Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Ottomaanse Rijk inzake de toelating van Turkse Consuls in de voornaamste havens der Nederlandse koloniën
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, de vriendschapsbanden die tusschen het Koningrijk der Nederlanden en het Ottomanische Rijk bestaan, wenschende toe te halen, en aan de handelsbetrekkingen, die zoo gelukkig tusschen de beide natien tot stand zijn gebragt, de meest mogelijke uitbreiding willende verzekeren, heeft, ten einde dat doel te bereiken en om te voldoen aan het verlangen, door de Regering van Zijne Keizerlijke Majesteit den Sultan te kennen gegeven, toegestemd in het toelaten van consuls der Verhevene Porte in de voornaamste havens der Nederlandsche kolonien, onder voorbehoud evenwel, deze vergunning tot het onderwerp te maken eener uitdrukkelijke overeenkomst, waarbij de regten, verpligtingen en vrijdommen dier consuls in de gezegde kolonien duidelijk en naauwkeurig worden omschreven.
Te dien einde heeft Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden benoemd:
Jonkheer Daniel Theodore Gevers van Endegeest, kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, kommandeur der orde van Wasa van Zweden, ridder der orde van St. Anna, 2de klasse, met diamanten, Hoogstdeszelfs Staatsraad en Minister van Buitenlandsche Zaken, en den heer Pieter Mijer, kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, Hoogstdeszelfs Minister van Kolonien;
en Zijne Keizerlijke Majesteit de Sultan,
Prins Constantijn Caradja, Staatsambtenaar van den eersten rang, Buitengewoon Gezant en Gevolmagtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, opgenomen in de Keizerlijke orde van de Migidiqié, 4de klasse, grootkruis der Koninklijke orde van Isabella la Catolica van Spanje, grootkruis der Guelphen orde van Hannover, groot-officier van het Legioen van Eer, commandeur der Koninklijke orde van St. Ferdinand van Napels, commandeur der Koninklijke orde van Burgerlijke Verdienste der Kroon van Beijeren;
die, na elkander hunne volmagten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, te hebben medegedeeld, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen:
Art. 1
Er worden consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten van de Verhevene Porte toegelaten in al de havens van de overzeesche bezittingen of kolonien der Nederlanden, welke open zijn voor de schepen van alle landen.
Art. 2
De consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten van de Verhevene Porte worden beschouwd als handelsagenten, ter bescherming van den zeehandel hunner landgenooten in de havens van het ressort van hun consulair arrondissement.
Zij zijn onderworpen zoowel aan de burgerlijke als aan de strafwetten des lands, waar zij gevestigd zijn, onverminderd de uitzonderingen, die de tegenwoordige overeenkomst in hun belang vaststelt.
Art. 3
De consuls-generaal, consuls en vice-consuls, alvorens tot de uitoefening hunner werkzaamheden te worden toegelatenen, en het genot te hebben van de vrijdommen, die daaraan verbonden zijn, leggen aan de Regering van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden eene commissie in behoorlijken vorm over.
Nadat het exequatur, 't welk zoo spoedig mogelijk door den gouverneur der kolonie zal worden mede-onderteekend, is verleend, hebben gezegde consulaire ambtenaren van allen rang regt op de bescherming der Regering en op den bijstand der plaatselijke overheid voor de vrije uitoefening hunner betrekking.
De Regering behoudt zich, bij het verleenen van het exequatur, de bevoegdheid voor, dit weder in te trekken of door den gouverneur der kolonie te doen intrekken, met opgave der redenen van dien maatregel.
Art. 4
De consuls-generaal, consuls en vice-consuls zijn geregtigd boven de buitendeur hunner consulaten het wapen van hunne regering te plaatsen, met het opschrift: »Consulaat van de Verhevene Porte.”
Het is uitdrukkelijk verstaan dat dit uitwendig teeken nimmer kan worden aangemerkt als gevende het jus asyli, noch als kunnende de woning en hare bewoners onttrekken aan de vervolging der plaatselijke justitie.
Art. 5
Het staat echter vast dat de archieven en bescheiden betreffende de consulaire zaken, tegen elk onderzoek zullen beschermd zijn, en dat geen overheid of ambtenaar de bevoegdheid zal hebben, die op eenigerhande wijze of onder eenig voorwendsel te onderzoeken, in beslag te nemen of daarvan inzage te hebben.
Art. 6
De consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten zijn met geenerhande diplomatieke waardigheid bekleed.
Iedere aanvrage die aan de Nederlandsche Regering moet worden gedaan, geschiedt door tusschenkomst van den diplomatieken agent, te 's Gravenhage gevestigd. Bij gebreke van zoodaanigen agent, en in spoedvereischende gevallen, kan de consul-generaal, consul of vice-consul zelf de aanvrage doen aan den gouverneur der kolonie, daarbij het dringende der zaak bewijzende, en de redenen uiteenzettende waarom de aanvrage niet aan de ondergeschikte overheid kan worden gedaan, of aantoonende dat de vroegere aanvragen aan deze overheden zonder gevolg zijn gebleven.
Art. 7
De consuls-generaal en de consuls zijn bevoegd consulaire agenten te benoemen in de havens, vermeld in art. 1.
