Verdrag tot invoering van een eenvormige wet op cheques

Type Verdrag
Publication 1934-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 88
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

(Opsomming van Staatshoofden.)

Verlangend de moeilijkheden te voorkomen, waartoe de verscheidenheid van de wetgevingen der landen, waar chèques moeten circuleeren, aanleiding geeft, en dus de zekerheid en de snelheid der betrekkingen van den internationalen handel te bevorderen,

Hebben als hun Gevolmachtigden aangewezen:

(Lijst van Gevolmachtigden.)

Die, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Artikel I

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen verbindt zich om de eenvormige wet, vervat in Bijlage I van dit Verdrag, binnen haar grondgebied in te voeren, hetzij in een der oorspronkelijke teksten, hetzij in haar landstaal.

Deze verbintenis zal, indien daartoe aanleiding bestaat, beperkt worden door zoodanige voorbehouden als ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen op het tijdstip van bekrachtiging of toetreding zal aangeven. Deze voorbehouden moeten worden gekozen uit de in Bijlage II van dit Verdrag vermelde.

Echter kunnen de voorbehouden, bedoeld bij de artikelen 9, 22, 26 en 27 van genoemde Bijlage II worden gemaakt na de bekrachtiging of de toetreding, mits daarvan wordt kennis gegeven aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van den tekst dier voorbehouden onmiddellijk kennis zal geven aan de Leden van den Volkenbond en aan de Staten niet-Leden, ten wier name dit Verdrag zal zijn bekrachtigd of ten wier name de toetreding zal hebben plaats gehad. Zoodanige voorbehouden zullen niet van kracht zijn vóór den negentigsten dag, volgende op de ontvangst der bovengenoemde kennisgeving door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan, in geval van dringende noodzakelijkheid, na bekrachtiging of toetreding, gebruik maken van de voorbehouden, bedoeld bij de artikelen 17 en 28 van genoemde Bijlage II. In deze gevallen zal zij daarvan rechtstreeks en onmiddellijk kennis geven aan alle andere Verdragsluitende Partijen en aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. De kennisgeving van die voorbehouden zal van kracht worden twee dagen na ontvangst van die kennisgeving door de Hooge Verdragsluitende Partijen.

Artikel II

De eenvormige wet zal binnen het grondgebied van ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen niet van toepassing zijn op chèques, welke reeds getrokken waren op het oogenblik van de inwerkingtreding van dit Verdrag.

Artikel III

Dit Verdrag, waarvan de Fransche en Engelsche teksten beide authentiek zijn, zal de dagteekening van heden dragen.

Het zal tot 15 Juli 1931 kunnen worden onderteekend namens ieder Lid van den Volkenbond en iederen Staat niet-Lid.

Artikel IV

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd.

De oorkonden van bekrachtiging zullen vóór den 1sten September 1933 worden nedergelegd bij den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst onmiddellijk mededeeling zal doen aan alle Leden van den Volkenbond en aan alle Staten niet-Leden, in wier naam dit Verdrag is onderteekend, of in wier naam daartoe is toegetreden.

Artikel V

Van 15 Juli 1931 af zal ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat niet-Lid tot dit Verdrag kunnen toetreden. Deze toetreding zal geschieden door een kennisgeving aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die haar zal nederleggen in de archieven van het Secretariaat.

De Secretaris-Generaal zal van de nederlegging onmiddellijk kennis geven aan alle Leden van den Volkenbond en aan Staten niet-Leden, die dit Verdrag hebben onderteekend, of die daartoe zijn toegetreden.

Artikel VI

Dit Verdrag treedt eerst in werking, wanneer de bekrachtiging of de toetreding zal hebben plaats gehad namens zeven Leden van den Volkenbond of Staten niet-Leden, waaronder drie permanente Leden van den Volkenbondsraad.

De datum van inwerkingtreding zal zijn de negentigste dag, volgende op de ontvangst door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond van de zevende bekrachtiging of toetreding, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel.

De Secretaris-Generaal van den Volkenbond zal, bij het doen der kennisgevingen, bedoeld bij de artikelen IV en V, in het bijzonder doen blijken, dat de bekrachtigingen of toetredingen, bij het eerste lid van dit artikel bedoeld, verkregen zijn.

Artikel VII

Iedere bekrachtiging of toetreding, welke zal geschieden na de inwerkingtreding van het Verdrag overeenkomstig artikel VI, zal van kracht zijn te rekenen vanaf den negentigsten dag, volgende op den datum van haar ontvangst door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.

Artikel VIII

Behoudens in geval van dringende noodzakelijkheid kan dit Verdrag niet worden opgezegd voor het einde van een termijn van twee jaren, te rekenen vanaf den datum zijner inwerkingtreding voor het Lid van den Volkenbond of voor den Staat niet-Lid, die tot opzegging overgaat; deze opzegging zal van kracht worden te rekenen van af den negentigsten dag, volgende op de ontvangst door den Secretaris-Generaal van de tot hem gerichte kennisgeving.

Iedere opzegging zal onmiddellijk door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond worden medegedeeld aan alle andere Hooge Verdragsluitende Partijen.

De Hooge Verdragsluitende Partij, die in de gevallen van dringende noodzakelijkheid opzegt, zal daarvan rechtstreeks en onmiddellijk mededeeling doen aan alle andere Hooge Verdragsluitende Partijen, en de opzegging zal van kracht worden twee dagen na de ontvangst van de mededeeling door genoemde Hooge Verdragsluitende Partijen. De Hooge Verdragsluitende Partij, welke aldus opzegt, zal van haar besluit eveneens mededeeling doen aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.

