Verdrag tot invoering van een eenvormige wet op cheques
(Opsomming van Staatshoofden.)
Verlangend de moeilijkheden te voorkomen, waartoe de verscheidenheid van de wetgevingen der landen, waar chèques moeten circuleeren, aanleiding geeft, en dus de zekerheid en de snelheid der betrekkingen van den internationalen handel te bevorderen,
Hebben als hun Gevolmachtigden aangewezen:
(Lijst van Gevolmachtigden.)
Die, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:
Artikel I
Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen verbindt zich om de eenvormige wet, vervat in Bijlage I van dit Verdrag, binnen haar grondgebied in te voeren, hetzij in een der oorspronkelijke teksten, hetzij in haar landstaal.
Deze verbintenis zal, indien daartoe aanleiding bestaat, beperkt worden door zoodanige voorbehouden als ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen op het tijdstip van bekrachtiging of toetreding zal aangeven. Deze voorbehouden moeten worden gekozen uit de in Bijlage II van dit Verdrag vermelde.
Echter kunnen de voorbehouden, bedoeld bij de artikelen 9, 22, 26 en 27 van genoemde Bijlage II worden gemaakt na de bekrachtiging of de toetreding, mits daarvan wordt kennis gegeven aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van den tekst dier voorbehouden onmiddellijk kennis zal geven aan de Leden van den Volkenbond en aan de Staten niet-Leden, ten wier name dit Verdrag zal zijn bekrachtigd of ten wier name de toetreding zal hebben plaats gehad. Zoodanige voorbehouden zullen niet van kracht zijn vóór den negentigsten dag, volgende op de ontvangst der bovengenoemde kennisgeving door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.
Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan, in geval van dringende noodzakelijkheid, na bekrachtiging of toetreding, gebruik maken van de voorbehouden, bedoeld bij de artikelen 17 en 28 van genoemde Bijlage II. In deze gevallen zal zij daarvan rechtstreeks en onmiddellijk kennis geven aan alle andere Verdragsluitende Partijen en aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. De kennisgeving van die voorbehouden zal van kracht worden twee dagen na ontvangst van die kennisgeving door de Hooge Verdragsluitende Partijen.
Artikel II
De eenvormige wet zal binnen het grondgebied van ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen niet van toepassing zijn op chèques, welke reeds getrokken waren op het oogenblik van de inwerkingtreding van dit Verdrag.
Artikel III
Dit Verdrag, waarvan de Fransche en Engelsche teksten beide authentiek zijn, zal de dagteekening van heden dragen.
Het zal tot 15 Juli 1931 kunnen worden onderteekend namens ieder Lid van den Volkenbond en iederen Staat niet-Lid.
Artikel IV
Dit Verdrag zal worden bekrachtigd.
De oorkonden van bekrachtiging zullen vóór den 1sten September 1933 worden nedergelegd bij den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst onmiddellijk mededeeling zal doen aan alle Leden van den Volkenbond en aan alle Staten niet-Leden, in wier naam dit Verdrag is onderteekend, of in wier naam daartoe is toegetreden.
Artikel V
Van 15 Juli 1931 af zal ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat niet-Lid tot dit Verdrag kunnen toetreden. Deze toetreding zal geschieden door een kennisgeving aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die haar zal nederleggen in de archieven van het Secretariaat.
De Secretaris-Generaal zal van de nederlegging onmiddellijk kennis geven aan alle Leden van den Volkenbond en aan Staten niet-Leden, die dit Verdrag hebben onderteekend, of die daartoe zijn toegetreden.
Artikel VI
Dit Verdrag treedt eerst in werking, wanneer de bekrachtiging of de toetreding zal hebben plaats gehad namens zeven Leden van den Volkenbond of Staten niet-Leden, waaronder drie permanente Leden van den Volkenbondsraad.
De datum van inwerkingtreding zal zijn de negentigste dag, volgende op de ontvangst door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond van de zevende bekrachtiging of toetreding, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel.
