Berner Conventie tot bescherming van letterkundige en kunstwerken van 9 september 1886, herzien te Berlijn op 13 november 1908 en te Rome op 2 juni 1928
De President van het Duitsche Rijk;
[volgen de namen der overige Staatshoofden]
gelijkelijk bezield met den wensch om op een zoo doeltreffend en eenvormig mogelijke wijze de rechten der makers op hun letterkundige en kunstwerken te beschermen;
Hebben besloten de op 13 November 1908 te Berlijn onderteekende Acte te herzien en aan te vullen.
Dientengevolge hebben Zij als Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten:
[volgen de namen der gevolmachtigden]
die, daartoe behoorlijk gemachtigd omtrent het volgende tot overeenstemming zijn gekomen:
Artikel 1
De landen waarvoor dit Verdrag geldt, vormen een verbond tot bescherming van de rechten der auteurs op hunne letterkundige en kunstwerken.
Artikel 2
(1). De uitdrukking „letterkundige en kunst-werken” omvat alle voortbrengselen op het gebied der letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukken zij, zooals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preeken en andere werken van dien aard; tooneelwerken of dramatisch-muzikale werken, choregraphische werken en pantomimes, waarvan de wijze van opvoering in schrift of op andere wijze is nedergelegd; muzikale composities met of zonder woorden; werken van teeken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithographeerkunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; teekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topographie, de bouwkunde of de wetenschappen.
(2). Als oorspronkelijke werken worden beschermd, zonder dat dit de rechten verkorten kan van den auteur van het oorspronkelijke werk: vertalingen, omwerkingen, zettingen van muziek en andere reproductiën in gewijzigden vorm van een letterkundig of kunstwerk, evenals de verzamelingen van verschillende werken.
(3). De landen van het Verbond zijn verplicht de bescherming te verzekeren der bovenvermelde werken.
(4). Werken van kunst, toegepast op de nijverheid, worden beschermd voor zoover de binnenlandsche wetgeving van elk land het toelaat.
Artikel 2bis
(1). Aan de binnenlandsche wetgeving van elk land van het Verbond blijft de bevoegdheid voorbehouden om van de bescherming bedoeld in het vorig artikel geheel of gedeeltelijk uit te sluiten politieke redevoeringen en redevoeringen die bij een debat voor den rechter zijn uitgesproken.
(2). Eveneens blijft aan de binnenlandsche wetgeving van elk land van het Verbond de bevoegdheid voorbehouden om te beslissen over de voorwaarden, waaronder voorlezingen, toespraken, preeken en andere werken van dien aard door de Pers zullen kunnen worden weergegeven. Echter zal alleen de auteur het recht hebben om die werken in een verzamelwerk bijeen te brengen.
Artikel 3
Dit Verdrag geldt eveneens voor photographische werken en werken door dergelijke procédés als de photographische verkregen. De landen van het Verbond zijn gehouden de bescherming er van te verzekeren.
Artikel 4
(1). De auteurs tot een der landen van het Verbond behoorende, genieten in de landen, die niet het land van herkomst van het werk zijn, voor hun werken, hetzij niet openbaar gemaakt, hetzij voor het eerst openbaar gemaakt in een der landen van het Verbond, de rechten, welke de onderscheiden wetten thans aan eigen onderdanen verleenen of in den vervolge verleenen zullen, alsmede de rechten bijzonderlijk door dit Verdrag verleend.
(2). Het genot en de uitoefening van die rechten zijn aan geen enkele formaliteit onderworpen; dat genot en die uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan der bescherming in het land van herkomst van het werk. Bijgevolg worden, buiten de bepalingen van dit Verdrag, de omvang van de bescherming, zoowel als de rechtsmiddelen, den auteur gewaarborgd ter handhaving van zijne rechten, uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen.