Iedere opzegging zal slechts van kracht zijn voor de Hooge Verdragsluitende Partijen, namens welke zij zal hebben plaats gehad.

Artikel IX

Ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat niet-Lid, voor wien dit Verdrag van kracht is, zal na het einde van het vierde jaar, volgende op de inwerkingtreding van dit Verdrag, een verzoek kunnen richten tot den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, strekkende tot herziening van enkele of van alle bepalingen van dit Verdrag.

Indien een zoodanig verzoek na mededeeling aan de andere Leden van den Volkenbond of Staten niet-Leden, voor wie het Verdrag alsdan van kracht zal zijn, binnen den termijn van een jaar wordt gesteund door tenminste zes van hen, zal de Raad van den Volkenbond beslissen of er reden is te dien einde een Conferentie samen te roepen.

Artikel X

De Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen op het oogenblik van onderteekening, bekrachtiging of toetreding verklaren, dat zij door de aanvaarding van dit Verdrag geen verplichting op zich wenschen te nemen ten aanzien van alle of eenige van haar koloniën, protectoraten of gebieden, die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst; in dat geval zal dit Verdrag niet van toepassing zijn op de gebieden, die in een zoodanige verklaring zijn genoemd.

De Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen later ten allen tijde ter kennis van den Secretaris-Generaal van den Volkenbond brengen, dat zij wenschen, dat dit Verdrag van toepassing zal zijn op alle of eenige gebieden, die in de verklaring, bedoeld in het voorgaande lid, zijn genoemd. In dat geval zal het Verdrag van toepassing zijn op de gebieden, die in deze mededeeling worden genoemd, negentig dagen na de ontvangst daarvan door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.

Evenzoo kunnen de Hooge Verdragsluitende Partijen dit Verdrag, overeenkomstig artikel VIII, opzeggen ten aanzien van alle of eenige van haar koloniën, protectoraten of gebieden, die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst.

Artikel XI

Dit Verdrag zal door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond onmiddellijk bij zijn inwerkingtreding worden geregistreerd.

HOOFDSTUK I. Van de uitgifte en den vorm van de chèque.

Artikel 1

De chèque behelst:

  • 1°. de benaming „chèque”, opgenomen in den tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
  • 2°. de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
  • 3°. den naam van dengene, die betalen moet (betrokkene);
  • 4°. de aanwijzing van de plaats, waar de betaling moet geschieden;
  • 5°. de vermelding van de dagteekening, alsmede van de plaats, waar de chèque is getrokken;
  • 6°. de handteekening van dengene, die de chèque uitgeeft (trekker).

Artikel 2

De titel, waarin ééne der vermeldingen, in het voorgaande artikel aangegeven, ontbreekt, geldt niet als chèque, behoudens in de hieronder genoemde gevallen.

Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing, wordt de plaats, aangegeven naast den naam van den betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling. Indien meerdere plaatsen zijn aangegeven naast den naam van den betrokkene, is de chèque betaalbaar op de eerstaangegevene plaats.

Bij gebreke van die aanwijzingen of van iedere andere aanwijzing, is de chèque betaalbaar in de plaats, waar het hoofdkantoor van den betrokkene is gevestigd.

De chèque, welke niet de plaats aanwijst, waar zij is getrokken, wordt geacht te zijn onderteekend in de plaats, aangegeven naast den naam des trekkers.

Artikel 3

De chèque moet worden getrokken op eenen bankier, die fonds onder zich heeft ter beschikking van den trekker, en krachtens een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst, volgens welke de trekker het recht heeft door middel van chèque over dat fonds te beschikken. In geval van niet-inachtneming van die voorschriften blijft de titel echter als chèque geldig.

Artikel 4

De chèque kan niet worden geaccepteerd. Eene vermelding van acceptatie, op de chèque gesteld, wordt voor niet geschreven gehouden.

Artikel 5

De chèque kan betaalbaar worden gesteld:

  • aan een met name genoemden persoon, met of zonder uitdrukkelijke clausule: „aan order”;
  • aan een met name genoemden persoon, met de clausule: „niet aan order”, of een soortgelijke clausule;
  • aan toonder.

De chèque, betaalbaar gesteld aan een met name genoemden persoon, met de vermelding: „of aan toonder”, of een soortgelijke uitdrukking, geldt als chèque aan toonder.

De chèque zonder vermelding van den nemer geldt als chèque aan toonder.

Artikel 6

De chèque kan aan de order van den trekker luiden.

De chèque kan worden getrokken voor rekening van eenen derde.

De chèque kan niet worden getrokken op den trekker zelf, behalve wanneer het betreft eene chèque, getrokken tusschen verschillende kantoren van een zelfden trekker.

Artikel 7

Eene in de chèque opgenomen renteclausule wordt voor niet geschreven gehouden.

Artikel 8

De chèque kan betaalbaar zijn aan de woonplaats van eenen derde, hetzij de plaats, waar de betrokkene zijn domicilie heeft, hetzij een andere plaats, mits echter de derde een bankier zij.

Artikel 9

De chèque, waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten beloope van de som, voluit in letters geschreven.

De chèque, waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten beloope van de kleinste som.

Artikel 10

Indien de chèque handteekeningen bevat van personen, die onbekwaam zijn zich door middel van eene chèque te verbinden, valsche handteekeningen of handteekeningen van verdichte personen, of handteekeningen, welke, onverschillig om welke andere reden, de personen, die die handteekeningen hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen der andere personen, wier handteekeningen op de chèque voorkomen, desniettemin geldig.

