Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kazachstan inzake luchtdiensten

Type Verdrag
Publication 2002-11-27
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kazachstan, hierna in dit Verdrag te noemen de Verdragsluitende Partijen,

Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944,

Geleid door de wens in aanvulling op bedoeld Verdrag een verdrag te sluiten ten behoeve van de instelling van geregelde luchtdiensten tussen en via de grondgebieden van de Staten van de Verdragsluitende Partijen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij het zinsverband anders vereist, verstaan onder:

Artikel 2. Verkeersrechten
1.

Elke Verdragsluitende Partij verleent de andere Verdragsluitende Partij de onderstaande rechten ten aanzien van haar geregelde internationale luchtdiensten:

Deze diensten en routes, vermeld in de Bijlage bij dit Verdrag, worden hierna respectievelijk „de overeengekomen diensten” en „de omschreven routes” genoemd.

2.

Geen van de bepalingen van dit artikel wordt geacht de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de ene Verdragsluitende Partij het recht te verlenen op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij passagiers en vracht, met inbegrip van post, vervoerd tegen vergoeding of beloning en bestemd voor een ander punt op het grondgebied van de Staat van die andere Verdragsluitende Partij, aan boord te nemen.

Artikel 3. Vergunningen
1.

Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht schriftelijk aan de andere Verdragsluitende Partij twee luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes.

2.

Na ontvangst van deze aanwijzing verlenen de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij, met inachtneming van het bepaalde in het vierde en vijfde lid van dit artikel, onverwijld de passende exploitatievergunningen aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en).

3.

Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere Verdragsluitende Partij, de aanwijzing van deze luchtvaartmaatschappij(en) in te trekken en een of meerdere andere luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen.

4.

Van de door een van de Verdragsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) kan worden verlangd dat zij ten genoegen van de andere Verdragsluitende Partij aantonen dat zij in staat zijn te voldoen aan de voorwaarden voorgeschreven in de wetten en voorschriften die gewoonlijk en redelijkerwijze door die Verdragsluitende Partij worden toegepast op de exploitatie van internationale luchtdiensten in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag.

5.

Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht de verlening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunningen te weigeren of de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden aan de uitoefening door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de in artikel 2 van dit Verdrag genoemde rechten in gevallen waarin niet ten genoegen van bedoelde Verdragsluitende Partij is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij(en) berusten bij de Verdragsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij(en) aanwijst of bij haar onderdanen.

6.

De aldus aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) aan welke een vergunning is verleend, kan (kunnen) op elk tijdstip de exploitatie van de overeengekomen diensten aanvangen, mits een tarief, vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 12 van dit Verdrag, van kracht is.

Artikel 4. Opschorting intrekking
1.

Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht de uitoefening van de rechten omschreven in artikel 2 van dit Verdrag door een of meerdere door de andere Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappijen op te schorten of de exploitatievergunning in te trekken dan wel de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden aan de uitoefening van deze rechten te verbinden:

2.

Tenzij onmiddellijke opschorting, intrekking of het opleggen van de in het eerste lid van dit artikel genoemde voorwaarden van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op de wetten of voorschriften, wordt dit recht slechts uitgeoefend na overleg met de andere Verdragsluitende Partij. Tenzij anders door de Verdragsluitende Partijen is overeengekomen, vangt dit overleg aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek ter zake.

Artikel 5. Toepassing van wetten, voorschriften en procedures
1.

De wetten, voorschriften en procedures van de Staat van de ene Verdragsluitende Partij betreffende de binnenkomst in, het verblijf op en het vertrek uit het grondgebied van haar Staat van in internationaal luchtverkeer gebruikte luchtvaartuigen zijn van toepassing op de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij.

2.

De wetten, voorschriften en procedures van de Staat van de ene Verdragsluitende Partij betreffende de binnenkomst in, het verblijf op en het vertrek uit het grondgebied van haar Staat van passagiers, bemanning, bagage, vracht of post, zoals de formaliteiten betreffende binnenkomst, vertrek, emigratie en immigratie, alsmede douaneprocedures en sanitaire procedures, zijn van toepassing op passagiers, bemanning, bagage, vracht of post vervoerd door luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij terwijl zij zich op genoemd grondgebied bevinden.