(3). Als land van herkomst van het werk wordt beschouwd: voor niet openbaar gemaakte werken, dat waartoe de auteur behoort; voor openbaar gemaakte werken dat waar het voor het eerst openbaar is gemaakt; en voor werken die gelijktijdig in verscheidene landen van het Verbond openbaar zijn gemaakt, dat waarvan de wetgeving den kortsten tijd van bescherming verleent. Voor werken die gelijktijdig verschenen zijn in een land dat buiten het Verbond staat, en in een land dat tot het Verbond behoort, geldt het laatste land uitsluitend als land van herkomst.
(4). Onder „openbaar gemaakte werken” moeten in den zin van dit Verdrag verstaan worden werken die zijn uitgegeven. De opvoering van een tooneel- of een dramatisch-muzikaal werk, de uitvoering van een muziekwerk, de tentoonstelling van een kunstwerk en de bouw van een bouwkundig werk vormen niet openbaarmaking.
Artikel 5
De onderdanen van een der landen van het Verbond, die in een ander land van het Verbond voor het eerst hunne werken openbaar maken, hebben in dat laatste land dezelfde rechten als de auteurs die onderdanen van dat land zijn.
Artikel 6
(1). De auteurs die, niet tot een van de landen van het Verbond behoorende, hunne werken voor het eerst openbaar maken in een der landen van het Verbond, genieten in dat land dezelfde rechten als de auteurs die tot dat land behooren en in de andere landen van het Verbond de rechten door dit Verdrag toegekend.
(2). Echter zal, indien een land dat niet tot het Verbond behoort, de werken van auteurs die onderdanen zijn van een der landen van het Verbond, niet voldoende beschermt, dat laatste land de bescherming kunnen beperken van werken, waarvan de auteurs, op het oogenblik der eerste openbaarmaking van die werken, onderdanen zijn van dat andere land en niet werkelijk gevestigd zijn in een der landen van het Verbond.
(3). Geen enkele krachtens het vorig lid opgelegde beperking zal de rechten mogen verkorten die een auteur mocht hebben verworven op een werk dat vóór de toepassing van die beperking in een der landen van het Verbond is openbaar gemaakt.
(4). De landen van het Verbond, die ingevolge dit artikel de bescherming der auteursrechten beperken, moeten daarvan aan de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat mededeeling doen door een schriftelijke verklaring, waarin moet worden aangegeven tegenover welke landen de bescherming wordt beperkt, evenals aan welke beperkingen de auteursrechten van de onderdanen van dat land zijn onderworpen. De Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat zal dit dadelijk ter kennis van alle landen van het Verbond brengen.
Artikel 6bis
(1). Onafhankelijk van de vermogensrechtelijke auteursrechten en zelfs na afstand van die rechten, behoudt de auteur het recht om het vaderschap van een werk op te eischen, evenals het recht om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dat werk, die nadeel zou kunnen brengen aan zijn eer of goeden naam.
(2). Het vaststellen van de voorwaarden waaronder die rechten kunnen worden uitgeoefend, wordt overgelaten aan den binnenlandsche wetgeving der landen van het Verbond. De rechtsmiddelen die men tot handhaving er van zal moeten aanwenden worden geregeld door de wetgeving van het land, waar de bescherming wordt gevraagd.
Artikel 7
(1). De duur der bescherming door dit Verdrag verleend, omvat het leven van den auteur en vijftig jaren na zijn dood.
(2). Intusschen zal deze duur, ingeval hij niet gelijkelijk aanvaard mocht worden door alle landen van het Verbond, geregeld worden door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen, en zal hij den duur der bescherming vastgesteld in het land van herkomst niet kunnen overtreffen. De landen van het Verbond zullen bijgevolg slechts gehouden zijn de bepaling van het vorige lid toe te passen, voor zooverre zij met hun binnenlandsch recht in overeenstemming is.
(3). Voor photographische werken en voor werken door dergelijke procédés als de photographische verkregen, voor werken die na den dood van den maker worden uitgegeven, die anoniem of onder een schuilnaam verschijnen wordt de duur van de bescherming geregeld door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, zonder dat die duur dien, welke in het land van herkomst is vastgesteld, kan overtreffen.
