Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Federale Republiek Brazilië inzake luchtvervoer tussen Curaçao en Brazilië

Type Verdrag
Publication 2018-11-26
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao,

en

de regering van de Federale Republiek Brazilië (hierna te noemen „de Partijen”);

Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld ondertekening te Chicago op 7 december 1944;

Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de regionale en internationale burgerluchtvaart;

Geleid door de wens een verdrag te sluiten ten behoeve van het instellen en exploiteren van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald:

Artikel 2. Verlening van rechten
1.

Elke Partij verleent de andere Partij de volgende rechten voor het verrichten van luchtvervoer door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij:

2.

De luchtvaartmaatschappijen van elke Partij, anders dan die aangewezen uit hoofde van artikel 4 (Aanwijzing en verlening van vergunningen) van dit Verdrag genieten eveneens de rechten die omschreven zijn in het eerste lid, onderdelen a) en b), van dit artikel.

3.

Geen van de bepalingen van dit Verdrag wordt geacht een luchtvaartmaatschappij van een Partij het recht te geven op het grondgebied van de andere Partij passagiers, hun bagage, vracht of post op te nemen die worden vervoerd tegen vergoeding of beloning en bestemd zijn voor een ander punt op het grondgebied van die andere Partij.

Artikel 3. Verandering van luchtvaartuig
1.

Elke aangewezen luchtvaartmaatschappij kan naar eigen keuze op bepaalde of alle vluchten op de overeengekomen diensten van luchtvaartuig veranderen op het grondgebied van de andere Partij of op enig punt langs de omschreven routes, met dien verstande dat:

2.

Bij verandering van luchtvaartuig kan een aangewezen luchtvaartmaatschappij gebruikmaken van haar eigen uitrusting en, met inachtneming van de nationale voorschriften, van geleasede uitrusting, en kan zij de exploitatie verrichten overeenkomstig commerciële regelingen met een andere luchtvaartmaatschappij.

3.

Een aangewezen luchtvaartmaatschappij kan verschillende of dezelfde vluchtnummers gebruiken voor de sectoren waarop haar verandering van luchtvaartuig betrekking heeft.

Artikel 4. Aanwijzing en verlening van vergunningen
1.

De Regeringen van de Federale Republiek Brazilië en het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, hebben het recht een of meer luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor het verrichten van luchtvervoer tussen en via hun grondgebieden in overeenstemming met dit Verdrag en deze aanwijzingen in te trekken of te wijzigen. De andere Partij wordt langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis gesteld van dergelijke kennisgevingen.

2.

Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing en van een aanvraag van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven voor exploitatievergunningen, verleent de andere Partij de desbetreffende vergunningen met een zo gering mogelijke procedurele vertraging, op voorwaarde dat:

3.

Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing en van een aanvraag van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven voor exploitatievergunningen, verlenen de luchtvaartautoriteiten zonder onnodige vertraging de desbetreffende vergunning op voorwaarde dat de aangewezen luchtvaartmaatschappij voldoet aan de bepalingen van het tweede lid van dit artikel.

Artikel 5. Intrekking van vergunningen
1.

Elke Partij kan de exploitatievergunningen van een door de andere Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij intrekken, opschorten of beperken, wanneer:

2.

Tenzij onmiddellijk ingrijpen van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op het eerste lid van dit artikel, worden de in dit artikel vastgestelde rechten slechts uitgeoefend na overleg met de andere Partij.

Dergelijk overleg vindt plaats voor het verstrijken van dertig (30) dagen na het verzoek van een Partij, tenzij beide Partijen anders overeenkomen.

3.

Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten van de Partijen de exploitatievergunning van een of meerdere luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij in overeenstemming met artikel 8 (Veiligheid van de luchtvaart) te weigeren, in te trekken, te beperken of hieraan voorwaarden te verbinden.

Artikel 6. Toepassing van wetten
1.

Bij binnenkomst in, verblijf binnen of vertrek uit het grondgebied van de ene Partij dienen de luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij te voldoen aan de wetten en voorschriften van de eerstgenoemde Partij met betrekking tot de exploitatie van en het vliegen met luchtvaartuigen.