3.

Geen van beide Verdragsluitende Partijen mag haar eigen luchtvaartmaatschappij(en) begunstigen ten opzichte van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij bij de toepassing van haar wetten en voorschriften zoals bedoeld in dit artikel.

Artikel 6. Ten aanzien van de capaciteit geldende beginselen

De op de overeengekomen diensten te exploiteren capaciteit is onderworpen aan de volgende voorwaarden:

Artikel 7. Erkenning van bewijzen en vergunningen
1.

Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door de ene Verdragsluitende Partij zijn afgegeven of geldig verklaard en die nog niet zijn verlopen, worden door de andere Verdragsluitende Partij als geldig erkend voor de exploitatie van de overeengekomen diensten.

2.

Elke Verdragsluitende Partij behoudt zich evenwel het recht voor om voor vluchten boven het grondgebied van haar Staat de erkenning te weigeren van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door een andere Staat aan haar eigen onderdanen zijn verstrekt of door deze geldig zijn verklaard.

Artikel 8. Vrijstelling van douanerechten en andere rechten
1.

Luchtvaartuigen die door de door elke Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) worden gebruikt voor internationale diensten, alsmede hun normale uitrustingsstukken, voorraden brandstof en smeermiddelen en proviand (d.w.z. consumptiegoederen bestemd voor gebruik of verkoop aan boord van een luchtvaartuig tijdens de vlucht, met inbegrip van etenswaren, dranken en tabaksartikelen) die zich aan boord van deze luchtvaartuigen bevinden, zijn vrijgesteld van alle douanerechten, inspectiekosten en andere rechten of belastingen bij binnenkomst op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij, mits deze uitrusting en voorraden aan boord van de luchtvaartuigen blijven totdat zij opnieuw worden uitgevoerd.

2.

Van deze rechten en belastingen en andere vergoedingen, uitgezonderd de vergoedingen voor verleende diensten, zijn voorts vrijgesteld:

Ten aanzien van de in het tweede lid, in de letters a, b, c en d bedoelde goederen kan worden verlangd dat deze onder het toezicht of beheer van de douane blijven.

3.

De normale uitrustingsstukken, alsmede de goederen en voorraden aan boord van de luchtvaartuigen van een van de Verdragsluitende Partijen kunnen op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van die Verdragsluitende Partij. In alle gevallen kunnen zij onder het toezicht van genoemde autoriteiten worden geplaatst tot het tijdstip waarop zij weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.

Artikel 9. Rechtstreeks doorgaand verkeer
1.

Passagiers, bagage, vracht en post in rechtstreeks doorgaand verkeer over het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen die de zone van de luchthaven die daarvoor is gereserveerd niet verlaten, worden, behalve wat veiligheidsmaatregelen tegen geweld, luchtpiraterij en smokkel van verdovende middelen betreft, slechts aan een vereenvoudigde controle onderworpen.

2.

Bagage, vracht en post in rechtstreeks doorgaand verkeer zijn vrijgesteld van douanerechten en invoerbelastingen.

Artikel 10. Veiligheid van de luchtvaart
1.

De Verdragsluitende Partijen bevestigen opnieuw, in overeenstemming met hun rechten en plichten krachtens het internationale recht, hun wederzijdse verplichting de veiligheid van de burgerluchtvaart te beschermen tegen wederrechtelijke gedragingen. Zonder de algemene geldigheid van hun rechten en plichten krachtens het internationale recht te beperken, handelen de Verdragsluitende Partijen in het bijzonder in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen, begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te Den Haag op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971 en het Aanvullend Protocol daarbij tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 24 februari 1988, alsmede andere verdragen inzake de veiligheid van de luchtvaart waarbij de twee Verdragsluitende Partijen partij worden.

2.

De Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar op verzoek alle bijstand die nodig is ter voorkoming van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, hun passagiers en bemanning, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen en elke andere bedreiging van de veiligheid van de burgerluchtvaart.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.