Verdrag tot invoering van een eenvormige wet op wisselbrieven en orderbriefjes
(Opsomming van Staatshoofden.)
Verlangend de moeilijkheden te voorkomen, waartoe de verscheidenheid van de wetgevingen der landen, waar wisselbrieven moeten circuleeren, aanleiding geeft, en dus de zekerheid en de snelheid der betrekkingen van den internationalen handel te bevorderen,
Hebben als hun Gevolmachtigden aangewezen:
(Lijst van Gevolmachtigden.)
Die, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:
Artikel I
Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen verbindt zich om de eenvormige wet, vervat in Bijlage I van dit Verdrag, binnen haar grondgebied in te voeren, hetzij in een der oorspronkelijke teksten, hetzij in haar landstaal.
Deze verbintenis zal, indien daartoe aanleiding bestaat, beperkt worden door zoodanige voorbehouden als ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen op het tijdstip van bekrachtiging of toetreding zal aangeven. Deze voorbehouden moeten worden gekozen uit de in Bijlage II van dit Verdrag vermelde.
Echter kunnen de voorbehouden, bedoeld bij de artikelen 2, 12 en 18 van genoemde Bijlage II, worden gemaakt na de bekrachtiging of de toetreding, mits daarvan wordt kennis gegeven aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van den tekst dier voorbehouden onmiddellijk zal kennis geven aan de Leden van den Volkenbond en aan de Staten niet-Leden, ten wier name dit Verdrag zal zijn bekrachtigd of ten wier name de toetreding zal hebben plaats gehad. Zoodanige voorbehouden zullen niet van kracht zijn voor den negentigsten dag, volgende op de ontvangst der bovengenoemde kennisgeving door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.
Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan, in geval van dringende noodzakelijkheid, na bekrachtiging of toetreding, gebruik maken van de voorbehouden bedoeld bij de artikelen 7 en 22 van genoemde Bijlage II. In deze gevallen zal zij daarvan rechtstreeks en onmiddellijk kennis geven aan alle andere Verdragsluitende Partijen en aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. De kennisgeving van die voorbehouden zal van kracht worden twee dagen na ontvangst van die kennisgeving door de Hooge Verdragsluitende Partijen.
Artikel II
De eenvormige wet zal binnen het grondgebied van ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen niet van toepassing zijn op wisselbrieven en orderbriefjes, welke reeds getrokken waren op het oogenblik van de inwerkingtreding van dit Verdrag.
Artikel III
Dit Verdrag, waarvan de Fransche en Engelsche teksten beide authentiek zijn, zal de dagteekening van heden dragen.
Het zal tot 6 September 1930 kunnen worden onderteekend namens ieder Lid van den Volkenbond en iederen Staat niet-Lid.
Artikel IV
Dit Verdrag zal worden bekrachtigd.
De oorkonden van bekrachtiging zullen vóór den 1sten September 1932 worden nedergelegd bij den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst onmiddellijk mededeeling zal doen aan alle Leden van den Volkenbond en aan alle Staten niet-Leden, die partij zijn bij dit Verdrag.
Artikel V
Van 6 September 1930 af zal ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat niet-Lid tot dit Verdrag kunnen toetreden.
Deze toetreding zal geschieden door een kennisgeving aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die haar zal nederleggen in de archieven van het Secretariaat.
De Secretaris-Generaal zal van de nederlegging onmiddellijk kennis geven aan allen, die dit Verdrag hebben onderteekend, of die daartoe zijn toegetreden.
Artikel VI
Dit Verdrag treedt eerst in werking, wanneer de bekrachtiging of de toetreding zal hebben plaats gehad namens zeven Leden van den Volkenbond of Staten niet-Leden, waaronder drie permanente Leden van den Volkenbondsraad.
De datum van inwerkingtreding zal zijn de negentigste dag, volgende op de ontvangst door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond van de zevende bekrachtiging of toetreding, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel.
De Secretaris-Generaal van den Volkenbond zal, bij het doen der kennisgevingen, bedoeld bij de artikelen IV en V, in het bijzonder doen blijken, dat de bekrachtigingen of toetredingen, bij het eerste lid van dit artikel bedoeld, verkregen zijn.
Artikel VII
Iedere bekrachtiging of toetreding, welke zal geschieden na de inwerkingtreding van het Verdrag overeenkomstig artikel VI, zal van kracht zijn te rekenen van af den negentigsten dag, volgende op den datum van haar ontvangst door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.
