Verdrag inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten

Type Verdrag
Publication 2013-11-26
State In force
Source BWB
artikelen 14
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden

En

de Verenigde Arabische Emiraten,

hierna te noemen de verdragsluitende partijen,

Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door onderdanen van de ene verdragsluitende partij op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij,

In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de verdragsluitende partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen van belang is,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Veranderingen van de vorm van een investering doen geen afbreuk aan het feit dat zij als investering wordt aangemerkt.

Artikel 2. Bevordering van investeringen

1.

Elke verdragsluitende partij bevordert, binnen het kader van haar wetten en voorschriften, de economische samenwerking door middel van de bescherming op haar grondgebied van investeringen van onderdanen van de andere verdragsluitende partij. Met inachtneming van haar recht de door haar wetten of voorschriften verleende bevoegdheden uit te oefenen, staat elke verdragsluitende partij dergelijke investeringen toe.

2.

Beide verdragsluitende partijen erkennen het recht van elke verdragsluitende partij haar eigen niveau van binnenlandse milieubescherming en eigen duurzaam ontwikkelingsbeleid en prioriteiten vast te stellen en haar eigen wet- en regelgeving op milieugebied aan te nemen of te wijzigen en streven ernaar hun wet- en regelgeving zo veel mogelijk te blijven verbeteren.

3.

Elke verdragsluitende partij bevordert zo veel mogelijk en in overeenstemming met haar binnenlandse wetgeving de toepassing van de richtlijnen van de OESO voor multinationale ondernemingen, voor zover deze niet in tegenspraak zijn met hun binnenlandse wetten.

Artikel 3. Behandeling van investeringen

1.

Elke verdragsluitende partij waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van onderdanen van de andere verdragsluitende partij en belemmert niet, door onredelijke of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de vervreemding daarvan door deze onderdanen. Elke verdragsluitende partij kent aan die investeringen volledige fysieke zekerheid en bescherming toe.

2.

In het bijzonder kent elke verdragsluitende partij aan die investeringen een behandeling toe die in ieder geval niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan investeringen van haar eigen onderdanen of aan investeringen van onderdanen van een derde staat, naargelang van welke het gunstigst is voor de betrokken onderdaan.

3.

Indien een verdragsluitende partij onderdanen van een derde staat bijzondere voordelen heeft toegekend uit hoofde van overeenkomsten tot oprichting van douane-unies, economische unies, monetaire unies of soortgelijke instellingen, dan wel op grond van interim-overeenkomsten die tot zodanige unies of instellingen leiden, is die verdragsluitende partij niet verplicht deze voordelen toe te kennen aan onderdanen van de andere verdragsluitende partij.

4.

Elke verdragsluitende partij zorgt op haar grondgebied voor het opstellen en in stand houden van een algemeen wettelijk kader dat de continuïteit van de juridische behandeling voor de investeerder waarborgt, met inbegrip van alle aanvullende verplichtingen aangegaan tussen de verdragsluitende partij en de investeerder met betrekking tot zijn investeringen, alsmede het te goeder trouw nakomen van alle aangegane verplichtingen met betrekking tot specifieke investeerders.

5.

Indien naast dit Verdrag de wettelijke bepalingen van één van beide verdragsluitende partijen of verplichtingen krachtens internationale verdragen die thans tussen de verdragsluitende partijen bestaan of op een later tijdstip onderling worden aangegaan, een algemene of bijzondere regeling bevatten op grond waarvan investeringen door investeerders van de andere verdragsluitende partij aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan die welke in dit Verdrag is voorzien, heeft een dergelijke regeling, in zoverre zij gunstiger is, voorrang boven dit Verdrag.

Artikel 4. Fiscale behandeling

1.

Met betrekking tot belastingen, heffingen, lasten en verminderingen en vrijstellingen van belasting kent elke verdragsluitende partij met betrekking tot de exploitatie, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot en de vervreemding van de investering aan onderdanen van de andere verdragsluitende partij die zich op haar grondgebied met economische activiteiten bezighouden, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan haar eigen onderdanen of aan die van een derde staat die zich in dezelfde omstandigheden bevinden, naargelang van welke het gunstigst is voor de betrokken onderdanen. Hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met bijzondere belastingvoordelen door die partij toegekend:

2.

Niets in dit artikel wordt zo uitgelegd dat het een verdragsluitende partij de wettelijke verplichting oplegt de inwoner van de andere verdragsluitende partij het voordeel te doen genieten van een behandeling, voorkeur of voorrecht die aan een andere staat of zijn inwoners kan worden toegekend uit hoofde van de oprichting van een douane-unie, economische ruimte, bijzondere overeenkomst, vrijhandelsgebied of uit hoofde van enige regionale of subregionale regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op kapitaalverkeer of belastingheffing waarbij de genoemde staat partij kan zijn.