Artikel 11

Ieder, die zijne handteekening op eene chèque plaatst als vertegenwoordiger van eenen persoon, voor wien hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens de chèque verbonden, en heeft, betaald hebbende, dezelfde rechten, als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van den vertegenwoordiger, die zijne bevoegdheid heeft overschreden.

Artikel 12

De trekker staat in voor de betaling. Elke clausule, waarbij hij deze verplichting uitsluit, wordt voor niet geschreven gehouden.

Artikel 13

Indien eene chèque, onvolledig ten tijde der uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, kan de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan den houder, tenzij deze de chèque te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.

HOOFDSTUK II. Van de overdracht.

Artikel 14

De chèque, die betaalbaar is gesteld aan een met name genoemden persoon met of zonder uitdrukkelijke clausule: „aan order”, kan door middel van endossement worden overgedragen.

De chèque, die betaalbaar is gesteld aan een met name genoemden persoon met de clausule: „niet aan order”, of een soortgelijke clausule, kan slechts worden overgedragen in den vorm en met de gevolgen van een gewone cessie.

Het endossement kan worden gesteld zelfs ten voordeele van den trekker of van iederen anderen chèqueschuldenaar. Deze personen kunnen de chèque opnieuw endosseeren.

Artikel 15

Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke daarin opgenomen voorwaarde wordt voor niet geschreven gehouden.

Het gedeeltelijke endossement is nietig.

Eveneens is nietig het endossement van den betrokkene.

Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.

Het endossement aan den betrokkene geldt slechts als kwijting, behoudens wanneer de betrokkene meer kantoren heeft en wanneer het endossement is gesteld ten voordeele van een ander kantoor dan dat, waarop de chèque is getrokken.

Artikel 16

Het endossement moet gesteld worden op de chèque of op een vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden onderteekend door den endossant.

Het endossement kan den geëndosseerde onvermeld laten, of bestaan uit de enkele handteekening van den endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement om geldig te zijn, op de rugzijde van de chèque of op het verlengstuk worden gesteld.

Artikel 17

Door het endossement worden alle uit de chèque voortvloeiende rechten overgedragen:

Indien het endossement in blanco is, kan de houder:

  • 1°. het blanco invullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met den naam van een anderen persoon;
  • 2°. de chèque wederom in blanco of aan een anderen persoon endosseeren;
  • 3°. de chèque aan eenen derde overgeven, zonder het blanco in te vullen, en zonder haar te endosseeren.

Artikel 18

Tenzij het tegendeel bedongen is, staat de endossant in voor de betaling.

Hij kan een nieuw endossement verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen, aan wie de chèque later is geëndosseerd, niet in voor de betaling.

Artikel 19

Hij, die een door endossement overdraagbare chèque onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, zelfs indien het laatste endossement in blanco is gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet geschreven gehouden. Wanneer een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de onderteekenaar van dit laatste geacht, de chèque door het endossement in blanco verkregen te hebben.

Artikel 20

Een op eene chèque aan toonder voorkomend endossement maakt den endossant verantwoordelijk overeenkomstig de bepalingen betreffende het recht van regres; het maakt overigens den titel niet tot eene chèque aan order.

Artikel 21

Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van de chèque heeft verloren, is de houder, in wiens handen de chèque zich bevindt, niet verplicht de chèque af te geven, tenzij hij deze te kwader trouw heeft verkregen, of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is en zulks onverschillig of het betreft eene chèque aan toonder, dan wel een voor endossement vatbare chèque, ten aanzien van welke de houder op de wijze in artikel 19 voorzien van zijn recht doet blijken.

Artikel 22

Zij, die uit hoofde van de chèque worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot den trekker of tot vroegere houders, niet aan den houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van de chèque desbewust ten nadeele van den schuldenaar heeft gehandeld.

Artikel 23

Wanneer het endossement de vermelding bevat: „waarde ter incasseering”, „ter incasso”, „in lastgeving” of eenige andere vermelding, met zich brengend een bloote opdracht tot inning, kan de houder alle uit de chèque voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij kan deze niet anders endosseeren dan bij wege van lastgeving.

De chèqueschuldenaren kunnen in dat geval aan den houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan den endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.

De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door den dood of door de latere onbekwaamheid van den lastgever.

Artikel 24

Het endossement, na het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring, of na het einde van den aanbiedingstermijn op de chèque gesteld, heeft slechts de gevolgen eener gewone cessie.

Behoudens tegenbewijs, wordt het endossement zonder dagteekening geacht te zijn gesteld vóór het protest of de daarmede gelijkstaande verklaringen, of vóór het verstrijken van den in het voorgaande lid bedoelden termijn.

HOOFDSTUK III. Van het aval.

Artikel 25

De betaling van de chèque kan zoowel voor haar geheele bedrag als voor een gedeelte daarvan door eenen borgtocht (aval) worden verzekerd.

Deze borgtocht kan door eenen derde, behalve door den betrokkene, of zelfs door iemand, wiens handteekening op de chèque voorkomt, worden gegeven.

Artikel 26

Het aval wordt op de chèque of op een verlengstuk gesteld.

Het wordt uitgedrukt door de woorden: „goed voor aval”, of door een soortgelijke uitdrukking; het wordt door den avalgever onderteekend.

De enkele handteekening van den avalgever, gesteld op de voorzijde van de chèque, geldt als aval, behalve wanneer de handteekening die is van den trekker.

In het aval moet worden vermeld, voor wien het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht voor den trekker te zijn gegeven.

Artikel 27

De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene, voor wien het aval is gegeven.

