Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen
Preambule
De regeringen waarvan de naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers dit Verdrag hebben onderschreven, rekening houdend met hun wederzijds belang in de populaties van tonijnen en tonijnachtigen aangetroffen in de Atlantische Oceaan, en verlangend samen te werken om deze vispopulaties op een peil te houden dat maximale duurzame vangst voor voeding en andere doeleinden mogelijk maakt, hebben besloten een Verdrag voor de instandhouding van de bestanden van Atlantische tonijnen en tonijnachtigen te sluiten en zijn daartoe het volgende overeengekomen:
Artikel I
Het gebied waarop dit Verdrag van toepassing is, hierna te noemen „het verdragsgebied”, omvat alle wateren van de Atlantische Oceaan, met inbegrip van de aangrenzende zeeën.
Artikel II
Geen enkele bepaling van dit Verdrag wordt geacht afbreuk te doen aan de rechten, aanspraken of standpunten van enige verdragsluitende partij met betrekking tot de grenzen van de territoriale wateren of de omvang van de rechtsmacht inzake visserij overeenkomstig het internationale recht.
Artikel III
De verdragsluitende partijen besluiten hierbij tot de oprichting en de instandhouding van een commissie, de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (hierna te noemen „de Commissie”), die tot taak heeft de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken.
Elke verdragsluitende partij wordt in de Commissie vertegenwoordigd door ten hoogste drie afgevaardigden. Deze afgevaardigden mogen zich laten bijstaan door deskundigen en adviseurs.
Behalve wanneer in dit Verdrag anders is bepaald, worden de besluiten van de Commissie genomen met een meerderheid van stemmen van de verdragsluitende partijen; elke verdragsluitende partij heeft één stem. Het quorum wordt gevormd door twee derde van de verdragsluitende partijen.
De Commissie komt om de twee jaar in gewone zitting bijeen. Buitengewone zittingen kunnen te allen tijde worden bijeengeroepen op verzoek van een meerderheid van de verdragsluitende partijen of bij besluit van de krachtens artikel V opgerichte Raad.
De Commissie kiest tijdens haar eerste zitting, en vervolgens tijdens elke gewone zitting, onder haar leden een voorzitter, een eerste vicevoorzitter en een tweede vicevoorzitter, die slechts eenmaal herkiesbaar zijn.
De vergaderingen van de Commissie en van haar hulporganen zijn openbaar, tenzij de Commissie anders beslist.
De officiële talen van de Commissie zijn het Engels, het Frans en het Spaans.
De Commissie heeft de bevoegdheid het reglement van orde en het financieel reglement vast te stellen die nodig zijn voor de uitoefening van haar taken.
De Commissie brengt aan de verdragsluitende partijen om de twee jaar een verslag uit over haar werkzaamheden en conclusies en verstrekt elke verdragsluitende partij desgevraagd informatie over elke aangelegenheid die betrekking heeft op de doelstellingen van dit Verdrag.
Artikel IV
Om de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken, wordt de Commissie belast met het onderzoek naar de populaties van tonijnen en tonijnachtigen (Scombriformes, met uitzondering van de families Trichiuridae en Gempylidae en van het geslacht Scomber), en naar de andere vissoorten die bij het vissen op tonijn in het verdragsgebied worden gevangen, maar geen onderwerp van onderzoek in het kader van een andere internationale visserijorganisatie zijn. Dit onderzoek heeft onder meer betrekking op getalsterkte, biometrie en ecologie van vispopulaties, de oceanografie van hun milieu en de effecten van natuurlijke en menselijke factoren op hun getalsterkte. Bij het vervullen van haar taken maakt de Commissie voor zover mogelijk gebruik van de wetenschappelijke en technische diensten van de officiële organen van de verdragsluitende partijen en de staatkundige onderdelen daarvan, alsmede van de door deze organen verstrekte gegevens, en kan zij indien gewenst gebruikmaken van de diensten of gegevens van openbare of particuliere instellingen, organisaties, of particulieren, en tevens binnen de grenzen van haar begroting onafhankelijk onderzoek verrichten ter aanvulling van het onderzoek dat wordt uitgevoerd door regeringen, nationale instellingen of door andere internationale organisaties.