Artikel 7bis
(1). De duur van het auteursrecht dat gemeenschappelijk toebehoort aan de medewerkers aan een werk, wordt berekend vanaf het tijdstip van overlijden van den laatst overlevende der medewerkers.
(2). De onderdanen van landen die een beschermingsduur toekennen, die minder lang is dan dien voorzien in lid 1, kunnen in de andere landen van het Verbond geen langere bescherming inroepen.
(3). In geen geval zal de duur van de bescherming kunnen eindigen voor den dood van den laatst overlevende der medewerkers.
Artikel 8
De auteurs van niet openbaar gemaakte werken die behooren tot een der landen van het Verbond, en de auteurs van werken die voor het eerst in een dier landen openbaar gemaakt zijn, genieten in de andere landen van het Verbond gedurende den geheelen duur van het recht op het oorspronkelijke werk het uitsluitend recht vertalingen van hun werken te maken of tot het maken daarvan machtiging te verleenen.
Artikel 9
(1). Romans als feuilleton geplaatst, novellen en alle andere hetzij letterkundige, hetzij wetenschappelijke, hetzij kunst-werken, wat ook het onderwerp zij, openbaar gemaakt in dagbladen of tijdschriften van een der landen van het Verbond, mogen zonder toestemming der auteurs niet in de andere landen worden overgenomen.
(2). Artikelen, waarin actueele onderwerpen van economie, staatkunde of godsdienst behandeld worden, mogen door de Pers worden overgenomen indien de overneming niet uitdrukkelijk is voorbehouden. Intusschen moet de bron altijd duidelijk worden aangegeven; de voorziening op de naleving dezer verplichting wordt bepaald door de wetgeving van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen.
(3). De bescherming van dit Verdrag is niet toepasselijk op nieuwstijdingen of gemengde berichten, die het karakter hebben van zuivere dagbladinlichtingen.
Artikel 10
Wat de bevoegdheid betreft om aan werken van letterkunde of kunst op geoorloofde wijze stukken te ontleenen voor uitgaven, bestemd voor het onderwijs of die een wetenschappelijk karakter dragen, of voor bloemlezingen, blijft de wetgeving der landen van het Verbond van kracht, alsmede de bijzondere regelingen die tusschen hen bestaan of zullen worden getroffen.
Artikel 11
(1). De bepalingen van dit Verdrag zijn toepasselijk op de openbare opvoering van tooneel- of dramatisch-muzikale werken en op de openbare uitvoering van muziekwerken, onverschillig of deze werken zijn openbaar gemaakt of niet.
(2). De auteurs van tooneel- of dramatisch-muzikale werken worden, tijdens den duur van hun recht op het oorspronkelijke werk, beschermd tegen openbare niet door hen bewilligde opvoering van de vertaling hunner werken.
(3). Om de bescherming van dit artikel te genieten, behoeven de auteurs bij het openbaar maken van hun werken, de openbare opvoering of uitvoering niet te verbieden.
Artikel 11bis
(1). De auteurs van letterkundige en kunst-werken genieten het uitsluitend recht om machtiging te verleenen tot mededeeling aan het publiek van hun werken door middel van radio-uitzending.
(2). Het staat aan de binnenlandsche wetgeving der landen van het Verbond de voorwaarden vast te stellen tot uitoefening van het recht bedoeld in het vorig lid, maar die voorwaarden hebben slechts een werking die uitsluitend beperkt blijft tot het land, dat ze heeft vastgesteld. Zij kunnen in geen geval afbreuk doen noch aan het zedelijk recht van den auteur, noch aan het den auteur toekomend recht op een billijke vergoeding, bij gebrek aan een minnelijke schikking, door de bevoegde overheid vast te stellen.
Artikel 12
Onder de ongeoorloofde reproducties, waarop dit Verdrag van toepassing is, is in het bijzonder begrepen het middellijk zonder toestemming van den auteur zich toeëigenen van een letterkundig of kunstwerk door bewerkingen, muziek-zettingen, omwerkingen van een roman, eene novelle of een dichtwerk in den vorm van een tooneelstuk, of omgekeerd enz., wanneer die bewerkingen slechts zijn reproducties van zulk een werk in denzelfden of in een anderen vorm met wijzigingen, toevoegingen of bekortingen, niet het wezen rakende en niet zoodanig, dat daardoor het karakter van een nieuw oorspronkelijk werk wordt verkregen.