Zijne verbintenis is geldig, zelfs indien, wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.

Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten, welke krachtens de chèque kunnen worden uitgeoefend tegen dengene, voor wien het aval is gegeven en tegen degenen, die tegenover dezen krachtens de chèque verbonden zijn.

HOOFDSTUK IV. Van de aanbieding en van de betaling.

Artikel 28

De chèque is betaalbaar op zicht. Elke vermelding van het tegendeel wordt voor niet geschreven gehouden.

De chèque, die ter betaling wordt aangeboden vóór den dag, vermeld als datum van uitgifte, is betaalbaar op den dag van de aanbieding.

Artikel 29

De chèque, die in hetzelfde land uitgegeven en betaalbaar is, moet binnen den termijn van acht dagen ter betaling worden aangeboden.

De chèque, die uitgegeven is in een ander land dan dat, waar zij betaalbaar is, moet worden aangeboden binnen een termijn, hetzij van twintig dagen, hetzij van zeventig dagen, naar gelang de plaats van uitgifte en de plaats van betaling gelegen zijn in hetzelfde of in een ander werelddeel.

Te dien aanzien worden de chèques, uitgegeven in een land in Europa en betaalbaar in een kustland van de Middellandsche Zee of omgekeerd, beschouwd als uitgegeven en betaalbaar in hetzelfde werelddeel.

De bovengenoemde termijnen beginnen te loopen van den dag, op de chèque als datum van uitgifte vermeld.

Artikel 30

De dag van uitgifte van eene chèque, getrokken tusschen twee plaatsen met verschillende tijdrekening, wordt herleid tot den overeenkomstigen dag van de tijdrekening van de plaats van betaling.

Artikel 31

De aanbieding aan eene verrekeningskamer geldt als aanbieding ter betaling.

Artikel 32

De herroeping van de chèque is slechts van kracht na het einde van den termijn van aanbieding.

Indien geene herroeping plaats heeft, kan de betrokkene zelfs na het einde van dien termijn betalen.

Artikel 33

Noch de dood van den trekker, noch zijn na de uitgifte opkomende onbekwaamheid zijn van invloed op de gevolgen van de chèque.

Artikel 34

De betrokkene, de chèque betalende, kan vorderen, dat hem deze van behoorlijke kwijting van den houder voorzien, wordt uitgeleverd.

De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.

In geval van gedeeltelijke betaling kan de betrokkene vorderen, dat van die betaling op de chèque melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.

Artikel 35

De betrokkene, die een door endossement overdraagbare chèque betaalt, is gehouden de regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de handteekening der endossanten te onderzoeken.

Artikel 36

Eene chèque, waarvan de betaling is bedongen in ander geld dan dat van de plaats van betaling, kan binnen den termijn van aanbieding worden betaald in het geld van het land volgens zijne waarde op den dag van betaling. Indien de betaling niet heeft plaats gehad bij de aanbieding, kan de houder te zijner keuze vorderen, dat de chèquesom voldaan wordt in het geld van het land volgens den koers, hetzij van den dag van aanbieding, hetzij van den dag van betaling.

De waarde van het vreemde geld wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker kan echter voorschrijven, dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in de chèque voorgeschreven koers.

Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft voorgeschreven, dat de betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule van werkelijke betaling in vreemd geld).

Indien het bedrag van de chèque is aangegeven in geld, hetwelk dezelfde benaming maar een verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt men vermoed het geld van de plaats van betaling te hebben bedoeld.

HOOFDSTUK V. Van de gekruiste chèque en van de verrekeningschèque.

Artikel 37

De trekker of de houder van eene chèque kan deze kruisen met de in het volgende artikel genoemde gevolgen.

De kruising geschiedt door het plaatsen van twee evenwijdige lijnen op de voorzijde van de chèque. Zij kan algemeen zijn of bijzonder.

De kruising is algemeen, indien zij tusschen de twee lijnen geen enkele aanwijzing bevat, of wel de vermelding: „bankier”, of een soortgelijk woord; zij is bijzonder, indien de naam van eenen bankier voorkomt tusschen de twee lijnen.

De algemeene kruising kan worden veranderd in een bijzondere, maar de bijzondere kruising kan niet worden veranderd in een algemeene.

De doorhaling van de kruising of van den naam van den aangewezen bankier wordt geacht niet te zijn geschied.

Artikel 38

Eene chèque met algemeene kruising kan door den betrokkene slechts worden betaald aan eenen bankier of aan eenen cliënt van den betrokkene.

Eene chèque met bijzondere kruising kan door den betrokkene slechts worden betaald aan den aangewezen bankier of, indien deze de betrokkene is, slechts aan een zijner cliënten. Echter kan de aangewezen bankier de chèque ter incasseering aan een anderen bankier overdragen.

Een bankier mag een gekruiste chèque slechts in ontvangst nemen van een van zijne cliënten of van een anderen bankier. Hij mag haar niet innen voor rekening van andere personen dan deze.

Eene chèque, welke meer dan één bijzondere kruising draagt, mag door den betrokkene slechts worden betaald, indien er niet meer dan twee kruisingen zijn, waarvan de ééne strekt tot inning door eene verrekeningskamer.

De betrokkene of de bankier, die de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is verantwoordelijk voor de schade tot beloop van het bedrag van de chèque.

Artikel 39

De trekker, alsmede de houder van eene chèque, kan verbieden, dat deze in baar geld betaald wordt door op de voorzijde in schuinsche richting te vermelden: „in rekening te brengen”, of een soortgelijke uitdrukking op te nemen.