De uitvoering van de bepalingen van het eerste lid van dit artikel omvat het volgende:
- a. het verzamelen en analyseren van statistische gegevens over de huidige omstandigheden en tendensen van de tonijnbestanden in het verdragsgebied;
- b. het bestuderen en evalueren van informatie over maatregelen en methoden om de omvang van de populaties van tonijn en tonijnachtigen in het verdragsgebied op een peil te houden dat maximale duurzame vangst mogelijk maakt en doelmatige exploitatie van deze vissen waarborgt die verenigbaar is met deze vangst;
- c. het aanbevelen van studies en onderzoek aan verdragsluitende partijen;
- d. het publiceren en anderszins verspreiden van rapporten over haar bevindingen en statistische, biologische en andere wetenschappelijke gegevens over de tonijnvisserij in het verdragsgebied.
Artikel V
Binnen de Commissie wordt een Raad opgericht, die bestaat uit de voorzitter en de vicevoorzitters van de Commissie en de vertegenwoordigers van ten minste vier en ten hoogste acht verdragsluitende partijen. De in de Raad vertegenwoordigde verdragsluitende partijen worden tijdens elke gewone zitting van de Commissie gekozen. Indien er evenwel meer dan veertig verdragsluitende partijen zijn, mag de Commissie twee aanvullende verdragsluitende partijen kiezen die in de Raad vertegenwoordigd worden. De verdragsluitende partijen waarvan de voorzitter en de vicevoorzitters onderdanen zijn, mogen niet in de Raad worden gekozen. De Commissie houdt bij het kiezen van leden voor de Raad naar behoren rekening met de geografische situatie en de belangen van de verdragsluitende partijen op het gebied van de tonijnvisserij en -verwerking en met het feit dat de verdragsluitende partijen in gelijke mate recht hebben op vertegenwoordiging in de Raad.
De Raad vervult de taken die hem krachtens dit Verdrag of door de Commissie worden toegewezen. De Raad vergadert ten minste éénmaal in de periode tussen twee gewone zittingen van de Commissie. Tussen twee zittingen van de Commissie neemt de Raad de nodige besluiten ten aanzien van de door het personeel uit te voeren taken en geeft hij de uitvoerend secretaris de nodige instructies. De besluiten van de Raad worden genomen overeenkomstig door de Commissie vast te stellen regels.
Artikel VI
Om de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken, kan de Commissie werkgroepen per soort, groep soorten of geografisch gebied instellen. Elke werkgroep:
- a. dient ervoor te zorgen dat zij op de hoogte blijft van de stand van zaken omtrent de soort, de groep soorten of het geografisch gebied waarvoor zij bevoegd is en wetenschappelijke en andere gegevens ter zake verzamelt;
- b. kan de Commissie op grond van wetenschappelijke studies aanbevelingen doen voor gezamenlijk door de verdragsluitende partijen te nemen maatregelen;
- c. kan de Commissie aanbevelingen doen met betrekking tot studies en onderzoek waarmee gegevens kunnen worden verkregen over de soort, de groep soorten of het geografisch gebied, en met betrekking tot de coördinatie van de onderzoekprogramma’s van de verdragsluitende partijen.
Artikel VII
De Commissie benoemt een uitvoerend secretaris, die aanblijft zolang de Commissie zulks nodig acht. De uitvoerend secretaris is belast met de selectie en leiding van het personeel van de Commissie en neemt daarbij de door de Commissie vast te stellen regels en procedures in acht. De uitvoerend secretaris verricht tevens de volgende taken waarmee de Commissie hem kan belasten:
- a. coördineren van de onderzoekprogramma’s van de verdragsluitende partijen;
- b. opstellen van ter toetsing aan de Commissie voor te leggen begrotingsramingen;
- c. verlenen van machtiging voor de uitbetaling van middelen overeenkomstig de begroting van de Commissie;
- d. beheren van de rekeningen van de Commissie;
- e. regelen van de samenwerking met de in artikel XI van dit Verdrag bedoelde organisaties;
- f. verzamelen en analyseren van de gegevens die nodig zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag, en met name de gegevens over de huidige en de maximale duurzame vangst uit de tonijnbestanden;
- g. opstellen van de ter goedkeuring aan de Commissie voor te leggen wetenschappelijke, administratieve en andere rapporten van de Commissie en haar hulporganen.