De Secretaris-Generaal van den Volkenbond zal, bij het doen der kennisgevingen, bedoeld bij de artikelen IV en V, in het bijzonder doen blijken, dat de bekrachtigingen of toetredingen, bij het eerste lid van dit artikel bedoeld, verkregen zijn.
Artikel VII
Iedere bekrachtiging of toetreding, welke zal geschieden na de inwerkingtreding van het Verdrag overeenkomstig artikel VI, zal van kracht zijn te rekenen vanaf den negentigsten dag, volgende op den datum van haar ontvangst door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.
Artikel VIII
Behoudens in geval van dringende noodzakelijkheid kan dit Verdrag niet worden opgezegd voor het einde van een termijn van twee jaren, te rekenen vanaf den datum zijner inwerkingtreding voor het Lid van den Volkenbond of voor den Staat niet-Lid, die tot opzegging overgaat; deze opzegging zal van kracht worden te rekenen van af den negentigsten dag, volgende op de ontvangst door den Secretaris-Generaal van de tot hem gerichte kennisgeving.
Iedere opzegging zal onmiddellijk door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond worden medegedeeld aan alle andere Hooge Verdragsluitende Partijen.
De Hooge Verdragsluitende Partij, die in de gevallen van dringende noodzakelijkheid opzegt, zal daarvan rechtstreeks en onmiddellijk mededeeling doen aan alle andere Hooge Verdragsluitende Partijen, en de opzegging zal van kracht worden twee dagen na de ontvangst van de mededeeling door genoemde Hooge Verdragsluitende Partijen. De Hooge Verdragsluitende Partij, welke aldus opzegt, zal van haar besluit eveneens mededeeling doen aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.
Iedere opzegging zal slechts van kracht zijn voor de Hooge Verdragsluitende Partijen, namens welke zij zal hebben plaats gehad.
Artikel IX
Ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat niet-Lid, voor wien dit Verdrag van kracht is, zal na het einde van het vierde jaar, volgende op de inwerkingtreding van dit Verdrag, een verzoek kunnen richten tot den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, strekkende tot herziening van enkele of van alle bepalingen van dit Verdrag.
Indien een zoodanig verzoek na mededeeling aan de andere Leden van den Volkenbond of Staten niet-Leden, voor wie het Verdrag alsdan van kracht zal zijn, binnen den termijn van een jaar wordt gesteund door tenminste zes van hen, zal de Raad van den Volkenbond beslissen of er reden is te dien einde een Conferentie samen te roepen.
Artikel X
De Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen op het oogenblik van onderteekening, bekrachtiging of toetreding verklaren, dat zij door de aanvaarding van dit Verdrag geen verplichting op zich wenschen te nemen ten aanzien van alle of eenige van haar koloniën, protectoraten of gebieden, die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst; in dat geval zal dit Verdrag niet van toepassing zijn op de gebieden, die in een zoodanige verklaring zijn genoemd.
De Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen later ten allen tijde ter kennis van den Secretaris-Generaal van den Volkenbond brengen, dat zij wenschen, dat dit Verdrag van toepassing zal zijn op alle of eenige gebieden, die in de verklaring, bedoeld in het voorgaande lid, zijn genoemd. In dat geval zal het Verdrag van toepassing zijn op de gebieden, die in deze mededeeling worden genoemd, negentig dagen na de ontvangst daarvan door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.
Evenzoo kunnen de Hooge Verdragsluitende Partijen dit Verdrag, overeenkomstig artikel VIII, opzeggen ten aanzien van alle of eenige van haar koloniën, protectoraten of gebieden, die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst.
Artikel XI
Dit Verdrag zal door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond onmiddellijk bij zijn inwerkingtreding worden geregistreerd.
HOOFDSTUK I. Van de uitgifte en den vorm van de chèque.