In dat geval mag de chèque den betrokkene slechts aanleiding geven tot eene boeking (rekening-courant, giro of schuldvergelijking). De boeking geldt als betaling.

De doorhaling van de vermelding: „in rekening te brengen” wordt geacht niet te zijn geschied.

De betrokkene, die de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is verantwoordelijk voor de schade tot beloop van het bedrag van de chèque.

HOOFDSTUK VI. Van het recht van regres in geval van non-betaling.

Artikel 40

De houder kan zijn recht van regres uitoefenen op de endossanten, den trekker en de andere chèqueschuldenaren, indien de chèque, tijdig aangeboden, niet wordt betaald en indien de weigering van betaling wordt vastgesteld:

  • 1°. hetzij door een authentieke akte (protest);
  • 2°. hetzij door eene verklaring van den betrokkene, gedagteekend en geschreven op de chèque onder vermelding van den dag van aanbieding;
  • 3°. hetzij door een gedagteekende verklaring van eene verrekeningskamer, waarbij vastgesteld wordt, dat de chèque tijdig aangeboden en niet betaald is.

Artikel 41

Het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring moet worden gedaan vóór het einde van den termijn van aanbieding.

Indien de aanbieding plaats heeft op den laatsten dag van den termijn, kan het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring op den eerstvolgenden werkdag worden gedaan.

Artikel 42

De houder moet van de non-betaling kennisgeven aan zijnen endossant en aan den trekker binnen de vier werkdagen, volgende op den dag van het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring en, indien de chèque getrokken is met de clausule zonder kosten, volgende op dien der aanbieding. Elke endossant moet binnen de twee werkdagen, volgende op den dag van ontvangst der kennisgeving, de door hem ontvangen kennisgeving aan zijnen endossant mededeelen, met aanwijzing van de namen en adressen van degenen, die de voorafgaande kennisgevingen hebben gedaan, en zoo vervolgens, teruggaande tot den trekker. Deze termijnen loopen van de ontvangst der voorafgaande kennisgeving af.

Indien overeenkomstig het voorgaande lid eene kennisgeving is gedaan aan iemand, wiens handteekening op de chèque voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen denzelfden termijn aan diens avalgever worden gedaan.

Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, kan worden volstaan met kennisgeving aan den voorafgaanden endossant.

Hij, die eene kennisgeving heeft te doen, kan zulks doen in iederen vorm, zelfs door enkele terugzending van de chèque.

Hij moet bewijzen, dat hij de kennisgeving binnen den vastgestelden termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief, die de kennisgeving behelst, binnen den genoemden termijn ter post is bezorgd.

Hij, die de kennisgeving niet binnen den bovenvermelden termijn doet, stelt zich niet bloot aan verval van zijn recht; hij is, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijne nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de kosten, schade en interessen de chèquesom kunnen te boven gaan.

Artikel 43

De trekker, een endossant of een avalgever kan door de clausule „zonder kosten”, „zonder protest”, of een andere soortgelijke op de chèque gestelde en onderteekende clausule, den houder van het opmaken van een protest of een daarmede gelijkstaande verklaring ter uitoefening van zijn recht van regres ontslaan.

Deze clausule ontslaat den houder niet van de aanbieding van de chèque binnen de voorgeschreven termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming der termijnen moet worden geleverd door dengene, die zich daarop tegenover den houder beroept.

Is de clausule door den trekker gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen, wier handteekeningen op de chèque voorkomen; is zij door eenen endossant of door eenen avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen voor dezen endossant of avalgever. Indien de houder, ondanks de door den trekker gestelde clausule, toch de weigering van betaling doet vaststellen door protest of een daarmede gelijkstaande verklaring, zijn de kosten daarvan voor zijne rekening. Indien de clausule van eenen endossant of eenen avalgever afkomstig is, kunnen de kosten van het protest of van de daarmede gelijkstaande verklaring, indien een akte van dien aard is opgesteld, op allen, wier handteekeningen op de chèque voorkomen, worden verhaald.

Artikel 44

Allen, die uit hoofde van eene chèque verbonden zijn, zijn hoofdelijk jegens den houder verbonden.

De houder kan deze personen, zoowel ieder afzonderlijk, als gezamenlijk, aanspreken, zonder verplicht te zijn de volgorde, waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.

Hetzelfde recht komt toe aan ieder, wiens handteekening op de chèque voorkomt en die deze, ter voldoening aan zijnen regresplicht, heeft betaald.

De vordering, ingesteld tegen éénen der chèqueschuldenaren, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden deze zich later verbonden dan de eerst aangesprokene.

Artikel 45

De houder kan van dengene, tegen wien hij zijn recht van regres uitoefent, vorderen:

  • 1°. de som van de niet betaalde chèque;
  • 2°. eene rente van zes ten honderd, te rekenen van den dag der aanbieding;
  • 3°. de kosten van protest of van de daarmede gelijkstaande verklaring, die van de gedane kennisgevingen, alsmede de andere kosten.

Artikel 46

Hij, die ter voldoening aan zijnen regresplicht de chèque heeft betaald, kan van degenen, die tegenover hem regresplichtig zijn, vorderen:

  • 1°. het geheele bedrag, dat hij betaald heeft;
  • 2°. eene rente van zes ten honderd, te rekenen van den dag der betaling;
  • 3°. de door hem gemaakte kosten.

Artikel 47

Elke chèqueschuldenaar, tegen wien het recht van regres wordt of kan worden uitgeoefend, kan, tegen betaling ter voldoening aan zijnen regresplicht, de afgifte vorderen van de chèque met het protest, of de daarmede gelijkstaande verklaring, alsmede een voor voldaan geteekende rekening.

