Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Chili inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen

Type Verdrag
Publication 1998-11-30
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Chili, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens de vriendschappelijke betrekkingen tussen beide landen verder te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, wat betreft investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, met name wat betreft de overmaking van kapitaal,

In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke buitenlandse investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2. Bevordering en toelating van investeringen

Elke Verdragsluitende Partij bevordert, binnen het kader van haar wetten en voorschriften en conform haar algemene beleid op het gebied van buitenlandse investeringen, de economische samenwerking door middel van de bescherming op haar grondgebied van investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij. Met inachtneming van het recht van elke Verdragsluitende Partij de door haar wetten of voorschriften verleende bevoegdheden uit te oefenen, staat elke Verdragsluitende Partij dergelijke investeringen toe.

Artikel 3. Behandeling van investeringen
1.

Elke Verdragsluitende Partij waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij en belemmert niet, door onredelijke of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de vervreemding daarvan door deze onderdanen. Elke Verdragsluitende Partij kent aan die investeringen volledige zekerheid en bescherming toe.

2.

In het bijzonder kent elke Verdragsluitende Partij aan die investeringen een behandeling toe die in ieder geval niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan investeringen van haar eigen onderdanen of aan investeringen van onderdanen van een derde staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdaan.

3.

Indien een Verdragsluitende Partij onderdanen van een derde staat bijzondere voordelen heeft toegekend uit hoofde van overeenkomsten tot oprichting van een vrijhandelsakkoord, een douane-unie, een economische unie, een gemeenschappelijke markt, een monetaire unie of soortgelijke instelling, dan wel op grond van interim-overeenkomsten die tot zodanige unies of instellingen leiden, is die Verdragsluitende Partij niet verplicht zodanige voordelen toe te kennen aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij.

4.

Elke Verdragsluitende Partij komt alle verplichtingen na die zij is aangegaan met betrekking tot investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij.

5.

Indien naast dit Verdrag de wettelijke bepalingen van één van beide Verdragsluitende Partijen of verplichtingen krachtens internationaal recht die thans tussen de Verdragsluitende Partijen bestaan of op een later tijdstip onderling worden aangegaan, een algemene of bijzondere regeling bevatten op grond waarvan investeringen door onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan in dit Verdrag is voorzien, heeft een dergelijke regeling, in zoverre zij gunstiger is, voorrang boven dit Verdrag.

Artikel 4. Belasting

Met betrekking tot belastingen, heffingen, lasten en verminderingen en vrijstellingen van belasting kent iedere Verdragsluitende Partij aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij die zich op haar grondgebied met economische activiteiten bezighouden, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan haar eigen onderdanen of aan die van een derde staat die zich in dezelfde omstandigheden bevinden, naar gelang van welke het gunstigst is voor de betrokken onderdanen. Hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met bijzondere belastingvoordelen door die Partij toegekend:

Artikel 5. Vrije overmaking
1.

Elke Verdragsluitende Partij waarborgt dat betalingen die verband houden met een investering kunnen worden overgemaakt. De overmakingen geschieden in vrij inwisselbare valuta, zonder vertraging. Deze overmakingen omvatten in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

2.

De overmakingen geschieden tegen de commerciële koers die op de datum van overmakingen volgens de geldende wisselvoorschriften van toepassing is.

Artikel 6. Onteigening en schadeloosstelling

Geen der Verdragsluitende Partijen neemt maatregelen waardoor direct of indirect aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Artikel 7. Schadeloosstelling voor verliezen

Aan onderdanen van een Verdragsluitende Partij die verliezen lijden met betrekking tot hun investeringen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij wegens oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand, opstand, oproer of ongeregeldheden, wordt door de laatstgenoemde Verdragsluitende Partij wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling betreft, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke die Verdragsluitende Partij toekent aan haar eigen onderdanen of aan onderdanen van een derde staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen.

Artikel 8. Subrogatie
1.

Indien de investeringen van een onderdaan van de ene Verdragsluitende Partij verzekerd zijn tegen niet-commerciële risico's krachtens een bij wet, voorschrift of overheidscontract ingesteld stelsel, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar of de door de ene Verdragsluitende Partij aangewezen instantie in de rechten van de bedoelde onderdaan, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering of krachtens een andere toegekende schadeloosstelling, door de andere Verdragsluitende Partij erkend.

2.

Wanneer een Verdragsluitende Partij een betaling heeft gedaan aan haar onderdaan en uit hoofde daarvan diens rechten en vorderingen heeft overgenomen, oefent die onderdaan die rechten en vorderingen jegens de andere Verdragsluitende Partij niet uit zonder de uitdrukkelijke toestemming van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij.

Artikel 9. Beslechting van geschillen tussen de Verdragsluitende Partij en een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij
1.

Juridische geschillen tussen een Verdragsluitende Partij en een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij met betrekking tot een investering van laatstgenoemde op het grondgebied van eerstgenoemde worden, voor zover mogelijk, in der minne geschikt.