Artikel 13
(1). Componisten van muziekwerken hebben het uitsluitend recht toe te stemmen in: 1°. de bewerking van die werken voor instrumenten, dienende tot een werktuigelijke uitvoering daarvan; 2°. de openbare opvoering dier werken door middel van zoodanige instrumenten.
(2). Voorbehoud en voorwaarden met betrekking tot de toepassing van dit artikel kunnen door de binnenlandsche wetgeving van ieder land, voor zoover het dit land zelf aangaat, worden vastgesteld; maar de werking van alle voorbehoud en alle voorwaarden van dezen aard zal strikt beperkt blijven tot het land dat ze gesteld heeft.
(3). Het voorschrift van lid 1 heeft geen terugwerkende kracht en is bijgevolg niet in een der landen van het Verbond toepasselijk op werken, die in dat land reeds op geoorloofde wijze zijn bewerkt voor mechanische werktuigen vóór het in werking treden van het op 13 November 1908 te Berlijn geteekende Verdrag en, wanneer het een land mocht gelden, dat sinds dien datum tot het Verbond mocht zijn toegetreden of nog zal toetreden, vóór den dag van die toetreding.
(4). De bewerkingen krachtens het tweede en derde lid van dit artikel gemaakt en zonder machtiging der belanghebbenden ingevoerd in een land waar zij niet geoorloofd zijn, zullen daar inbeslag kunnen worden genomen.
Artikel 14
(1). De auteurs van letterkundige, wetenschappelijke of kunst-werken hebben het uitsluitend recht machtiging te verleenen tot de reproductie, bewerking en openbare opvoering van hunne werken door middel van de cinematographie.
(2). Cinematographische voortbrengselen worden beschermd als letterkundige of kunst-werken wanneer de maker aan zijn werk een origineel karakter heeft gegeven. Wanneer dat karakter ontbreekt geniet het cinematographische voortbrengsel gelijke bescherming als een photographisch werk.
(3). Zonder daardoor te kort te doen aan de rechten van den auteur van het werk dat wordt weergegeven of bewerkt, wordt het cinematographisch werk beschermd als een oorspronkelijk werk.
(4). De voorafgaande bepalingen zijn mede van toepassing op het reproduceeren of produceeren door middel van iedere andere werkwijze die op de cinematographie gelijkt.
Artikel 15
(1). Opdat de auteurs van de door dit Verdrag beschermde werken, tot bewijs van het tegendeel als zoodanig beschouwd en zij bijgevolg voor de rechtbanken der verschillende landen van het Verbond worden toegelaten om vervolgingen tegen namakers in te stellen, is het voldoende dat hun naam op de gebruikelijke wijze op het werk vermeld staat.
(2). Voor anonieme of onder een schuilnaam verschenen werken is de uitgever, wiens naam op het werk vermeld staat, gerechtigd om de aan den auteur toekomende rechten te verdedigen. Hij wordt, zonder verder bewijs, beschouwd als rechtverkrijgende van den anoniemen of zich met een schuilnaam noemenden auteur.
Artikel 16
(1). Elk nagemaakt of nagedrukt werk kan door de bevoegde macht van de landen van het Verbond, waar het oorspronkelijk werk recht heeft op wettelijke bescherming, in beslag worden genomen.
(2). In dat land kan het beslag zich ook uitstrekken over reproducties die afkomstig zijn uit een land, waar het werk niet of niet meer beschermd wordt.
(3). Het beslag wordt gelegd overeenkomstig de binnenlandsche wetgeving van elk land.
Artikel 17
De bepalingen van dit Verdrag kunnen in geen enkel opzicht het recht schaden, dat aan de Regeering van elk land van het Verbond toekomt om door wet of verordening de verspreiding, opvoering of tentoonstelling van elk werk of voortbrengsel, ten aanzien waarvan aan de bevoegde macht de uitoefening van dit recht toekomt, toe te staan, onder toezicht te stellen of te verbieden.