Elke endossant, die ter voldoening aan zijnen regresplicht, de chèque heeft betaald, kan zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.

Artikel 48

Wanneer de aanbieding van de chèque, het opmaken van het protest, of de daarmede gelijkstaande verklaring, binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift van eenigen Staat of ander geval van overmacht), worden deze termijnen verlengd.

De houder is verplicht van de overmacht onverwijld aan zijnen endossant kennis te geven, en deze kennisgeving, gedagteekend en onderteekend op de chèque of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen van artikel 42 toepasselijk.

Na ophouden van de overmacht moet de houder onverwijld de chèque ter betaling aanbieden, en, indien daartoe aanleiding bestaat, de weigering van betaling doen vaststellen door protest of een daarmede gelijkstaande verklaring.

Indien de overmacht meer dan vijftien dagen aanhoudt, te rekenen van den dag, waarop de houder, al ware het vóór het einde van den aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijnen endossant heeft kennis gegeven, kan het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het opmaken van protest of de daarmede gelijkstaande verklaring noodig zijn.

Feiten, welke voor den houder of voor dengene, dien hij met de aanbieding van de chèque of met het opmaken van het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring belastte, van zuiver persoonlijken aard zijn, worden niet beschouwd als gevallen van overmacht.

HOOFDSTUK VII. Van chèqueëxemplaren.

Artikel 49

Behoudens de chèques aan toonder, kan elke chèque, uitgegeven in een land en betaalbaar in een ander land of in een overzeesch gebied van hetzelfde land en omgekeerd, of wel uitgegeven en betaalbaar in een zelfde overzeesch gebied of in verschillende overzeesche gebieden van hetzelfde land, in meer gelijkluidende exemplaren worden getrokken. Wanneer eene chèque in meer exemplaren is getrokken, moeten die exemplaren in den tekst zelf van den titel worden genummerd bij gebreke waarvan elk exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke chèque.

Artikel 50

De betaling op één der exemplaren gedaan, bevrijdt, ook al ware niet bedongen, dat die betaling de kracht der andere exemplaren te niet doet.

De endossant, die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden wegens alle exemplaren, die hunne handteekening dragen en die niet zijn uitgeleverd.

HOOFDSTUK VIII. Van veranderingen.

Artikel 51

In geval van vervalsching van den tekst van eene chèque zijn zij, die daarna hunne handteekeningen op de chèque geplaatst hebben, volgens den veranderden tekst verbonden; zij, die daarvoor hunne handteekeningen op de chèque geplaatst hebben, zijn verbonden volgens den oorspronkelijken tekst.

HOOFDSTUK IX. Van verjaring.

Artikel 52

De regresvorderingen van den houder tegen de endossanten, den trekker en de andere chèqueschuldenaren, verjaren door een tijdsverloop van zes maanden, te rekenen van het einde van den termijn van aanbieding.

De regresvorderingen van de verschillende chèqueschuldenaren tegen elkander, die gehouden zijn tot de betaling van eene chèque, verjaren door een tijdsverloop van zes maanden, te rekenen van den dag, waarop de chèqueschuldenaar ter voldoening aan zijnen regresplicht de chèque heeft betaald, of van den dag, waarop hij zelf in rechte is aangesproken.

Artikel 53

De stuiting der verjaring is slechts van kracht tegen dengene, ten aanzien van wien de stuitingshandeling heeft plaats gehad.

HOOFDSTUK X. Algemeene bepalingen.

Artikel 54

In deze wet worden onder het woord „bankier” mede verstaan de personen of instellingen, door de wet met bankiers gelijkgesteld.

Artikel 55

De aanbieding en het protest van eene chèque kunnen niet plaats hebben dan op eenen werkdag.

Wanneer de laatste dag van den termijn, door de wet gesteld voor het verrichten van handelingen nopens de chèque, met name voor de aanbieding en voor het opmaken van het protest of een daarmede gelijkstaande verklaring, een wettelijke feestdag is, wordt deze termijn verlengd tot den eersten werkdag, volgende op het einde van dien termijn. De tusschenliggende feestdagen zijn begrepen in de berekening van den termijn.

Artikel 56

In de termijnen, bij deze wet voorzien, is niet begrepen de dag, waarop deze termijnen beginnen te loopen.

Artikel 57

Geen enkele respijtdag, noch wettelijke, noch rechterlijke, is toegestaan.

Artikel 1

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan bepalen, dat de verplichting om de benaming „chèque” in de op haar grondgebied getrokken chèques op te nemen, welke is opgelegd door artikel 1, 1° van de eenvormige wet, alsmede de verplichting tot vermelding van de plaats van uitgifte, voorzien onder 5° van genoemd artikel, eerst behoeven te worden nageleefd zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag.

Artikel 2

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid, voor de verbintenissen ten aanzien van chèques, op haar grondgebied aangegaan, te bepalen, op welke wijze de handteekening kan worden vervangen door een authentieke verklaring, op de chèque zelf gesteld, waaruit de wil blijkt van dengene, die had moeten teekenen.

Artikel 3

In afwijking van het bij artikel 2, lid 3, der eenvormige wet bepaalde, heeft ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen de bevoegdheid voor te schrijven, dat de chèque, die de plaats van betaling niet aanwijst, beschouwd wordt betaalbaar te zijn in de plaats van uitgifte.