2.

Indien over een dergelijk geschil geen overeenstemming wordt bereikt overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel binnen een periode van drie maanden na de datum waarop een partij bij het geschil om minnelijke schikking heeft verzocht, wordt het geschil op verzoek van de betrokken onderdaan onderworpen aan hetzij de gerechtelijke procedures waarin de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de investering is gedaan voorziet, hetzij internationale arbitrage.

3.

Indien het meningsverschil is voorgelegd aan het bevoegde rechtscollege van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de investering is gedaan, mag verwijzing naar het internationale scheidsgerecht alleen plaatsvinden binnen dertig dagen na de datum waarop het antwoord op de eis bekend is gemaakt, of, indien het bevoegde rechtscollege geen definitieve beslissing in de zaak heeft genomen, binnen een termijn van achttien maanden na de datum waarop de eis bekend is gemaakt. Elke Verdragsluitende Partij kan echter een gunstigere behandeling bieden.

4.

Ingeval het geschil wordt verwezen naar internationale arbitrage overeenkomtig het bepaalde in dit artikel, geeft elke Verdragsluitende Partij hierbij toestemming voor voorlegging van het geschil aan het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen ter beslechting door arbitrage krachtens het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten, dat op 18 maart 1965 te Washington werd opengesteld voor ondertekening. Een rechtspersoon die onderdaan is van de ene Verdragsluitende Partij en die, voordat een dergelijk geschil ontstaat, onder toezicht staat van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij, wordt in overeenstemming met artikel 25, tweede lid, letter b, van het Verdrag voor de toepassing van het Verdrag behandeld als een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij.

5.

Geen van de Verdragsluitende Partijen biedt diplomatieke bescherming of stelt een internationale vordering in met betrekking tot een geschil ten aanzien waarvan een van zijn onderdanen en de andere Verdragsluitende Partij onderwerping aan gerechtelijke procedures of arbitrage krachtens dit artikel zijn overeengekomen of dat zij hebben onderworpen aan gerechtelijke procedures of arbitrage krachtens dit artikel, tenzij:

Voor de toepassing van dit lid wordt onder diplomatieke bescherming niet begrepen informele diplomatieke uitwisselingen met als enige doel de bevordering van de beslechting van het geschil.

Artikel 10. Toepassingsgebied

Het onderhavige Verdrag is van toepassing op investeringen op het grondgebied van de ene Verdragsluitende Partij die, vóór of na de inwerkingtreding, worden gedaan door onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij, in overeenstemming met de wetten en voorschriften van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij, die van kracht waren op het moment dat de investeringen werden gedaan. Het is echter niet van toepassing op strijdigheden of geschillen die voor zijn inwerkingtreding zijn gerezen of op geschillen die direct verband houden met gebeurtenissen die voor zijn in werkingtreding hebben plaatsgehad.

Artikel 11. Overleg

Elk van beide Verdragsluitende Partijen kan aan de andere Partij voorstellen overleg te plegen over een kwestie betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag. Laatstgenoemde Partij neemt dit voorstel in welwillende overweging en biedt passende gelegenheid voor een dergelijk overleg.

Artikel 12. Beslechting van geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen
1.

Enig geschil tussen de Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn langs diplomatieke weg kan worden beslecht, wordt, tenzij de Partijen anders zijn overeengekomen, op verzoek van één van beide Partijen voorgelegd aan een uit drie leden samengesteld scheidsgerecht. Elke Partij benoemt één scheidsman en de twee aldus benoemde scheidslieden benoemen tezamen een derde scheidsman, die onderdaan dient te zijn van een derde land dat diplomatieke relaties onderhoudt met beide Verdragsluitende Partijen, als hun voorzitter.

2.

Indien één van beide Partijen verzuimt haar scheidsman te benoemen en indien zij binnen twee maanden geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere Partij tot deze benoeming over te gaan, kan de laatstgenoemde Partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

3.

Indien de beide scheidslieden binnen twee maanden na hun benoeming geen overeenstemming kunnen bereiken over de keuze van de derde scheidsman, kan elk der Partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

4.

Indien in de in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde gevallen de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van één van beide Verdragsluitende Partijen, wordt de Vice-President verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vice-President verhinderd is de genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van één van beide Partijen, wordt het lid van het Gerechtshof dat de hoogste anciënniteit heeft, beschikbaar is en geen onderdaan is van één der Partijen, verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

5.

Het scheidsgerecht beslist op basis van eerbiediging van het recht, de bepalingen in dit Verdrag, de beginselen van internationaal recht inzake dit onderwerp en de algemene door de Verdragsluitende Partijen erkende rechtsbeginselen. Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elk stadium van het geding een minnelijke schikking van het geschil aan de Partijen voorstellen. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht tot een regeling van het geschil ex aequo et bono te besluiten, indien de Partijen dit overeenkomen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.