Verdrag en Statuut nopens het Internationale Spoorwegregime

Type Verdrag
Publication 1928-05-22
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Duitschland, Oostenrijk, België, Brazilië, Groot-Britannië (met Nieuw-Zeeland en Britsch-Indië), Bulgarije, Chili, Denemarken, de Vrije Stad Dantzig, Spanje, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Japan, Letland, Lithauen, Noorwegen, Nederland, Polen, Portugal, Roemenië, Salvador, Koninkrijk der Serven, Kroaten en Slovenen, Siam, Zweden, Zwitserland, Tsjechoslowakije en Uruguay,

Wenschende de vrijheid van verkeer en doorvoer te verzekeren en in stand te houden en te dien einde de ontwikkeling van de internationale samenwerking inzake de organisatie en de regeling van het spoorwegverkeer te bevorderen;

Eveneens wenschende in het internationale spoorwegregime de toepassing van het beginsel van een rechtvaardige behandeling van den handel te verzekeren;

Overwegende, dat de beste wijze om het voorgestelde doel te bereiken is het sluiten van een algemeen verdrag, waartoe later een zoo groot mogelijk aantal Staten zal kunnen toetreden;

Erkennende, dat het internationaal overleg inzake het spoorwegverkeer reeds het onderwerp is geweest van vele bijzondere overeenkomsten tusschen Staten en tusschen spoorwegadministraties en dat juist door middel van zoodanige bijzondere overeenkomsten, waarbij beginselen, neergelegd in een algemeen verdrag, in onderdeelen worden uitgewerkt, internationale samenwerking op dit gebied het meest doelmatig kan worden bevorderd;

Overwegende echter, dat zonder de vrije ontwikkeling van deze bijzondere overeenkomsten of de rechtstreeksche betrekkingen en het rechtstreeksch overleg tusschen de spoorwegadministraties te belemmeren en zonder inbreuk te maken op de rechten van souvereiniteit en gezag der Staten, integendeel door de uitwerking van een bondige en stelselmatige regeling van de internationale verplichtingen, die inzake internationaal spoorwegverkeer worden erkend, aan de beginselen, die reeds tusschen zekere Staten of tusschen zekere administraties gelden, de grootst mogelijke uitbreiding zal kunnen worden gegeven en in de toekomst overeenkomstig de behoeften van de ontwikkeling van het internationale verkeer, het in zoo ruim mogelijke mate sluiten van nieuwe bijzondere verdragen zal kunnen worden bevorderd;

Overwegende, dat de Conferentie, die op 10 Maart 1921 op uitnoodiging van den Volkenbond te Barcelona bijeen kwam, den wensch heeft uitgesproken, dat een algemeen verdrag inzake het internationale spoorwegregime binnen een tijdsverloop van twee jaar zou worden gesloten, dat de Conferentie, welke op 10 April 1922 te Genua bijeen kwam, in een resolutie, die met de goedkeuring van den Raad en de Vergadering van den Volkenbond is overgebracht aan de bevoegde organen van den Bond, gevraagd heeft, dat zoo spoedig mogelijk zouden worden gesloten en in werking gesteld de internationale verdragen met betrekking tot het verkeerswezen als bedoeld in de vredesverdragen, en voorts overwegende, dat art. 379 van het Verdrag van Versailles en de overeenkomstige artikelen van de andere verdragen de uitwerking van een algemeen verdrag nopens het internationale spoorwegregime in uitzicht hebben gesteld;

De uitnoodiging aangenomen hebbende van den Volkenbond om aan een te Genève op 15 November 1923 bijeengekomen Conferentie deel te nemen;

Wenschende de bepalingen van het Statuut nopens het internationale spoorwegregime, dat aldaar is aangenomen, in werking te doen treden, en te dien einde een algemeen verdrag te sluiten:

Hebben de Hooge Verdragsluitende Partijen tot hare gevolmachtigden benoemd:

(Zie de namen der gevolmachtigden in den tekst van het verdrag.)

die, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, omtrent het volgende zijn overeengekomen:

Artikel 1

De Verdragstaten verklaren het bijgevoegde Statuut nopens het internationale spoorwegregime, aangenomen door de Tweede Algemeene Conferentie voor Verkeer en Doorvoer, die op 15 November 1923 te Genève bijeen is gekomen, te aanvaarden.

Dat Statuut zal beschouwd worden als een ondeelbaar geheel vormende met dit verdrag.

Bijgevolg verklaren zij aan te nemen de verplichtingen en verbintenissen van genoemd Statuut, overeenkomstig de bewoordingen ervan en volgens de erin vervatte voorwaarden.