Artikel 5. Overmakingen

1.

De verdragsluitende partijen waarborgen dat betalingen die verband houden met een investering worden overgemaakt in overeenstemming met de beslissing van de onderdaan. De overmakingen geschieden in vrij inwisselbare valuta, zonder beperking of vertraging. Deze overmakingen omvatten in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

2.

Dit Verdrag mag niet zodanig worden uitgelegd dat de verdragsluitende partijen worden belet te goeder trouw hun verplichtingen na te komen die voortvloeien uit een maatregel aangenomen door een internationale organisatie die een economische en monetaire unie vormt, zoals de Europese Unie of de Samenwerkingsraad van de Golf, waarvan zij lid zijn met betrekking tot het kapitaalverkeer of betalingen die verband houden met investeringen tussen de lidstaten van genoemde organisaties en derde landen.

3.

De verdragsluitende partijen plegen overleg over de invoering van de ingevolge het tweede lid van dit artikel aangenomen maatregelen.

Artikel 6. Onteigening

Geen van de verdragsluitende partijen neemt maatregelen tot nationalisatie of andere maatregelen waardoor, direct of indirect, aan de onderdanen van de andere verdragsluitende partij hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Artikel 7. Schadeloosstelling voor verliezen

Aan onderdanen van de ene verdragsluitende partij die verliezen lijden met betrekking tot hun investeringen op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij wegens oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand, opstand, oproer of ongeregeldheden, wordt door de laatstbedoelde verdragsluitende partij wat betreft restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke die verdragsluitende partij toekent aan haar eigen onderdanen of aan onderdanen van een derde staat, naargelang van welke het gunstigst is voor de betrokken onderdanen.

Artikel 8. Subrogatie

1.

Indien de investeringen van een onderdaan van de ene verdragsluitende partij verzekerd zijn tegen niet-commerciële risico’s of anderszins aanleiding geven tot de betaling van schadevergoeding ter zake van die investeringen krachtens een bij wet, voorschrift of overheidscontract ingesteld stelsel, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar of de door de ene verdragsluitende partij aangewezen instantie in de rechten van de bedoelde onderdaan, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering of krachtens een andere gegeven schadeloosstelling, door de andere verdragsluitende partij erkend.

2.

Elke verdragsluitende partij kan verzoeken om overleg met de andere verdragsluitende partij inzake elke aangelegenheid die verband houdt met de subrogatie bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 9. Beslechting van geschillen tussen een onderdaan van een verdragsluitende partij en de andere verdragsluitende partij

1.

Met het oog op de beslechting van geschillen betreffende investeringen tussen een verdragsluitende partij en een onderdaan van de andere verdragsluitende partij vindt overleg plaats tussen de betrokken partijen teneinde de zaak in der minne te schikken.

2.

Indien dit overleg niet binnen drie maanden na de datum van het schriftelijk verzoek om overleg tot een oplossing leidt, kan de onderdaan het geschil voorleggen aan de bevoegde rechterlijke instantie van de verdragsluitende partij op het grondgebied waarvan de investering is gedaan.

3.

Een juridisch geschil betreffende een investering op het grondgebied van de Verenigde Arabische Emiraten kan alleen worden voorgelegd aan ICSID wanneer de onderdaan die partij is bij het geschil, het geschil eerst heeft voorgelegd aan de bevoegde rechterlijke instantie van de Verenigde Arabische Emiraten en het geschil niet tot tevredenheid van de onderdaan is beslecht.

Na zes maanden na de datum van het verzoek om overleg kan de onderdaan de zaak voorleggen aan het Internationale Centrum voor de Beslechting van Investeringsgeschillen (ICSID) ter beslechting door conciliatie of arbitrage krachtens het Verdrag inzake de beslechting van investeringsgeschillen tussen staten en onderdanen van andere staten, dat op 18 maart 1965 te Washington werd opengesteld voor ondertekening.

4.

Elke verdragsluitende partij stemt ermee in een juridisch geschil dat ontstaat tussen die verdragsluitende partij en een onderdaan van de andere verdragsluitende partij aangaande een investering van die onderdaan op het grondgebied van de eerstgenoemde verdragsluitende partij voor te leggen aan ICSID.

5.

Een rechtspersoon die is opgericht of tot stand is gekomen krachtens het recht dat van toepassing is op het grondgebied van een verdragsluitende partij en waarvan, voordat een dergelijk geschil ontstaat, de meerderheid van de aandelen in het bezit is van investeerders van de andere verdragsluitende partij, wordt [in overeenstemming met artikel 25, tweede lid, onderdeel b, van het Verdrag,] voor de toepassing van het Verdrag behandeld als een onderdaan van de andere verdragsluitende partij.