Artikel VIII
- a. De Commissie kan op grond van wetenschappelijk bewijs aanbevelingen doen die erop gericht zijn de populaties van tonijn en tonijnachtigen die in het verdragsgebied kunnen worden gevangen, op een peil te houden dat maximale duurzame vangst mogelijk maakt. Deze aanbevelingen zijn op de verdragsluitende partijen van toepassing onder de in het tweede en derde lid van dit artikel vastgestelde voorwaarden.
- b. De hierboven bedoelde aanbevelingen worden gedaan:
- i. op initiatief van de Commissie indien er geen ter zake bevoegde werkgroep is opgericht, of met instemming van ten minste twee derde van alle verdragsluitende partijen indien er een ter zake bevoegde werkgroep is opgericht;
- ii. op voorstel van de ter zake bevoegde werkgroep indien er een is opgericht;
- iii. op voorstel van de ter zake bevoegde werkgroepen indien de betreffende aanbeveling betrekking heeft op meer dan één geografisch gebied, soort of groep soorten.
Een aanbeveling uit hoofde van het eerste lid van dit artikel wordt voor alle verdragsluitende partijen van kracht zes maanden na de datum van kennisgeving waarop de Commissie de verdragsluitende partijen de aanbeveling heeft toegezonden, behalve in het geval bedoeld in het derde lid van dit artikel.
- a. Indien een verdragsluitende partij, in geval van een aanbeveling uit hoofde van het eerste lid, onderdeel b.i, of indien een verdragsluitende partij die lid is van de daarbij betrokken werkgroep, in geval van een aanbeveling uit hoofde van het eerste lid, onderdeel b.ii of iii, binnen de termijn van zes maanden voorzien in het tweede lid bij de Commissie een bezwaar tegen de aanbeveling indient, wordt de aanbeveling niet van kracht voor een aanvullende termijn van zestig dagen.
- b. In dat geval mag elke andere verdragsluitende partij een bezwaar indienen vóór het einde van deze aanvullende termijn van zestig dagen, of binnen vijfenveertig dagen na de datum van kennisgeving van een bezwaar door een andere verdragsluitende partij binnen deze aanvullende termijn van zestig dagen, indien deze termijn later eindigt.
- c. De aanbeveling treedt in werking na afloop van de voor het indienen van bezwaren verlengde termijn of termijnen, uitgezonderd voor de verdragsluitende partijen die bezwaar hebben aangetekend.
- d. Indien een aanbeveling echter een bezwaar heeft opgeleverd, overeenkomstig de onderdelen a en b, ingediend door slechts één of minder dan een kwart van de verdragsluitende partijen, stelt de Commissie de verdragsluitende partij of partijen die het bezwaar heeft of hebben ingediend er onmiddellijk van in kennis dat het bezwaar geacht wordt geen effect te hebben.
- e. In het in onderdeel d bedoelde geval kan de verdragsluitende partij of kunnen partijen hun bezwaar bevestigen binnen een aanvullende termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum van bedoelde kennisgeving. Na afloop van deze termijn treedt de aanbeveling in werking, behalve ten aanzien van de verdragsluitende partij die een bezwaar heeft ingediend en het bezwaar binnen de voorziene termijn heeft bevestigd.
- f. Indien een aanbeveling bezwaar heeft opgeleverd van meer dan een kwart, maar minder dan de meerderheid van de verdragsluitende partijen overeenkomstig de onderdelen a en b, treedt de aanbeveling in werking ten aanzien van de verdragsluitende partijen die geen bezwaar hebben ingediend.