Artikel 2

Dit verdrag laat onaangetast de rechten en verplichtingen, die voortvloeien uit de bepalingen van het Vredesverdrag, geteekend te Versailles op 28 Juni 1919, of uit de bepalingen der andere soortgelijke verdragen, voor zooveel betreft de Mogendheden, die de genoemde verdragen hebben onderteekend of die er voordeelen aan ontleenen.

Artikel 3

Dit verdrag, waarvan de Fransche en de Engelsche tekst beide als authentiek zullen gelden, zal de dagteekening dragen van heden en zal tot op 31 October 1924 geteekend kunnen worden door iederen Staat, die op de Conferentie van Genève vertegenwoordigd was, door ieder lid van den Volkenbond en door iederen Staat, aan wien de Raad van den Volkenbond te dien einde een exemplaar van dit verdrag zal hebben doen toekomen.

Artikel 4

Dit verdrag is onderworpen aan bekrachtiging. De bekrachtigingsoorkonden zullen worden toegezonden aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst zal kennis geven aan alle Staten, die het verdrag hebben onderteekend of tot het verdrag zijn toegetreden.

Artikel 5

Van 1 November 1924 af zal iedere Staat, die vertegenwoordigd was op de in art. 1 bedoelde Conferentie, ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat, aan wien de Raad van den Volkenbond te dien einde een exemplaar van het verdrag heeft doen toekomen, tot dit verdrag kunnen toetreden.

Deze toetreding zal geschieden door middel van een oorkonde, die aan den Secretaris-Generaal van den VoIkenbond wordt toegezonden, teneinde in de archieven van het Secretariaat te worden nedergelegd. De Secretaris-Generaal zal van die nederlegging onmiddellijk kennis geven aan alle Staten, die het verdrag hebben onderteekend of tot het verdrag zijn toegetreden.

Artikel 6

Dit verdrag zal slechts in werking treden, wanneer het door vijf Staten bekrachtigd zal zijn. Datum van inwerkingtreding zal zijn de negentigste dag na ontvangst van de vijfde bekrachtiging door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. Daarna zal dit verdrag van kracht worden, voor wat betreft elk der Partijen, negentig dagen na de ontvangst van hare bekrachtiging of de kennisgeving van hare toetreding.

Overeenkomstig de bepalingen van art. 18 van het Volkenbondverdrag zal de Secretaris-Generaal dit verdrag registreeren op den dag, waarop het in werking treedt.

Artikel 7

Een bijzonder register zal gehouden worden door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, aangevend, met inachtneming van art. 9, welke Partijen dit verdrag hebben onderteekend of bekrachtigd, er toe zijn toegetreden of het hebben opgezegd. Dat register zal voortdurend ter inzage zijn voor de Leden van den Bond en zal zoo veelvuldig mogelijk openbaar gemaakt worden volgens de aanwijzingen van den Raad.

Artikel 8

Onder voorbehoud van de bepalingen van art. 2 van dit verdrag, kan het door elke Partij worden opgezegd na het verstrijken van een termijn van vijf jaren, te rekenen van den datum waarop het voor die Partij in werking is getreden. Opzegging zal geschieden in den vorm van een schriftelijke kennisgeving, gericht tot den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. Een afschrift van deze kennisgeving zal door den Secretaris-Generaal onmiddellijk worden gezonden aan alle andere Partijen, onder mededeeling van den datum waarop zij ontvangen is.

De opzegging zal van kracht worden een jaar na den datum, waarop zij door den Secretaris-Generaal ontvangen is, en zal slechts gevolg hebben ten opzichte van den Staat, die er van kennis heeft gegeven.

Artikel 9

Iedere Staat, dit dit verdrag onderteekent of tot dit verdrag toetreedt, kan, op het oogenblik hetzij van zijn onderteekening, hetzij van zijn bekrachtiging, hetzij van zijn toetreding verklaren, dat zijn aanvaarding van dit verdrag niet bindend is voor alle of eenige zijner protectoraten, koloniën, bezittingen of overzeesche gebieden, welke aan zijn souvereiniteit of gezag zijn onderworpen; zoodanige Staat kan later, overeenkomstig art. 5, afzonderlijk toetreden voor de protectoraten, koloniën, bezittingen of overzeesche gebieden, die door deze verklaring waren uitgesloten.

De opzegging zal eveneens afzonderlijk kunnen geschieden voor ieder protectoraat, kolonie, bezitting of overzeesch gebied; de bepalingen van art. 8 zullen op deze opzegging van toepassing zijn.

Artikel 10

Telkens na verloop van een termijn van vijf jaren na het van kracht worden van dit verdrag, zullen vijf Verdragstaten kunnen vragen tot herziening van dit verdrag over te gaan. Op ieder ander tijdstip zal een verzoek tot herziening kunnen worden gedaan door een derde van de Verdragstaten.