Artikel 4

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor, ten aanzien van chèques, getrokken en betaalbaar op zijn grondgebied, te bepalen, dat de chèques, getrokken op andere personen dan bankiers, of personen of instellingen, door de wet met bankiers gelijkgesteld, niet geldig zijn als chèques.

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen houdt zich eveneens de bevoegdheid voor, artikel 3 der eenvormige wet in hare nationale wet in te voeren in den vorm en in de bewoordingen, welke het meest geëigend zijn tot het gebruik, welke zij van de bepalingen van het voorgaande lid zal maken.

Artikel 5

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid het oogenblik te bepalen, waarop de trekker verplicht is, fonds bij den betrokkene beschikbaar te hebben.

Artikel 6

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan den betrokkene de bevoegdheid geven eene certificatie, bekrachtiging, visum of andere daarmede gelijkstaande verklaring op de chèque te stellen, en kan tevens de rechtsgevolgen van die verklaring regelen, mits zij aan die verklaring niet de rechtskracht van eene acceptatie verbinde.

Artikel 7

In afwijking van het bij de artikelen 5 en 14 der eenvormige wet bepaalde, behoudt ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen zich ten aanzien van chèques, betaalbaar op haar grondgebied en voorzien van de clausule: „niet overdraagbaar”, de bevoegdheid voor, te bepalen, dat een zoodanige chèque slechts kan betaald worden aan den houder, die haar met deze clausule heeft ontvangen.

Artikel 8

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor te bepalen of, buiten de gevallen, voorzien bij artikel 6 der eenvormige wet, de chèque kan worden getrokken op den trekker zelf.

Artikel 9

In afwijking van het bij artikel 6 der eenvormige wet bepaalde, behoudt ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen zich het recht voor, — hetzij zij de chèque op den trekker zelf getrokken in het algemeen toelaat (artikel 8 van deze Bijlage), hetzij zij die slechts toelaat in geval van meerdere kantoren (artikel 6 der eenvormige wet) — de uitgifte van een zoodanige chèque aan toonder te verbieden.

Artikel 10

In afwijking van het bij artikel 8 der eenvormige wet bepaalde, behoudt ieder der Hooge Verslagsluitende Partijen zich voor, te bepalen, dat eene chèque betaalbaar worde gesteld aan de woonplaats van eenen derde, die niet-bankier is.

Artikel 11

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor, artikel 13 der eenvormige wet niet in hare nationale wet op te nemen.

Artikel 12

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor, artikel 21 der eenvormige wet niet toe te passen ten aanzien van de chèque aan toonder.

Artikel 13

In afwijking van het bij artikel 26 der eenvormige wet bepaalde, heeft ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen de bevoegdheid te bepalen, dat een borgtocht (aval) op haar grondgebied kan worden gegeven bij een afzonderlijke akte, aanwijzende de plaats, waar hij is gegeven.

Artikel 14

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor, den termijn, voorzien bij het eerste lid van artikel 29 der eenvormige wet, te verlengen en de aanbiedingstermijnen vast te stellen ten aanzien van de gebiedsdeelen, welke aan hare souvereiniteit of gezag zijn onderworpen.

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor, in afwijking van het bij artikel 29, lid 2, der eenvormige wet bepaalde, de termijnen, voorzien bij genoemde bepaling, te verlengen ten aanzien van de chèques, uitgegeven en betaalbaar in verschillende werelddeelen of wel in de verschillende landen van een werelddeel buiten Europa.

Twee of meer Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen, ten aanzien van chèques, uitgegeven en betaalbaar op haar grondgebieden, overeenkomen, de termijnen, voorzien bij artikel 29, lid 2, der eenvormige wet, te wijzigen.

Artikel 15

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen zal in verband met de toepassing van artikel 31 van de eenvormige wet kunnen bepalen, welke instellingen volgens de nationale wet moeten worden beschouwd als verrekeningskamers.

Artikel 16

In afwijking van het bij artikel 32 der eenvormige wet bepaalde, behoudt ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen zich de bevoegdheid voor, ten aanzien van de chèques, op haar grondgebied betaalbaar:

  • a). de herroeping van de chèque, zelfs vóór het verstrijken van den termijn van aanbieding, toe te laten;
  • b). de herroeping van de chèque, zelfs na het verstrijken van den termijn van aanbieding, te verbieden.

Bovendien kan ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen de maatregelen, welke in geval van verlies of van diefstal moeten worden genomen, voorschrijven en daarvan de rechtsgevolgen bepalen.

Artikel 17

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan, zoo zij het noodig acht, in buitengewone omstandigheden in verband met den wisselkoers van haar geld, afwijken van hetgeen is bepaald in artikel 36 der eenvormige wet betreffende de werkelijke betaling in vreemd geld, voor chèques, betaalbaar op haar grondgebied. Dezelfde regel kan worden toegepast voor het trekken van chèques in vreemd geld op het nationale grondgebied.

Artikel 18

In afwijking van het bij de artikelen 37, 38 en 39 der eenvormige wet bepaalde, behoudt ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen zich de bevoegdheid voor, in hare nationale wet slechts gekruiste chèques of verrekeningschèques toe te laten. Echter zullen de gekruiste chèques en de verrekeningschèques, uitgegeven in het buitenland en betaalbaar op haar grondgebied, onderscheidenlijk als verrekeningschèques en als gekruiste chèques worden beschouwd.

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft eveneens de bevoegdheid te bepalen, welke bewoordingen volgens de nationale wet zullen moeten worden gebezigd om eene chèque als eene verrekeningschèque te doen gelden.

Artikel 19

De vraag of de houder bijzondere rechten heeft op het fonds en de gevolgen dier rechten wordt ongeregeld gelaten in de eenvormige wet.

