingen en derzelver eigenaars.
Artikel 3
§ 1. De bepalingen van de twee vorige artikelen zijn niet van toepassing op oorlogsschepen, staatsjachten, schepen belast met eenig toezicht, hospitaalschepen, hulpschepen, bevoorradingsschepen en andere aan een Staat toebehoorende of door hem geëxploiteerde vaartuigen, die bij het ontstaan van de schuldvordering uitsluitend gebezigd worden voor een regeeringsdienst, waarmede geen handelsdoeleinden worden beoogd; deze schepen kunnen niet in beslag genomen, aangehouden of vastgehouden worden tengevolge van eenigerlei gerechtelijken maatregel, noch ook onderworpen worden aan eene rechtsvordering „in rem”.
De belanghebbenden hebben evenwel het recht hunne vorderingen te brengen voor de bevoegde gerechten van den Staat, die eigenaar is van het schip of het exploiteert, zonder dat deze Staat zich op zijne immuniteit kan beroepen, indien het betreft:
- 1°:. rechtsvorderingen wegens aanvaring of andere scheepvaartongevallen;
- 2°:. rechtsvorderingen wegens hulp, berging en avarij-grosse;
- 3°:. rechtsvorderingen wegens herstelling, leveringen of andere overeenkomsten op het schip betrekking hebbend.
§ 2. Dezelfde regelen zijn van toepassing op aan een Staat toebehoorende ladingen, welke aan boord van de hiervoren bedoelde schepen worden vervoerd.
§ 3. De aan een Staat toebehoorende ladingen, welke voor regeerings- en niet voor handelsdoeleinden aan boord van koopvaardijschepen worden vervoerd, kunnen niet in beslag genomen, aangehouden of vastgehouden worden tengevolge van eenigerlei gerechtelijken maatregel, noch ook onderworpen worden aan eene rechtsvordering „in rem”.
Evenwel zullen de rechtsvorderingen ter zake van aanvaring en scheepvaartongevallen, van hulp, berging en avarij-grosse, zoomede de rechtsvorderingen ter zake van overeenkomsten, op die ladingen betrekking hebbende, kunnen worden vervolgd voor het gerecht, bevoegd krachtens artikel 2.
Artikel 4
De Staten zullen voor zich kunnen inroepen alle weermiddelen, verjaringen en beperkingen van aansprakelijkheid, waarvan de particuliere schepen en hunne eigenaars zich kunnen bedienen.
Zoo het noodig mocht zijn de bepalingen betreffende deze weermiddelen, verjaringen en beperkingen van aansprakelijkheid aan te passen of te wijzigen, teneinde deze op oorlogsschepen of op de bij artikel 3 bedoelde staatsschepen toepasselijk te maken, zal te dien einde een bijzonder verdrag worden gesloten. Middelerwijl kunnen de noodige voorzieningen bij de eigen wetten van elk land worden getroffen, met inachtneming van den geest en beginselen van dit verdrag.
Artikel 5
Indien er, in het geval voorzien bij artikel 3, naar het gevoelen van het gerecht, waarbij de zaak is aanhangig gemaakt, twijfel bestaat of het schip of de lading het karakter draagt van regeeringsschip of regeeringslading zonder handelsdoeleinden, zal eene verklaring in dien geest, onderteekend door den diplomatieken vertegenwoordiger van den verdragsluitenden Staat, aan wien het schip of de lading toehehoort en overgelegd door tusschenkomst van den Staat voor wiens hoven of andere gerechten het geschil aanhangig is, gelden als bewijs, dat het schip of de lading onder de bepalingen valt van artikel 3, doch enkel tot het bekomen van de opheffing van gerechtelijke beslaglegging, aanhouding of vasthouding
Artikel 6
De bepalingen van dit verdrag worden in elken verdragsluitenden Staat toegepast, onder voorbehoud van de bevoegdheid om van het genot dier bepalingen uit te sluiten de Staten, welke tot dit verdrag niet zijn toegetreden, alsmede hunne onderdanen, of om de toepassing te onderwerpen aan de voorwaarde van wederkeerigheid.
Anderzijds blijft een verdragsluitende Staat bevoegd om bij zijn eigen wetten de rechten van zijne onderdanen voor zijne gerechten te regelen.
Artikel 7
Ieder der verdragsluitende Staten behoudt zich het recht voor om in tijd van oorlog, door eene aan de andere verdragsluitende Staten gezonden verklaring, de toepassing van dit verdrag te schorsen, in dien zin, dat, in dergelijk geval, noch de aan voormelden Staat toebehoorende of door hem geëxploiteerde schepen, noch de hem toebehoorende ladingen door een vreemd gerecht kunnen aangehouden, inbeslaggenomen of vastgehouden worden. De schuldeischer zal evenwel het recht hebben zijne rechtsvordering in te stellen voor de krachtens de artikelen 2 en 3 bevoegde rechtbank.