2.

Bij binnenkomst in, verblijf binnen of vertrek uit het grondgebied van de ene Partij, dienen haar wetten en voorschriften inzake de toelating tot of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanning of vracht aan boord van luchtvaartuigen (met inbegrip van voorschriften met betrekking tot binnenkomst, inklaring, veiligheid van de luchtvaart, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine of, in het geval van post, postale voorschriften) te worden nageleefd door of vanwege de passagiers, bemanning of met betrekking tot de vracht van de luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij.

3.

Geen van de Partijen begunstigt haar eigen of een andere luchtvaartmaatschappij ten opzichte van een luchtvaartmaatschappij van de andere Partij die soortgelijke internationale luchtvervoerdiensten verrichten bij de toepassing van haar voorschriften inzake immigratie, douane, quarantaine en soortgelijke voorschriften.

4.

Passagiers, bagage, vracht en post in directe transit worden slechts aan een vereenvoudigde controle onderworpen. Bagage en vracht in directe transit zijn vrijgesteld van douanerechten en andere vergelijkbare rechten.

Artikel 7. Veiligheid
1.

Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen uitgereikt of geldig verklaard door de ene Partij worden ten behoeve van de exploitatie van het luchtvervoer voorzien in dit Verdrag door de andere Partij erkend als geldig en nog van kracht, mits de vereisten voor deze bewijzen of vergunningen ten minste gelijk zijn aan de minimumnormen die kunnen worden vastgesteld uit hoofde van het Verdrag van Chicago.

2.

Indien de voorrechten of voorwaarden van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde vergunningen of bewijzen, afgegeven door de luchtvaartautoriteiten van een Partij aan een persoon of aangewezen luchtvaartmaatschappij of voor een luchtvaartuig dat gebruikt wordt voor de exploitatie van de overeengekomen diensten, een afwijking toestaan van de krachtens het Verdrag van Chicago vastgestelde minimumnormen, welke afwijking is geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), kan de andere Partij verzoeken om overleg tussen de luchtvaartautoriteiten teneinde helderheid te verschaffen over het gebruik in kwestie.

3.

Elke Partij kan voor vluchten boven of landingen op haar grondgebied evenwel weigeren bewijzen van bevoegdheid en vergunningen te erkennen die aan haar eigen onderdanen zijn verstrekt of geldig verklaard door de andere Partij.

4.

Elke Partij kan verzoeken om overleg over de veiligheidsnormen die door de andere Partij worden gehandhaafd met betrekking tot luchtvaartvoorzieningen, bemanning, luchtvaartuigen en de exploitatie van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig (30) dagen na dat verzoek.

5.

Indien na dergelijk overleg een Partij oordeelt dat de andere Partij op de gebieden bedoeld in het vierde lid niet op doeltreffende wijze veiligheidsnormen en eisen handhaaft en toepast die ten minste gelijk zijn aan de minimumnormen die op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago kunnen zijn vastgesteld, stelt de eerstgenoemde Partij de andere Partij in kennis van dit oordeel en de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan die minimumnormen, en die andere Partij neemt passende corrigerende maatregelen binnen een overeengekomen termijn. Elke Partij behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning van een door de andere Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen te weigeren, in te trekken of te beperken, in het geval de andere Partij nalaat binnen een redelijke termijn passende corrigerende maatregelen te nemen.

6.

Ingevolge artikel 16 van het Verdrag van Chicago wordt voorts overeengekomen dat een luchtvaartuig dat door of namens een luchtvaartmaatschappij van de ene Partij wordt gebruikt voor diensten naar of vanuit het grondgebied van een andere partij, terwijl het zich op het grondgebied van de andere Partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere Partij, mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging bij de exploitatie van het luchtvaartuig.

Onverminderd de verplichtingen bedoeld in artikel 33 van het Verdrag van Chicago wordt met deze inspectie beoogd de geldigheid van de relevante documenten van het luchtvaartuig en die van de bemanning te controleren en te controleren of de uitrusting en de toestand van het luchtvaartuig voldoen aan de normen die op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag van Chicago waren vastgesteld.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.