Hetzelfde geldt ten aanzien van elke andere vraag betreffende de verhouding, op grond waarvan eene chèque is uitgegeven.

Artikel 20

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor, het behoud van het recht van regres tegen den trekker niet afhankelijk te stellen van de tijdige aanbieding van de chèque en de tijdige opmaking van protest of daarmede gelijkstaande verklaring, alsmede de rechtsgevolgen van dat regres te regelen.

Artikel 21

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor, ten aanzien van chèques, op haar grondgebied betaalbaar, voor te schrijven, dat, ter behoud van het recht van regres, de vaststelling van de weigering der betaling, voorzien bij de artikelen 40 en 41 der eenvormige wet, door een protest met uitsluiting van elke daarmede gelijkstaande verklaring moet plaats hebben.

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft eveneens de bevoegdheid te bepalen, dat de verklaringen, voorzien bij de nos. 2 en 3 van artikel 40 der eenvormige wet, in een openbaar register moeten worden overgeschreven, binnen de voor het opmaken van protest vastgestelde termijnen.

Artikel 22

In afwijking van het bepaalde bij artikel 42 der eenvormige wet, heeft ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen de bevoegdheid, te behouden of in te voeren het volgende stelsel, waarbij de kennisgeving door een openbaar ambtenaar gedaan wordt, te weten: dat bij het opmaken van het protest, de notaris of de ambtenaar, die volgens de nationale wet bevoegd is tot het opmaken van protest, verplicht is daarvan bij geschrifte kennis te geven aan de uit hoofde van de chèque verbonden personen, wier adressen, hetzij op de chèque zijn aangegeven, hetzij bekend zijn aan den ambtenaar, die het protest opmaakt, hetzij zijn aangegeven door de personen, die opmaking van het protest hebben gevraagd. De kosten van een zoodanige kennisgeving moeten aan de protestkosten worden toegevoegd.

Artikel 23

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan, voor wat betreft chèques, uitgegeven en betaalbaar op haar grondgebied, bepalen, dat de rentevoet, waarvan in artikel 45, n°. 2, en in artikel 46, n°. 2, van de eenvormige wet sprake is, kan worden vervangen door de wettelijke rente, welke op het grondgebied van die Hooge Verdragsluitende Partij geldt.

Artikel 24

In afwijking van het bij artikel 45 der eenvormige wet bepaalde, behoudt ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen zich de bevoegdheid voor, in haar nationale wet te bepalen, dat de houder, van dengene, tegen wien hij zijn recht van verhaal uitoefent, een commissierecht kan vorderen, waarvan het bedrag door de nationale wet zal worden bepaald.

Hetzelfde geldt, in afwijking van het bij artikel 46 der eenvormige wet bepaalde, voor dengene, die ter voldoening aan zijnen regresplicht, de chèque betaald hebbende, het bedrag daarvan vordert van degenen, die tegenover hem regresplichtig zijn.

Artikel 25

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen is vrij te bepalen, dat in geval van verval of van verjaring, op haar grondgebied eene rechtsvordering zal blijven bestaan tegen den trekker, die geen fonds heeft bezorgd, of tegen eenen trekker of eenen endossant, die zich ongerechtvaardigd zou hebben verrijkt.

Artikel 26

Het blijft aan de wetgeving van ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen voorbehouden, de gronden te bepalen van stuiting en schorsing van de verjaring der uit eene chèque voortvloeiende rechtsvorderingen, waarvan hare rechtbanken moeten kennisnemen.

De andere Hooge Verdragsluitende Partijen hebben de bevoegdheid de voorwaarden te bepalen, waaronder zij zoodanige gronden zullen erkennen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het gevolg eener rechtsvordering als middel om den verjaringstermijn, voorzien bij artikel 52, lid 2, van de eenvormige wet te doen loopen.

Artikel 27

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid te bepalen, dat zekere werkdagen worden gelijkgesteld met wettelijke feestdagen, voor wat betreft den termijn van aanbieding en alle handelingen met betrekking tot de chèques.

Artikel 28

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid, uitzonderingsbepalingen van algemeenen aard uit te vaardigen met betrekking tot de opschorting der betaling, alsmede van de termijnen ten aanzien van de handelingen, welke voorwaarde zijn voor het behoud van het recht van regres.

Artikel 29

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen is met het oog op de toepassing van de eenvormige wet bevoegd te bepalen, wie als bankiers zijn te beschouwen, en welke personen of instellingen, vanwege den aard hunner werkzaamheden, daarmede zijn gelijkgesteld.

Artikel 30

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor, de toepassing van de eenvormige wet geheel of gedeeltelijk uit te sluiten ten aanzien van postchèques en bijzondere chèques, hetzij van de emissie-instellingen, hetzij van Openbare Kassen, hetzij van Openbare Credietinstellingen, voor zooverre bovenbedoelde titels het voorwerp uitmaken van een bijzondere regeling.

Artikel 31

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen verbindt zich, de wetsvoorschriften door ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen uitgevaardigd, krachtens de artikelen 1 tot 13, 14, lid 1 en 2, 15 en 16, 18 tot 25, 27, 29 en 30 van deze Bijlage, te erkennen.

IN FAITH WHEREOF the above-mentioned Plenipotentiaries have signed the present Convention.

DONE at Geneva, the nineteenth day of March, one thousand nine hundred and thirty-one, in a single copy, which shall be deposited in the archives of the Secretariat of the League of Nations, and of which authenticated copies shall be delivered to all Members of the League of Nations and non-member States represented at the Conference.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)