Artikel 8
De bepalingen van dit verdrag laten de bevoegdheid van de verdragsluitende Staten om de maatregelen te treffen, welke door de rechten en plichten van de onzijdigheid kunnen geboden zijn, onverkort.
Artikel 9
Na afloop van een termijn van ten hoogste twee jaar, te rekenen van den dag der onderteekening van het verdrag, zal de Belgische Regeering zich in verbinding stellen met de Regeeringen der Hooge verdragsluitende Partijen, die zich tot bekrachtiging hebben bereid verklaard, ten einde te doen beslissen of er aanleiding is het verdrag in werking te stellen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd te Brussel op den datum, die zal worden vastgesteld in gemeen overleg der genoemde Regeeringen. De eerste nederlegging van bekrachtigingen wordt vastgesteld bij een proces-verbaal, onderteekend door de vertegenwoordigers van de Staten, die er aan deelnemen, en door den Minister van Buitenlandsche Zaken van België.
Elke latere nederlegging geschiedt door schriftelijke kennisgeving aan de Belgische Regeering, onder toezending van de akte van bekrachtiging.
Een gelijkluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal betreffende de eerste nederlegging van bekrachtigingen, van de in het voorgaand lid bedoelde kennisgevingen, alsmede van de daarbijgaande akten van bekrachtiging, wordt onmiddellijk, door de zorgen van de Belgische Regeering en langs diplomatieken weg, overhandigd aan de Staten, die dit verdrag onderteekend hebben of daartoe zijn toegetreden. In de in het voorgaand lid bedoelde gevallen deelt voornoemde Regeering terzelfder tijd mede op welken datum zij de kennisgeving ontvangen heeft.
Artikel 10
De Staten, die dit verdrag niet onderteekend hebben, kunnen daartoe toetreden, om het even of zij al dan niet ter internationale Conferentie van Brussel vertegenwoordigd zijn geweest.
De Staat, die wenscht toe te treden, geeft schriftelijk kennis van zijn voornemen aan de Belgische Regeering en zendt haar tevens de akte van toetreding, welke in het archief van voormelde Regeering wordt nedergelegd.
De Belgische Regeering zendt onmiddellijk aan al de Staten, die dit verdrag hebben onderteekend of daartoe zijn toegetreden, een gelijkluidend verklaard afschrift van de kennisgeving alsmede van de akte van toetreding, met opgave van den datum, waarop zij de kennisgeving heeft ontvangen.
Artikel 11
De Hooge verdragsluitende Partijen kunnen, op het oogenblik van de onderteekening, van de nederlegging van de bekrachtigingen of hare toetreding, verklaren dat hare aanvaarding van dit verdrag niet geldt, hetzij voor zekere, hetzij voor alle onder hare souvereiniteit of haar gezag staande autonome Dominions, koloniën, bezittingen, protectoraten of overzeesche gewesten. Dienvolgens kunnen zij later afzonderlijk toetreden namens de een of andere dezer autonome Dominions, koloniën, bezittingen, protectoraten of overzeesche gewesten, welke aldus bij hare oorspronkelijke verklaring werden uitgesloten. Zij kunnen ook, met inachtneming van die bepalingen, dit verdrag afzonderlijk opzeggen voor een of meer van de onder hare souvereiniteit of haar gezag staande autonome Dominions, koloniën, bezittingen, protectoraten of overzeesche gewesten.
Artikel 12
Ten aanzien van de Staten, die aan de eerste nederlegging van bekrachtigingen hebben deelgenomen, treedt dit verdrag in werking een jaar na de dagteekening van het proces-verbaal dezer nederlegging. Voor de Staten, die dit verdrag later bekrachtigen of daartoe toetreden, alsmede in de gevallen dat het van kracht worden later volgens artikel 11 geschiedt, treedt het in werking zes maanden nadat de bij artikel 9, 2e lid, en bij artikel 10, 2e lid, voorziene kennisgevingen door de Belgische Regeering zijn ontvangen.
Artikel 13
Ingeval een van de verdragsluitende Staten dit verdrag wenscht op te zeggen, wordt de opzegging schriftelijk ter kennis gebracht van de Belgische Regeering, die onmiddellijk een gelijkluidend verklaard afschrift van de kennisgeving aan al de andere Staten mededeelt, met opgave van den datum waarop zij die ontvangen heeft.
De opzegging wordt van kracht één jaar nadat de kennisgeving er van door de Belgische Regeering is ontvangen en geldt alleen voor den Staat die haar heeft ingezonden.
Artikel 14
Iedere verdragsluitende Staat heeft de bevoegdheid om de samenkomst van eene nieuwe conferentie uit te lokken teneinde na te gaan, welke verbeteringen in het verdrag zonden kunnen worden aangebracht.
De Staat, die van deze bevoegdheid wenscht gebruik te maken, zal zijn gehouden zijn voornemen een jaar van te voren kenbaar te maken aan de andere Staten door bemiddeling van de Belgische Regeering, die zich zal belasten met het bijeenroepen van de conferentie.
Fait à Bruxelles, en un seul exemplaire, le 10 avril 1926.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.