Artikel 18
(1). Dit Verdrag is van toepassing op alle werken, die op het oogenblik van zijn in werking treden nog geen gemeen goed zijn geworden in het land van oorsprong ten gevolge van het verloopen van den beschermingstermijn.
(2). Een werk, dat door het verstrijken van den beschermingstermijn, die daaraan vroeger was toegekend, gemeen goed is geworden in het land waar de bescherming wordt ingeroepen, zal daar niet opnieuw beschermd worden.
(3). De toepassing van dit beginsel zal geschieden overeenkomstig de bepalingen in reeds bestaande of in te dien einde tusschen de landen van het Verbond te sluiten bijzondere verdragen. Wanneer dergelijke bepalingen ontbreken, zullen de onderscheidene landen, ieder voor zoover het hem aangaat, regelingen treffen, waarbij de wijze van toepassing van dit beginsel wordt geregeld.
(4). De voorafgaande bepalingen zijn evenzeer van toepassing in geval van nieuwe toetredingen tot het Verbond als in het geval, dat de bescherming mocht worden uitgebreid door toepassing van artikel 7 of door het prijs geven van eenig voorbehoud.
Artikel 19
De bepalingen van dit Verdrag beletten niet de toepassing te eischen van vrijgevige bepalingen, die in de wetgeving van een der landen van het Verbond mochten zijn opgenomen, ten voordeele van vreemdelingen in het algemeen.
Artikel 20
De Regeeringen van de landen van het Verbond behouden zich het recht voor, onderling bijzondere regelingen te treffen, voor zoover althans deze regelingen aan de auteurs ruimer rechten zouden toekennen, dan die door het Verbond worden toegekend of andere bepalingen bevatten, die niet in strijd zijn met dit Verdrag. De bepalingen der bestaande regelingen, die voldoen aan de bovenomschreven voorwaarden, blijven van toepassing.
Artikel 21
(1). Het internationale Bureau gesticht onder den naam „Bureau van het Internationaal Verbond tot bescherming van letterkundige- en kunstwerken” wordt in stand gehouden.
(2). Dit Bureau is geplaatst onder het hoog gezag van de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat, die zijne inrichting regelt en toezicht houdt op zijne werking.
(3). De officieele taal van het Bureau is de Fransche taal.
Artikel 22
(1). Het Internationale Bureau verzamelt inlichtingen van elken aard die betrekking hebben op de bescherming van de rechten der auteurs op hun letterkundige en kunst-werken. Het rangschikt deze gegevens en maakt ze openbaar. Het wijdt zich aan studiën van algemeen belang, die van beteekenis zijn voor het Verbond en redigeert met behulp van bescheiden, die door de verschillende administraties tot zijne beschikking worden gesteld, een tijdschrift in het Fransch, over vraagstukken die betrekking hebben op het doel van het Verbond. De Regeeringen der landen van het Verbond behouden zich voor bij gemeen goedvinden het Bureau te machtigen dit tijdschrift uit te geven in een of meer andere talen, voor het geval de ondervinding de behoefte daaraan mocht aantoonen.
(2). Het Internationale Bureau moet zich ten allen tijde beschikbaar houden voor de leden van het Verbond om hen over de vragen, die betrekking hebben op de bescherming van letterkundige en kunst-werken, de bijzondere inlichtingen te verschaffen, waaraan zij behoefte mochten hebben.
(3). De Directeur van het Internationale Bureau stelt jaarlijks een verslag van zijn beheer op, waarvan mededeeling wordt gedaan aan alle leden van het Verbond.
Artikel 23
(1). De kosten van het Bureau van het Internationale Verbond worden door de landen van het Verbond gezamenlijk gedragen. Tot nader besluit zullen zij een bedrag van honderd en twintig duizend Zwitsersche francs per jaar niet te boven mogen gaan. Dit bedrag zal zoo noodig kunnen worden verhoogd door een eenstemmig besluit van een der Conferenties bedoeld in artikel 24.