Artikel VIII
Behoudens in geval van dringende noodzakelijkheid kan dit Verdrag niet worden opgezegd voor het einde van een termijn van twee jaren, te rekenen van af den datum zijner inwerkingtreding voor het Lid van den Volkenbond of voor den Staat niet-Lid, die tot opzegging overgaat; deze opzegging zal van kracht worden te rekenen van af den negentigsten dag, volgende op de ontvangst door den Secretaris-Generaal van de tot hem gerichte kennisgeving.
Iedere opzegging zal onmiddellijk door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond worden medegedeeld aan alle andere Hooge Verdragsluitende Partijen.
De Hooge Verdragsluitende Partij, die in de gevallen van dringende noodzakelijkheid opzegt, zal daarvan rechtstreeks en onmiddellijk mededeeling doen aan alle andere Hooge Verdragsluitende Partijen, en de opzegging zal van kracht worden twee dagen na de ontvangst van de mededeeling door genoemde Hooge Verdragsluitende Partijen. De Hooge Verdragsluitende Partij, welke aldus opzegt, zal van haar besluit eveneens mededeeling doen aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.
Iedere opzegging zal slechts van kracht zijn voor de Hooge Verdragsluitende Partij, namens welke zij zal hebben plaats gehad.
Artikel IX
Ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat niet-Lid, voor wien dit Verdrag van kracht is, zal na het einde van het vierde jaar, volgende op de inwerkingtreding van dit Verdrag een verzoek kunnen richten tot den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, strekkende tot herziening van enkele of van alle bepalingen van dit Verdrag.
Indien een zoodanig verzoek, na mededeeling aan de andere Leden van den Volkenbond of Staten niet-Leden, voor wie het Verdrag alsdan van kracht zal zijn, binnen den termijn van een jaar wordt gesteund door tenminste zes van hen, zal de Raad van den Volkenbond beslissen of er reden is te dien einde een Conferentie samen te roepen.
Artikel X
De Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen op het oogenblik van onderteekening, bekrachtiging of toetreding verklaren, dat zij door de aanvaarding van dit Verdrag geen verplichting op zich wenschen te nemen ten aanzien van alle of eenige van haar koloniën, protectoraten of gebieden, die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst; in dat geval zal dit Verdrag niet van toepassing zijn op de gebieden, die in een zoodanige verklaring zijn genoemd.
De Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen later ten allen tijde ter kennis van den Secretaris-Generaal van den Volkenbond brengen, dat zij wenschen, dat dit Verdrag van toepassing zal zijn op alle of eenige gebieden, die in de verklaring, bedoeld in het voorgaande lid, zijn genoemd. In dat geval zal het Verdrag van toepassing zijn op de gebieden, die in deze mededeeling worden genoemd, negentig dagen na de ontvangst daarvan door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.
Evenzoo kunnen de Hooge Verdragsluitende Partijen dit Verdrag, overeenkomstig artikel VIII, opzeggen ten aanzien van alle of eenige van haar koloniën, protectoraten of gebieden, die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst.
Artikel XI
Dit Verdrag zal door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond onmiddellijk bij zijn inwerkingtreding worden geregistreerd. Het zal vervolgens zoo spoedig mogelijk worden gepubliceerd in den „Recueil des Traités” van den Volkenbond.
TITEL EERSTE. Van den wisselbrief.
HOOFDSTUK I. Van de uitgifte en den vorm van den wisselbrief.
Artikel 1
De wisselbrief behelst:
- 1°. de benaming „wisselbrief", opgenomen in den tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
- 2°. de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
- 3°. den naam van dengene, die betalen moet (betrokkene);
- 4°. de aanwijzing van den vervaldag;
- 5°. die van de plaats, waar de betaling moet geschieden;
- 6°. den naam van dengene, aan wien of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
- 7°. de vermelding van de dagteekening, alsmede van de plaats, waar de wisselbrief is getrokken;
- 8°. de handteekening van dengene, die den wisselbrief uitgeeft (trekker).
Artikel 2
De titel, waarin ééne der vermeldingen, in het voorgaande artikel aangegeven, ontbreekt, geldt niet als wisselbrief, behoudens in de hieronder genoemde gevallen:
De wisselbrief, waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.
Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats, aangegeven naast den naam van den betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de plaats van het domicilie des betrokkenen.
De wisselbrief, welke niet de plaats aanwijst, waar hij is getrokken, wordt geacht te zijn onderteekend in de plaats, aangegeven naast den naam des trekkers.