Deel I. Internationaal Spoorwegverkeer.

HOOFDSTUK I. Aansluiting van internationale lijnen.

Artikel 1

Teneinde tusschen hun spoorwegnetten de verbindingen tot stand te brengen, die beantwoorden aan de behoeften van het internationale verkeer, komen de Verdragstaten overeen:

De voorafgaande bepalingen brengen geenerlei verplichting mede met betrekking tot lijnen, die aangelegd zijn in het belang van een bepaalde streek of van de nationale verdediging.

Artikel 2

Met het oog op het belang dat in het algemeen zij die van een spoorweg gebruik maken, en in het bijzonder de reizigers, erbij hebben, dat de verschillende formaliteiten van het verlaten van het ééne en het binnenkomen van het andere land in eenzelfde plaats geschieden, zullen de Staten, die van oordeel zijn, dat niet overwegingen van anderen aard zich hiertegen verzetten, er naar streven dit denkbeeld te verwezenlijken, hetzij door het instellen van gemeenschappelijke grensstations of althans van gemeenschappelijke stations voor iedere richting, of door eenig ander geschikt middel.

De Staat, op wiens grondgebied het gemeenschappelijke grensstation gelegen is, zal aan den anderen Staat alle faciliteiten verleenen voor het oprichten en instandhouden van de bureau's die noodig zijn voor de voor het internationale verkeer onmisbare diensten.

Artikel 3

De Staat op wiens grondgebied de verbindingslijnen of de grensstations gelegen zijn, zal, zonder dat inbreuk wordt gemaakt op zijn souvereiniteits- of gezagsrechten die onaangetast blijven, hulp en bijstand verleenen aan de Staats- of spoorwegambtenaren van den anderen Staat in de uitoefening van hun functie, teneinde het internationale verkeer te bevorderen.

HOOFDSTUK II. Maatregelen te nemen in het belang van het internationale verkeer.

Artikel 4

De Verdragstaten, de noodzakelijkheid erkennende om de exploitatie van de spoorwegen te doen geschieden met de soepelheid, noodig om te voldoen aan de veelzijdige behoeften van het verkeer, geven als hun voornemen te kennen de vrijheid van deze exploitatie onaangetast te laten, met dien verstande dat er voor gewaakt zal worden dat deze vrijheid wordt uitgeoefend zonder schade voor het internationale verkeer.

Zij verbinden zich aan het internationale verkeer redelijke faciliteiten te verleenen en zich te onthouden van iedere onderscheiding, die een onwelwillend karakter zou dragen ten opzichte van andere Verdragstaten, hun onderdanen of hun schepen.

De bepalingen van dit artikel komen niet alleen ten goede aan doorvoer beheerscht door een enkelvoudig contract, zij hebben eveneens betrekking op doorvoeren als bedoeld in artt. 21 en 22 van dit Statuut, op de voorwaarden als aangegeven in deze artikelen.

Artikel 5

Wat betreft de aan het internationale verkeer van reizigers en bagage te verleenen faciliteiten, zullen de diensten zoodanig zijn ingericht, dat de dienstregelingen gunstiger zullen zijn en aan hoogere eischen betreffende snelheid en gemak zullen voldoen naarmate de diensten een meer belangrijk verkeer verzorgen.

Artikel 6

Wat betreft de aan het internationale goederenverkeer te verleenen faciliteiten, zullen de diensten zoodanig zijn ingericht, dat de snelheid en regelmatigheid grooter is naarmate de diensten een belangrijker verkeer verzorgen.

De Staten zullen technische maatregelen van welken aard ook aanmoedigen, die kunnen strekken om op de lijnen, waarlangs een bij uitstek belangrijk internationaal verkeer plaats heeft, ook een bij uitstek doelmatigen dienst te verzekeren.

Artikel 7

Ingeval het internationale verkeer op een bepaalde route tijdelijk gestaakt of beperkt is, zullen de exploiteerende administraties, voor zoover het in haar macht ligt hierin verbetering te brengen, ernaar streven om zoo spoedig mogelijk een normalen dienst te herstellen en inmiddels het verkeer langs een andere route te leiden met de medewerking, voor zoover noodig, van de administraties van andere Staten, die met haar lijnen bijstand zouden kunnen verleenen.

Artikel 8

De Verdragstaten zullen de douane- en politieformaliteiten zoodanig regelen, dat het internationale verkeer zoo weinig mogelijk wordt belemmerd en vertraagd. Dezelfde verplichting geldt ten aanzien van formaliteiten ter zake van paspoorten, voor zoover deze worden gevorderd.