Artikel 1
De chèque behelst:
- 1°. de benaming „chèque”, opgenomen in den tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
- 2°. de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
- 3°. den naam van dengene, die betalen moet (betrokkene);
- 4°. de aanwijzing van de plaats, waar de betaling moet geschieden;
- 5°. de vermelding van de dagteekening, alsmede van de plaats, waar de chèque is getrokken;
- 6°. de handteekening van dengene, die de chèque uitgeeft (trekker).
Artikel 2
De titel, waarin ééne der vermeldingen, in het voorgaande artikel aangegeven, ontbreekt, geldt niet als chèque, behoudens in de hieronder genoemde gevallen.
Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing, wordt de plaats, aangegeven naast den naam van den betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling. Indien meerdere plaatsen zijn aangegeven naast den naam van den betrokkene, is de chèque betaalbaar op de eerstaangegevene plaats.
Bij gebreke van die aanwijzingen of van iedere andere aanwijzing, is de chèque betaalbaar in de plaats, waar het hoofdkantoor van den betrokkene is gevestigd.
De chèque, welke niet de plaats aanwijst, waar zij is getrokken, wordt geacht te zijn onderteekend in de plaats, aangegeven naast den naam des trekkers.
Artikel 3
De chèque moet worden getrokken op eenen bankier, die fonds onder zich heeft ter beschikking van den trekker, en krachtens een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst, volgens welke de trekker het recht heeft door middel van chèque over dat fonds te beschikken. In geval van niet-inachtneming van die voorschriften blijft de titel echter als chèque geldig.
Artikel 4
De chèque kan niet worden geaccepteerd. Eene vermelding van acceptatie, op de chèque gesteld, wordt voor niet geschreven gehouden.
Artikel 5
De chèque kan betaalbaar worden gesteld:
- aan een met name genoemden persoon, met of zonder uitdrukkelijke clausule: „aan order”;
- aan een met name genoemden persoon, met de clausule: „niet aan order”, of een soortgelijke clausule;
- aan toonder.
De chèque, betaalbaar gesteld aan een met name genoemden persoon, met de vermelding: „of aan toonder”, of een soortgelijke uitdrukking, geldt als chèque aan toonder.
De chèque zonder vermelding van den nemer geldt als chèque aan toonder.
Artikel 6
De chèque kan aan de order van den trekker luiden.
De chèque kan worden getrokken voor rekening van eenen derde.
De chèque kan niet worden getrokken op den trekker zelf, behalve wanneer het betreft eene chèque, getrokken tusschen verschillende kantoren van een zelfden trekker.
Artikel 7
Eene in de chèque opgenomen renteclausule wordt voor niet geschreven gehouden.
Artikel 8
De chèque kan betaalbaar zijn aan de woonplaats van eenen derde, hetzij de plaats, waar de betrokkene zijn domicilie heeft, hetzij een andere plaats, mits echter de derde een bankier zij.
Artikel 9
De chèque, waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten beloope van de som, voluit in letters geschreven.
De chèque, waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten beloope van de kleinste som.
Artikel 10
Indien de chèque handteekeningen bevat van personen, die onbekwaam zijn zich door middel van eene chèque te verbinden, valsche handteekeningen of handteekeningen van verdichte personen, of handteekeningen, welke, onverschillig om welke andere reden, de personen, die die handteekeningen hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen der andere personen, wier handteekeningen op de chèque voorkomen, desniettemin geldig.
Artikel 11
Ieder, die zijne handteekening op eene chèque plaatst als vertegenwoordiger van eenen persoon, voor wien hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens de chèque verbonden, en heeft, betaald hebbende, dezelfde rechten, als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van den vertegenwoordiger, die zijne bevoegdheid heeft overschreden.
Artikel 12
De trekker staat in voor de betaling. Elke clausule, waarbij hij deze verplichting uitsluit, wordt voor niet geschreven gehouden.
Artikel 13
Indien eene chèque, onvolledig ten tijde der uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, kan de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan den houder, tenzij deze de chèque te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.