Artikel 3
De wisselbrief kan aan de order van den trekker luiden.
Hij kan worden getrokken op den trekker zelf.
Hij kan worden getrokken voor rekening van eenen derde.
Artikel 4
Een wisselbrief kan betaalbaar zijn aan de woonplaats van eenen derde, hetzij in de plaats, waar de betrokkene zijn domicilie heeft, hetzij in een andere plaats.
Artikel 5
In eenen wisselbrief, betaalbaar op zicht of een zekeren tijd na zicht, kan de trekker bepalen, dat de som rente draagt. In elken anderen wisselbrief wordt deze clausule voor niet geschreven gehouden.
De rentevoet moet in den wisselbrief worden aangegeven. Bij gebreke hiervan wordt de renteclausule voor niet geschreven gehouden.
De rente loopt te rekenen van de dagteekening van den wisselbrief, tenzij een andere dag is aangegeven.
Artikel 6
De wisselbrief, waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten beloope van de som, voluit in letters geschreven.
De wisselbrief, waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten beloope van de kleinste som.
Artikel 7
Indien de wisselbrief handteekeningen bevat van personen, die onbekwaam zijn zich door middel van eenen wisselbrief te verbinden, valsche handteekeningen, of handteekeningen van verdichte personen, of handteekeningen, welke, onverschillig om welke andere reden, de personen, die die handteekeningen hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen der andere personen, wier handteekeningen op den wisselbrief voorkomen, desalniettemin geldig.
Artikel 8
Ieder, die zijne handteenening op eenen wisselbrief plaatst als vertegenwoordiger van eenen persoon, voor wien hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens den wisselbrief verbonden, en heeft, betaald hebbende, dezelfde rechten, als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van den vertegenwoordiger, die zijne bevoegdheid heeft overschreden.
Artikel 9
De trekker staat in voor de acceptatie en voor de betaling.
Hij kan zijne verplichting, voor de acceptatie in te staan, uitsluiten; elke clausule, waarbij hij de verplichting, voor de betaling in te staan, uitsluit, wordt voor niet-geschreven gehouden.
Artikel 10
Indien een wisselbrief, onvolledig ten tijde der uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, kan de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan den houder, tenzij deze den wisselbrief te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.
HOOFDSTUK II. Van het endossement.
Artikel 11
Elke wisselbrief, ook die welke niet uitdrukkelijk aan order luidt, kan door middel van endossement worden overgedragen.
Indien de trekker in den wisselbrief de woorden: „niet aan order” of een soortgelijke uitdrukking heeft opgenomen, kan het stuk slechts worden overgedragen in den vorm en met de gevolgen van een gewone cessie.
Het endossement kan worden gesteld zelfs ten voordeele van den betrokkene, al of niet acceptant, van den trekker, of van elken anderen wisselschuldenaar. Deze personen kunnen den wisselbrief opnieuw endosseeren.
Artikel 12
Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke daarin opgenomen voorwaarde wordt voor niet-geschreven gehouden.
Het gedeeltelijke endossement is nietig.
Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.
Artikel 13
Het endossement moet worden gesteld op den wisselbrief of op een daaraan vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden onderteekend door den endossant.
Het endossement kan den geëndosseerde onvermeld laten of bestaan uit de enkele handteekening van den endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement, om geldig te zijn, op de rugzijde van den wisselbrief of op het verlengstuk worden gesteld.
Artikel 14
Door het endossement worden alle uit den wisselbrief voortvloeiende rechten overgedragen.
Indien het endossement in blanco is, kan de houder:
- 1°. het blanco invullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met den naam van een anderen persoon;
- 2°. den wisselbrief wederom in blanco of aan een anderen persoon endosseeren;
- 3°. den wisselbrief aan eenen derde overgeven, zonder het blanco in te vullen en zonder hem te endosseeren.
Artikel 15
Tenzij het tegendeel bedongen is, staat de endossant in voor de acceptatie en voor de betaling.
Hij kan een nieuw endossement verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen, aan wie de wisselbrief later is geëndosseerd, niet in voor de acceptatie en voor de betaling.
Artikel 16
Hij, die eenen wisselbrief onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, zelfs indien het laatste endossement in blanco is gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet geschreven gehouden. Wanneer een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de onderteekenaar van dit laatste geacht den wisselbrief door een endossement in blanco verkregen te hebben.
Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van den wisselbrief heeft verloren, is de houder, die van zijn recht doet blijken op de wijze, bij het voorgaande lid aangegeven, niet verplicht den wisselbrief af te geven, tenzij hij dezen te kwader trouw heeft verkregen, of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.
Artikel 17
Zij, die uit hoofde van den wisselbrief worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot den trekker of tot vroegere houders, niet aan den houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van den wisselbrief desbewust ten nadeele van den schuldenaar heeft gehandeld.
Artikel 18
Wanneer het endossement de vermelding bevat: „waarde ter incasseering”, „ter incasso”, „in lastgeving”, of eenige andere vermelding, met zich brengend een bloote opdracht tot inning, kan de houder alle uit den wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij kan dezen niet anders endosseeren dan bij wege van lastgeving.
De wisselschuldenaren kunnen in dat geval aan den houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan den endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.
De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door den dood of door de latere onbekwaamheid van den lastgever.
Artikel 19
Wanneer een endossement de vermelding bevat: „waarde tot zekerheid”, „waarde tot pand”, of eenige andere vermelding, welke inpandgeving met zich brengt, kan de houder alle uit den wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar een door hem gesteld endossement geldt slechts als endossement bij wege van lastgeving.
De wisselschuldenaren kunnen den houder de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot den endossant, niet tegenwerpen, tenzij de houder bij de ontvangst van den wisselbrief desbewust ten nadeele van den schuldenaar heeft gehandeld.
Artikel 20
Een endossement, gesteld na den vervaldag, heeft dezelfde gevolgen als een endossement, gesteld vóór den vervaldag. Echter heeft het endossement, gesteld na het protest van non-betaling of na het verstrijken van den termijn, voor het opmaken van het protest bepaald, slechts de gevolgen eener gewone cessie.
Behoudens tegenbewijs wordt het endossement zonder dagteekening geacht te zijn gesteld vóór het verstrijken van den termijn, voor het opmaken van het protest bepaald.
HOOFDSTUK III. Van de acceptatie.
Artikel 21
De wisselbrief kan tot den vervaldag door den houder of door iemand, die hem enkel onder zich heeft, aan den betrokkene te zijner woonplaats ter acceptatie worden aangeboden.
Artikel 22
In elken wisselbrief kan de trekker, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen, dat deze ter acceptatie moet worden aangeboden.
Hij kan in den wisselbrief de aanbieding ter acceptatie verbieden, behoudens wisselbrieven, betaalbaar bij eenen derde, of betaalbaar in een andere plaats dan die van het domicilie des betrokkenen of betaalbaar een zekeren tijd na zicht.
Hij kan ook bepalen, dat de aanbieding ter acceptatie niet kan plaats hebben vóór een bepaalden dag.
Tenzij de trekker heeft verklaard, dat de wisselbrief niet vatbaar is voor acceptatie, kan elke endossant, al dan niet met vaststelling van eenen termijn, bepalen, dat hij ter acceptatie moet worden aangeboden.
Artikel 23
Wisselbrieven, betaalbaar een zekeren tijd na zicht, moeten ter acceptatie worden aangeboden binnen een jaar na hunne dagteekening.
De trekker kan dezen termijn verkorten of verlengen.
De endossanten kunnen deze termijnen verkorten.
Artikel 24
De betrokkene kan verzoeken, dat hem een tweede aanbieding wordt gedaan den dag, volgende op de eerste. Belanghebbenden zullen niet zich er op mogen beroepen, dat aan dit verzoek geen gevolg is gegeven, tenzij het verzoek in het protest is vermeld.
De houder is niet verplicht, den ter acceptatie aangeboden wisselbrief aan den betrokkene af te geven.
Artikel 25
De acceptatie wordt op den wisselbrief gesteld. Zij wordt uitgedrukt door het woord: „geaccepteerd”, of door een soortgelijk woord; zij wordt door den betrokkene onderteekend. De enkele handteekening van den betrokkene, op de voorzijde van den wisselbrief gesteld, geldt als acceptatie.
Wanneer de wisselbrief betaalbaar is een zekeren tijd na zicht, of wanneer hij krachtens een uitdrukkelijk beding ter acceptatie moet worden aangeboden binnen een bepaalden termijn, moet de acceptatie als dagteekening inhouden den dag, waarop zij is geschied, tenzij de houder dien van de aanbieding eischt. Bij gebreke van dagteekening moet de houder dit verzuim door een tijdig protest doen vaststellen, op straffe van verlies van zijn recht van regres op de endossanten en den trekker.
Artikel 26
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.