Artikel 10. Toepassing van het Verdrag

Dit Verdrag is van toepassing op alle investeringen, ongeacht of zij voor of na de inwerkingtreding ervan zijn gedaan, maar is niet van toepassing op enig geschil of enige vordering inzake een investering die reeds vóór de inwerkingtreding ervan is geregeld.

Artikel 11. Overleg

Elk van de verdragsluitende partijen kan aan de andere partij voorstellen overleg te plegen over een aangelegenheid betreffende de uitlegging of toepassing van het Verdrag. Dit overleg geschiedt op een plaats en een tijdstip langs diplomatieke weg overeen te komen door de verdragsluitende partijen.

Artikel 12. Beslechting van geschillen tussen de verdragsluitende partijen

1.

Enig geschil tussen de verdragsluitende partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn langs diplomatieke weg kan worden beslecht, wordt, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, op verzoek van een van beide partijen voorgelegd aan een uit drie leden samengesteld scheidsgerecht. Elke partij benoemt één scheidsman en de twee aldus benoemde scheidslieden benoemen tezamen een derde scheidsman tot hun voorzitter, die geen onderdaan is van een van de partijen maar onderdaan is van een derde staat die diplomatieke betrekkingen onderhoudt met beide verdragsluitende partijen.

2.

Indien een van de partijen verzuimt haar scheidsman te benoemen en indien zij binnen twee maanden geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere partij tot deze benoeming over te gaan, kan de laatstgenoemde partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten. De President overlegt met beide partijen en dit overleg vindt ten hoogste een maand nadat het verzoek aan de President is gedaan plaats.

3.

Indien de beide scheidslieden binnen twee maanden na hun benoeming geen overeenstemming kunnen bereiken over de keuze van de derde scheidsman, kan elk van de partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

4.

Indien in de in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde gevallen de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is de genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van een van beide verdragsluitende partijen, wordt de Vicepresident verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vicepresident verhinderd is de genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van een van beide partijen, wordt het lid van het Gerechtshof dat de hoogste anciënniteit heeft, beschikbaar is en geen onderdaan is van een van beide partijen, verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

5.

Het scheidsgerecht doet uitspraak op basis van eerbiediging van het recht. Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elk stadium van het geding een minnelijke schikking van het geschil aan de partijen voorstellen. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan regeling van het geschil ex aequo et bono, indien de partijen dit overeenkomen.

6.

Tenzij de partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

7.

Het tribunaal neemt zijn beslissing bij meerderheid van stemmen. Deze beslissing is onherroepelijk en bindend voor de partijen.

8.

Elke verdragsluitende partij draagt de kosten van haar eigen lid van het scheidsgerecht en van haar vertegenwoordiging in de arbitrageprocedure en de helft van de kosten van de voorzitter en de overige kosten. Het scheidsgerecht kan bij zijn beslissing evenwel bepalen dat een van de twee verdragsluitende partijen een groter deel van de kosten draagt en deze beslissing is bindend voor beide partijen.

Artikel 13. Territoriale toepassing

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft is dit Verdrag van toepassing in het Europese deel van Nederland, op Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in het Caribisch deel van Nederland (de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba), tenzij anders bepaald in de kennisgeving bedoeld in artikel 14, eerste lid.

Artikel 14. Inwerkingtreding, werkingsduur en beëindiging

1.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de verdragsluitende partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan hun grondwettelijk vereiste procedures is voldaan, en blijft van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar.

2.

Tenzij ten minste zes maanden voor de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur door een van beide verdragsluitende partijen mededeling van beëindiging is gedaan, wordt dit Verdrag telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van tien jaar, waarbij elke verdragsluitende partij zich het recht voorbehoudt het Verdrag te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste zes maanden voor de datum van het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid.

3.

Ten aanzien van investeringen die zijn gedaan voor de datum van beëindiging van dit Verdrag, blijven de voorgaande artikelen van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar vanaf die datum.

4.

Met inachtneming van de in het tweede lid van dit artikel genoemde termijn is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van een deel van het Koninkrijk afzonderlijk te beëindigen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende vertegenwoordigers, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Abu Dhabi op 26 november 2013 in de Arabische, de Nederlandse en de Engelse taal, waarbij alle drie de teksten authentiek zijn.

In geval van verschil in interpretatie is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

H.G.J. KAMP

Voor de Verenigde Arabische Emiraten,

OBAID HUMAID AL TAYER

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)