HOOFDSTUK II. Van de overdracht.
Artikel 14
De chèque, die betaalbaar is gesteld aan een met name genoemden persoon met of zonder uitdrukkelijke clausule: „aan order”, kan door middel van endossement worden overgedragen.
De chèque, die betaalbaar is gesteld aan een met name genoemden persoon met de clausule: „niet aan order”, of een soortgelijke clausule, kan slechts worden overgedragen in den vorm en met de gevolgen van een gewone cessie.
Het endossement kan worden gesteld zelfs ten voordeele van den trekker of van iederen anderen chèqueschuldenaar. Deze personen kunnen de chèque opnieuw endosseeren.
Artikel 15
Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke daarin opgenomen voorwaarde wordt voor niet geschreven gehouden.
Het gedeeltelijke endossement is nietig.
Eveneens is nietig het endossement van den betrokkene.
Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.
Het endossement aan den betrokkene geldt slechts als kwijting, behoudens wanneer de betrokkene meer kantoren heeft en wanneer het endossement is gesteld ten voordeele van een ander kantoor dan dat, waarop de chèque is getrokken.
Artikel 16
Het endossement moet gesteld worden op de chèque of op een vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden onderteekend door den endossant.
Het endossement kan den geëndosseerde onvermeld laten, of bestaan uit de enkele handteekening van den endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement om geldig te zijn, op de rugzijde van de chèque of op het verlengstuk worden gesteld.
Artikel 17
Door het endossement worden alle uit de chèque voortvloeiende rechten overgedragen:
Indien het endossement in blanco is, kan de houder:
- 1°. het blanco invullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met den naam van een anderen persoon;
- 2°. de chèque wederom in blanco of aan een anderen persoon endosseeren;
- 3°. de chèque aan eenen derde overgeven, zonder het blanco in te vullen, en zonder haar te endosseeren.
Artikel 18
Tenzij het tegendeel bedongen is, staat de endossant in voor de betaling.
Hij kan een nieuw endossement verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen, aan wie de chèque later is geëndosseerd, niet in voor de betaling.
Artikel 19
Hij, die een door endossement overdraagbare chèque onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, zelfs indien het laatste endossement in blanco is gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet geschreven gehouden. Wanneer een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de onderteekenaar van dit laatste geacht, de chèque door het endossement in blanco verkregen te hebben.
Artikel 20
Een op eene chèque aan toonder voorkomend endossement maakt den endossant verantwoordelijk overeenkomstig de bepalingen betreffende het recht van regres; het maakt overigens den titel niet tot eene chèque aan order.
Artikel 21
Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van de chèque heeft verloren, is de houder, in wiens handen de chèque zich bevindt, niet verplicht de chèque af te geven, tenzij hij deze te kwader trouw heeft verkregen, of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is en zulks onverschillig of het betreft eene chèque aan toonder, dan wel een voor endossement vatbare chèque, ten aanzien van welke de houder op de wijze in artikel 19 voorzien van zijn recht doet blijken.
Artikel 22
Zij, die uit hoofde van de chèque worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot den trekker of tot vroegere houders, niet aan den houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van de chèque desbewust ten nadeele van den schuldenaar heeft gehandeld.
Artikel 23
Wanneer het endossement de vermelding bevat: „waarde ter incasseering”, „ter incasso”, „in lastgeving” of eenige andere vermelding, met zich brengend een bloote opdracht tot inning, kan de houder alle uit de chèque voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij kan deze niet anders endosseeren dan bij wege van lastgeving.
De chèqueschuldenaren kunnen in dat geval aan den houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan den endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.
De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door den dood of door de latere onbekwaamheid van den lastgever.
Artikel 24
Het endossement, na het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring, of na het einde van den aanbiedingstermijn op de chèque gesteld, heeft slechts de gevolgen eener gewone cessie.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.