De Verdragstaten zullen in het bijzonder de maatregelen aanmoedigen, strekkende om de in de grensstations te verrichten formaliteiten te beperken, en met name bevorderen, dat overeenkomsten worden gesloten inzake de sluiting van wagens en de verzegeling van bagage in douaneverkeer, evenals alle regelingen die het mogelijk maken het vervullen van de douaneformaliteiten binnen in het land te doen geschieden.

Deel II. Wederzijdsch gebruik van rollend materieel en technische eenheid.

Artikel 9

De Verdragstaten zullen, voor zoover de omstandigheden redelijkerwijze toelaten, de spoorwegadministraties, die onder hun souvereiniteit of hun gezag zijn geplaatst en waarvan de lijnen een doorloopend net van wegen van dezelfde spoorwijdte vormen, opwekken onderling overeenkomsten te sluiten, strekkende tot al zoodanige maatregelen, geschikt om de uitwisseling en het wederzijdsche gebruik van rollend materieel mogelijk te maken en te vergemakkelijken.

Deze overeenkomsten zullen eveneens kunnen strekken tot het verleenen van bijstand door het leveren van leege wagens, ingeval deze bijstand noodzakelijk is om te voldoen aan de behoeften van het internationale verkeer.

Onder maatregelen als bedoeld in de bovenvermelde overeenkomsten zijn niet begrepen die maatregelen, die wijzigingen zonden medebrengen in de essentieele eigenaardigheden van een spoorwegnet of van het rollend materieel.

In de gevallen echter, waarin zoodanige wijzigingen bijzonder wenschelijk zouden schijnen met het oog op den omvang van het verkeer en de geringe moeite die de aanpassing zou medebrengen, komen de betrokken Verdragstaten overeen elkander onverwijld alle voorstellen mede te deelen, die zoodanige wijzigingen ten doel hebben en deze voorstellen op welwillende wijze te onderzoeken.

Artikel 10

Teneinde het wederzijdsch gebruik van rollend materieel te vergemakkelijken, zullen de Verdragstaten het tot stand komen van overeenkomsten, die de technische eenheid van de spoorwegen beoogen, bevorderen, met name nopens den bouw en het onderhoud van het rollend materieel, evenals de belasting van de wagens, in zooverre als dit bevorderlijk kan zijn voor de goede uitvoering van het internationale verkeer.

Teneinde aan het internationale verkeer alle wenschelijke faciliteiten en veiligheid te verzekeren, zullen deze overeenkomsten, met name voor zoover betreft de groepen van aangrenzende gebieden, streven naar het brengen van eenheid in de voorwaarden van den bouw en de technische inrichting van de spoorwegen.

Artikel 11

Bijzondere overeenkomsten zullen kunnen voorzien in het verleenen van bijstand met locomotieven en ingeval het desbetreffende internationale verkeer dit zou vereischen, van brandstoffen of van electrische energie.

Artikel 12

Bijzondere overeenkomsten tusschen de Staten zullen kunnen vaststellen, dat het rollend materieel van een administratie, met inbegrip van de locomotieven, evenals van alle roerende goederen, die aan deze administratie toebehooren en in dit materieel zijn begrepen, op het grondgebied van een anderen Staat dan van dien waaronder de spoorwegadministratie die de eigenaar is ressorteert, niet zullen kunnen worden in beslag genomen dan krachtens een vonnis gewezen door de rechterlijke autoriteit van dien laatsten Staat.

Artikel 13

Het gebruik en de circulatie in het internationale verkeer van wagens van particulieren of van andere lichamen dan spoorwegadministraties zullen het onderwerp uitmaken van bijzondere overeenkomsten.

Deel III. Verhouding tusschen den spoorweg en de personen die er gebruik van maken.

Artikel 14

In het belang van het internationale verkeer zullen de Verdragstaten, voor zoover de omstandigheden redelijkerwijze toelaten, bevorderen, dat overeenkomsten tot stand komen, die het gebruik van een enkelvoudig contract voor het geheele vervoer mogelijk maken; bij deze overeenkomst zal men trachten een zoo groot mogelijke eenvormigheid te verkrijgen ten aanzien van de voorwaarden, betrekking hebbende op de uitvoering van het directe contract door ieder van de spoorwegmaatschappijen, die bij het vervoer betrokken zijn.

Artikel 15

Bij gebreke van vaststelling van een enkelvoudig vervoercontract zullen redelijke faciliteiten worden gegeven voor de uitvoering, op den grondslag van opvolgende contracten, van het vervoer, dat zich over de spoorwegen van twee of meer Verdragstaten uitstrekt.

Artikel 16

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.