- g. Indien een meerderheid van verdragsluitende partijen bezwaar heeft aangetekend, treedt de aanbeveling niet in werking.
Elke verdragsluitende partij die een bezwaar tegen een aanbeveling heeft ingediend, kan het bezwaar te allen tijde intrekken, en de aanbeveling wordt ten aanzien van de betrokken verdragsluitende partij onmiddellijk van kracht, indien zij reeds in werking is getreden of op de datum van inwerkingtreding krachtens dit artikel.
De Commissie stelt elke verdragsluitende partij onmiddellijk in kennis van de ontvangst van een bezwaar en van elke intrekking van een bezwaar, alsmede van de datum van inwerkingtreding van elke aanbeveling.
Artikel IX
De verdragsluitende partijen komen overeen alle nodige maatregelen te treffen om de handhaving van dit Verdrag te waarborgen. Elke verdragsluitende partij zendt de Commissie om de twee jaar, of telkens wanneer de Commissie daarom verzoekt, een verslag over de daartoe getroffen maatregelen.
De verdragsluitende partijen komen overeen dat:
- a. zij de Commissie desgevraagd alle beschikbare statistische, biologische en andere wetenschappelijke gegevens verstrekken die de Commissie nodig heeft voor de doelstellingen van dit Verdrag;
- b. indien hun officiële organen de bedoelde gegevens niet zelf kunnen verkrijgen en verstrekken, zij de Commissie toestaan de bedoelde inlichtingen via de verdragsluitende partijen, rechtstreeks bij ondernemingen en individuele vissers in te winnen op vrijwillige basis.
De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe met elkaar samen te werken om gepaste adequate maatregelen vast te stellen om de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag te waarborgen en met name een internationaal controlesysteem in te stellen voor toepassing in het verdragsgebied, met uitzondering van de territoriale zee en eventuele andere wateren waar een staat op grond van het internationaal recht rechtsmacht over de visserij mag uitoefenen.
Artikel X
1) Zoals gewijzigd bij het Protocol van Madrid, dat op 10 maart 2005 in werking trad.
De Commissie stelt een begroting vast voor haar gezamenlijke uitgaven voor de periode van twee jaar na elke gewone zitting.
Elke verdragsluitende partij draagt jaarlijks een bedrag af voor de begroting van de Commissie dat wordt berekend aan de hand van een schema voorzien in het financieel reglement, zoals door de Commissie aangenomen. Bij het aannemen van dit schema dient de Commissie onder andere rekening te houden met de vaste basisbedragen voor het lidmaatschap van de Commissie en de werkgroepen, de som van het levend gewicht en het nettogewicht van de geproduceerde conserven van Atlantische tonijn en tonijnachtigen en de economische ontwikkeling van de verdragsluitende partijen. Het schema van jaarlijkse bijdragen in het financieel reglement wordt uitsluitend vastgesteld of gewijzigd na overeenstemming met alle verdragsluitende partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen. De verdragsluitende partijen worden hiervan negentig dagen van tevoren in kennis gesteld.
De Raad onderzoekt de tweede helft van de tweejarige begroting tijdens zijn gewone zitting, die plaatsvindt tussen twee zittingen van de Commissie, en kan, op grond van de situatie op dat ogenblik en de verwachte ontwikkelingen, binnen de door de Commissie vastgestelde totale begroting een herverdeling toestaan van de voor het tweede jaar in de begroting opgenomen bedragen.
De uitvoerend secretaris van de Commissie stelt elke verdragsluitende partij in kennis van haar jaarlijkse bijdrage.
De bijdragen zijn verschuldigd op 1 januari van het jaar waarop zij betrekking hebben. De bijdragen die niet voor 1 januari van het daaropvolgende jaar zijn betaald, worden als achterstallige bijdragen beschouwd.
De bijdragen voor de tweejarige begroting worden betaald in de door de Commissie vastgestelde munteenheid.
De Commissie stelt tijdens haar eerste zitting een begroting op voor het resterende gedeelte van het eerste jaar waarin zij in functie is en voor de daaropvolgende periode van twee jaar. Zij zendt de verdragsluitende partijen onverwijld een afschrift van deze begrotingen toe en stelt hen in kennis van hun respectieve bijdragen voor het eerste jaar.