(2). Om de bijdrage van elk land in de totaalkosten te berekenen worden de landen van het Verbond en zij die later tot het Verbond zullen toetreden verdeeld in zes klassen, die elk in verhouding van een zeker aantal eenheden bijdragen, te weten:
| 1ste | klasse .............. | 25 | eenheden; |
|---|---|---|---|
| 2de | ” ....................... | 20 | ” |
| 3de | ” ....................... | 15 | ” |
| 4de | ” ....................... | 10 | ” |
| 5de | ” ....................... | 5 | ” |
| 6de | ” ....................... | 3 | ” |
(3). Deze coëfficiënten worden vermenigvuldigd met het aantal landen van elke klasse en de som der producten aldus verkregen vormt het getal eenheden, waardoor de totaalkosten moeten worden gedeeld. Het quotiënt geeft het bedrag van de kosten-eenheid.
(4). Elk land legt bij zijn toetreding eene verklaring af nopens de klasse waarin het vraagt te worden ondergebracht, maar het kan altijd later verklaren te wenschen in een andere klasse te worden opgenomen.
(5). De Zwitsersche administratie ontwerpt de begrooting van het Bureau en houdt toezicht op de uitgaven; zij verstrekt de noodige voorschotten en stelt de jaarlijksche rekening vast, die aan alle andere administraties zal worden medegedeeld.
Artikel 24
(1). Dit verdrag kan aan herziening onderworpen worden ten einde er die verbeteringen in aan te brengen, die strekken tot verbetering van het stelsel van het Verbond.
(2). Dergelijke vraagstukken, evenals die welke uit een ander oogpunt voor de ontwikkeling van het Verbond van belang zijn, worden behandeld op Conferenties, die achtereenvolgens in de landen van het Verbond tusschen de afgevaardigden dier landen gehouden zullen worden. De administratie van het land waar een Conferentie zitting moet houden, bereidt, met behulp van het Internationale Bureau de werkzaamheden van die Conferentie voor. De Directeur van het Bureau woont de zittingen van de Conferenties bij en neemt deel aan de beraadslagingen zonder stemgerechtigd te zijn.
(3). Geen enkele wijziging van dit Verdrag is geldend voor het Verbond, tenzij daarop de algemeene instemming is verkregen der landen die het Verbond vormen.
Artikel 25
(1). Landen, die niet tot het Verbond behooren en die wettelijke bescherming verzekeren der rechten, welke het onderwerp van dit Verdrag uitmaken, kunnen, op hun verzoek, toetreden.
(2). Deze toetreding zal schriftelijk ter kennis worden gebracht van de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat, en door deze aan alle andere Regeeringen.
(3). Zij zal rechtens medebrengen instemming met al de bepalingen en toelating tot al de voorrechten vastgesteld door dit Verdrag en zal in werking treden een maand na het zenden van de mededeeling door de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat aan de andere landen van het Verbond, tenzij door het land dat toetreedt een latere datum is aangegeven. Nochtans zal zij kunnen inhouden dat het toetredende land — althans voorloopig — voornemens is om in plaats van artikel 8, ten aanzien van vertalingen, de bepalingen van artikel 5 van de Conventie van 1886, herzien te Parijs in 1896, toe te passen, waarbij het wel verstaan zij dat die bepalingen slechts betrekking hebben op vertalingen in de taal of in de talen van het land zelf.
Artikel 26
(1). Elk der landen van het Verbond kan steeds schriftelijk aan de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat mededeelen, dat dit Verdrag toepasselijk is op alle of op een gedeelte van zijn koloniën, protectoraten, mandaatsgebieden of alle andere gebieden onderworpen aan zijn souvereiniteit of zijn gezag of op alle gebieden onder suzereiniteit, en het Verdrag zal alsdan toepasselijk zijn op alle gebieden die in die kennisgeving zijn aangegeven. Bij gebreke van deze kennisgeving zal het Verdrag niet op die gebieden toepasselijk zijn.
(2). Elk der landen van het Verbond kan steeds schriftelijk aan de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat mededeelen dat dit Verdrag ophoudt toepasselijk te zijn op alle of op een deel der gebieden waarover de mededeeling als bedoeld in het vorig lid handelde, en het Verdrag zal twaalf maanden na ontvangst van die mededeeling, gericht aan de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat, ophouden toepasselijk te zijn in de gebieden aangewezen in die mededeeling.
(3). Alle mededeelingen, die overeenkomstig de bepalingen der leden 1 en 2 van dit artikel aan de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat gedaan zijn, zullen door die Regeering ter kennis van alle landen van het Verbond worden gebracht.
Artikel 27
(1). Dit Verdrag vervangt in de betrekkingen tusschen de landen van het Verbond de Berner Conventie van 9 September 1886 en de Acten die deze Conventie achtereenvolgens gewijzigd hebben. De Acten die vroeger van kracht waren blijven toepasselijk in de betrekkingen met de landen, die dit Verdrag niet mochten bekrachtigen.
(2). De landen namens welke dit Verdrag is geteekend kunnen zich de werking te hunnen aanzien van de reserves die zij vroeger hebben geformuleerd blijven verzekeren, mits zij bij het neerleggen der bekrachtigingsoorkonden nopens die reserves een verklaring afleggen.
(3). De landen die nu deel uitmaken van het Verbond en uit wier naam dit Verdrag niet geteekend is, zullen er ten allen tijde toe kunnen toetreden. In dat geval zullen zij de voordeelen kunnen genieten die voortvloeien uit het bepaalde in het vorig lid.
Artikel 28
(1). Dit Verdrag zal bekrachtigd worden en de akten van bekrachtiging zullen te Rome worden neergelegd uiterlijk op 1 Juli 1931.
(2). Het zal tusschen de landen van het Verbond, die het bekrachtigd zullen hebben, van kracht worden één maand na dien datum. Wanneer het echter vóór dien datum bekrachtigd mocht zijn door minstens zes landen van het Verbond, zal het tusschen die landen van het Verbond van kracht worden één maand nadat het nederleggen van de zesde bekrachtigingsoorkonde hun zal zijn medegedeeld door de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat, en voor de landen van het Verbond die vervolgens bekrachtigen, één maand na de mededeeling van elk dier bekrachtigingen.
(3). De landen die buiten het Verbond staan zullen tot 1 Augustus 1931 tot het Verbond kunnen toetreden, hetzij door toe te treden tot de Conventie die op 13 November 1908 te Berlijn geteekend is, hetzij door toe te treden tot dit Verdrag. Vanaf 1 Augustus 1931 zullen zij slechts tot dit Verdrag kunnen toetreden.
Artikel 29
(1). Dit Verdrag zal gedurende een onbepaalden tijd van kracht blijven tot na verloop van een jaar vanaf den dag waarop het zal zijn opgezegd.
(2). Deze opzegging zal gericht worden tot de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat. Zij zal slechts werken ten aanzien van het land dat haar gedaan heeft, terwijl het Verdrag voor de andere landen van het Verbond van kracht blijft.
Artikel 30
(1). De landen, die in hare wetgeving den beschermingsduur van 50 jaren invoeren waarvan sprake is in artikel 7, eerste lid, van dit Verdrag, zullen daarvan schriftelijk mededeeling doen aan de Regeering van den Zwitserschen Bondsstaat, welke mededeeling dadelijk door die Regeering aan alle andere landen van het Verbond zal worden doorgegeven.
(2). Hetzelfde geldt voor de landen die afstand doen van eenig voorbehoud door hen gemaakt of gehandhaafd ingevolge de artikelen 25 en 27.
EN FOI DE QUOI, les Plénipotentiaires respectifs ont signé la présente Convention.
FAIT à Rome, le 2 juin 1928, en un seul exemplaire, qui sera déposé dans les archives du Gouvernement Royal d'Italie. Une copie, certifiée conforme, sera remise par la voie diplomatique à chaque Pays de l'Union.