Voor de daaropvolgende jaren zendt de uitvoerend secretaris ten minste zestig dagen vóór de gewone zitting van de Commissie die voorafgaat aan de tweejarige periode, aan elke verdragsluitende partij een ontwerpbegroting en een schema van de voorgestelde bijdragen toe.
De Commissie kan het stemrecht van een verdragsluitende partij schorsen indien de achterstallige bijdrage van die partij gelijk is aan of hoger dan de door de verdragsluitende partij verschuldigde bijdrage voor de voorgaande twee jaar.
De Commissie vormt een fonds waarin het werkkapitaal wordt ondergebracht voor de financiering van haar werkzaamheden in afwachting van de ontvangst van de jaarlijkse bijdragen en voor andere door haar vast te stellen doeleinden. De Commissie stelt de omvang van het fonds vast, maakt een raming van de voor de vorming van dit fonds benodigde voorschotten en neemt regels aan voor de aanwending van het fonds.
De Commissie treft maatregelen voor een jaarlijkse onafhankelijke controle van haar rekeningen. De verslagen daarvan worden onderzocht en goedgekeurd door de Commissie of door de Raad in de jaren waarin geen gewone zitting van de Commissie wordt gehouden.
De Commissie kan voor de uitvoering van haar werkzaamheden andere dan de in het tweede lid bedoelde bijdragen aanvaarden.
Artikel XI
De verdragsluitende partijen komen overeen dat er een werkrelatie tussen de Commissie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties dient te zijn. Daartoe zal de Commissie in onderhandeling treden met de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties om een overeenkomst ingevolge artikel XIII van het Statuut van de organisatie te sluiten.2)Zie het FAO-verdrag. In deze overeenkomst dient onder meer te worden bepaald dat de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties een vertegenwoordiger aanwijst die zonder stemrecht deelneemt aan alle zittingen van de Commissie en haar hulporganen.
De verdragsluitende partijen komen overeen dat er samenwerking dient te zijn tussen de Commissie en andere internationale visserijcommissies en wetenschappelijke organisaties die een bijdrage kunnen leveren aan haar werkzaamheden. De Commissie mag overeenkomsten met dergelijke commissies en organisaties sluiten.
De Commissie kan elke relevante internationale organisatie en elke regering die geen lid is van de Commissie, maar wel van de Verenigde Naties of van een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties, uitnodigen waarnemers af te vaardigen naar de zittingen van de Commissie en haar hulporganen.
Artikel XII
Dit Verdrag blijft gedurende tien jaar van kracht en blijft daarna van kracht totdat een meerderheid van verdragsluitende partijen besluit het te beëindigen.
Elke verdragsluitende partij kan op elk tijdstip na een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop dit Verdrag in werking is getreden, zich terugtrekken uit dit Verdrag per 31 december van een jaar, met inbegrip van het tiende jaar; daartoe dient op of voor 31 december van het voorgaande jaar een schriftelijke kennisgeving van terugtrekking te worden gericht aan de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties.
Elke andere verdragsluitende partij kan zich vervolgens per 31 december van hetzelfde jaar terugtrekken uit dit Verdrag; daartoe dient een schriftelijke kennisgeving van terugtrekking aan de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties te worden gericht binnen één maand na de datum waarop zij van de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties een bericht van terugtrekking heeft ontvangen, en in elk geval uiterlijk op 1 april van dat jaar.
Artikel XIII
Elke verdragsluitende partij of de Commissie mag wijzigingen van dit Verdrag voorstellen. De Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties zendt alle verdragsluitende partijen een gewaarmerkt afschrift van de tekst van elke voorgestelde wijziging. Elke wijziging die geen nieuwe verplichtingen tot gevolg heeft, treedt voor alle verdragsluitende partijen in werking op de dertigste dag na aanvaarding van de wijziging door drie vierde van de verdragsluitende partijen. Elke wijziging die nieuwe verplichtingen tot gevolg heeft, treedt voor elke verdragsluitende partij die de wijziging heeft aanvaard, in werking op de negentigste dag na aanvaarding van de wijziging door drie vierde van de verdragsluitende partijen, en voor elke andere verdragsluitende partij op het tijdstip waarop zij die wijziging aanvaardt. Elke wijziging die naar de mening van een of meer verdragsluitende partijen nieuwe verplichtingen tot gevolg heeft, wordt als zodanig beschouwd en treedt in werking zoals hierboven bepaald. Een regering die verdragsluitende partij wordt nadat een wijziging van dit Verdrag is voorgelegd voor aanvaarding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is door het gewijzigde Verdrag gebonden zodra de betrokken wijziging in werking treedt.
Voorgestelde wijzigingen worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties. De kennisgevingen van aanvaarding van de wijzigingen worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties.
Artikel XIV
3) Zoals gewijzigd bij het Protocol van Parijs, dat op 14 december 1997 in werking trad.
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de regering van elke staat die lid is van de Verenigde Naties of van één van haar gespecialiseerde organisaties. Elke in dit lid bedoelde regering die het Verdrag niet heeft ondertekend, kan te allen tijde tot het Verdrag toetreden.
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd of goedgekeurd door de ondertekenende landen in overeenstemming met hun grondwet. De akten van bekrachtiging, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties.
Dit Verdrag treedt in werking na het nederleggen van de akten van bekrachtiging, goedkeuring of toetreding door zeven regeringen; voor elke regering die later een akte van bekrachtiging, goedkeuring of toetreding nederlegt, treedt dit Verdrag in werking op de datum van nederlegging van de akte.
Dit Verdrag staat open voor ondertekening of toetreding door elke intergouvernementele organisatie voor economische integratie gevormd door staten die bevoegdheden aan de organisatie hebben overgedragen voor aangelegenheden waarop dit Verdrag betrekking heeft, met inbegrip van de bevoegdheid verdragen over deze aangelegenheden te sluiten.
Vanaf de nederlegging van haar akte van formele bevestiging of toetreding is elke in het vierde lid bedoelde organisatie verdragsluitende partij, die dezelfde rechten en verplichtingen op grond van de bepalingen van het Verdrag heeft als de andere verdragsluitende partijen. Verwijzingen in de tekst van het Verdrag naar het begrip „staat” in artikel IX, derde lid, en het begrip „regering” in de preambule en in artikel XIII, eerste lid, dienen in deze zin te worden begrepen.
Zodra een organisatie als bedoeld in het vierde lid partij wordt bij dit Verdrag, zijn de lidstaten van die organisatie en de staten die in de toekomst tot die organisatie toetreden, niet langer partij bij het Verdrag; zij dienen een daartoe strekkende schriftelijke kennisgeving te richten aan de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties.
Artikel XV
4) Zoals gewijzigd bij het Protocol van Parijs, dat op 14 december 1997 in werking trad.
De Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties stelt alle regeringen bedoeld in artikel XIV, eerste lid, alsmede de organisaties bedoeld in artikel XIV, vierde lid, in kennis van de nederlegging van akten van bekrachtiging, goedkeuring en formele bevestiging van toetreding, alsmede van de inwerkingtreding van het Verdrag, de voorstellen voor wijziging, de kennisgevingen van aanvaarding van de wijzigingen, de inwerkingtreding van de wijzigingen en de kennisgevingen van terugtrekking.
Artikel XVI
5) Zoals gewijzigd bij het Protocol van Parijs, dat op 14 december 1997 in werking trad.
De oorspronkelijke tekst van dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, die gewaarmerkte afschriften ervan toezendt aan de regeringen bedoeld in artikel XIV, eerste lid, en aan de organisaties bedoeld in artikel XIV, vierde lid.
IN WITNESS WHEREOF the representatives duly authorized by their respective Governments have signed the present Convention.
DONE at Rio de Janeiro this fourteenth day of May 1966 in a single copy in the English, French and Spanish languages, each version being equally authoritative.