De consulaire agenten kunnen zonder onderscheid zijn Nederlandsche onderdanen, Ottomanische onderdanen of onderdanen van elk ander land, gevestigd of kunnende, volgens de bepalingen der plaatselijke wetten, worden toegelaten tot het zich vestigen in de haven, waar de consulaire agent wordt aangesteld.
Deze consulaire agenten, wier benoeming onderworpen is aan de goedkeuring van den gouverneur der kolonie, worden voorzien van eene aanstelling, afgegeven door den consul, onder wiens bevelen zij werkzaam moeten zijn.
De gouverneur der kolonie kan in ieder geval de goedkeuring, waarvan zoo even is gesproken, aan de consulaire agenten ontnemen, onder mededeeling der redenen van zoodanigen maatregel aan den consul-generaal of consul.
Art. 8
De paspoorten, door consulaire ambtenaren van allen rang afgegeven of geviseerd, ontslaan geenszins van de verpligting om zich te voorzien van al de stukken, door de plaatselijke wetten tot het reizen of zich vestigen in de kolonien gevorderd.
Het regt om het verblijf in de kolonie te ontzeggen, of de verwijdering te bevelen van den persoon aan wien een paspoort is afgegeven, blijft den gouverneur der kolonie voorbehouden.
Art. 9
Wanneer een Ottomanisch schip op de kusten van een der Nederlandsche kolonien komt te stranden, neemt, bij afwezigheid of met toestemming van den kapitein, de consul-generaal, consul, vice-consul of consulaire agent, aanwezig ter plaatse van den schipbreuk of van de berging, al de noodige maatregelen tot redding van schip, lading en alles wat daartoe behoort.
Bij afwezendheid van den consul-generaal, consul, vice-consul of consulairen agent, neemt de Nederlandsche overheid der plaats, waar het schip is gestrand, de maatregelen, bij de wetten der kolonie voorgeschreven.
Art. 10
De consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten kunnen, voor zoover de uitlevering van deserteurs van Ottomanische koopvaardij- of oorlogsschepen bij tractaat is bedongen, de hulp der plaatselijke overheid inroepen tot het aanhouden, gevangen nemen en in verzekerde bewaring houden van deserteurs dier schepen; zij wenden zich te dien einde tot de bevoegde ambtenaren en eischen de gezegde deserteurs schriftelijk op, mits uit de scheepsregisters, monsterrollen of ieder ander authentiek stuk bewijzende, dat de opgeëischte personen behoord hebben tot de manschap.
Wanneer de opeisching op deze wijze is gestaafd, wordt de uitlevering toegestaan. De plaatselijke overheid is gehouden gebruik te maken van al de middelen in hare magt, ten einde de uitlevering der deserteurs geschiede.
Na hunne aanhouding worden deze deserteurs gesteld ter beschikking van de gezegde consulaire ambtenaren en kunnen, op aanvrage en op kosten van degenen die hen opeischen, worden opgesloten in de openbare gevangenissen, ten einde te worden gezonden naar de schepen waartoe zij behooren, of naar andere schepen van dezelfde natie. Indien zij echter binnen drie maanden na den dag hunner aanhouding niet teruggezonden zijn, worden zij in vrijheid gesteld en kunnen zij om dezelfde reden niet wederom in hechtenis worden genomen.
Het staat echter vast dat, indien de deserteur bevonden werd eenige misdaad, wanbedrijf of overtreding te hebben gepleegd, zijne uitlevering kan worden uitgesteld tot dat de betrokken regtbank uitspraak hebbe gedaan en deze ten uitvoer gelegd zij.
Art. 11
Wanneer een Ottomanisch onderdaan komt te overlijden zonder bekende erfgenamen of uitersten wilsuitvoerder na te laten, geven de Nederlandsche ambtenaren, die krachtens de wetten der kolonie met het beheer van den boedel zijn belast, daarvan kennis aan de consulaire ambtenaren, ten einde de noodige mededeeling aan de belanghebbenden te doen geworden.
Art. 12
De consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten hebben als zoodanig, voor zoover de wetgeving van het Ottomanische rijk zulks toelaat, het regt om tot scheidsmannen te worden benoemd in de geschiIlen, die tusschen de bevelvoerders en de manschap der Ottomanische schepen mogten ontstaan, en zulks zonder tusschenkomst der plaatselijke overheid, tenzij het gedrag der manschap of van den bevelvoerder van dien aard zij geweest, dat het de orde en rust van het land kunne storen, of dat de consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten den bijstand inroepen der gezegde overheid, om hunne uitspraken ten uitvoer te leggen of het gezag daarvan te handhaven.
Het staat echter vast dat deze bijzondere vorm van regtspleging of van uitspraak door scheidsmannen, der twistende partijen het regt niet ontneemt om daarvan, na hare terugkomst, bij de regterlijke magt van hun eigen land in hooger beroep te komen, wanneer de wetgeving van dit laatste haar dat regt toekent.
Art. 13
De consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten, die geen onderdanen zijn der Nederlanden, die, op het oogenblik hunner benoeming, niet als ingezetenen gevestigd zijn in het Koningrijk der Nederlanden of zijne kolonien, en die, behalve die van consul, geene betrekking hebben of geen beroep of handel uitoefenen, zijn, voor zoover in het Ottomanische rijk dezelfde gunsten aan de consuls-generaal, consuls en vice-consuls der Nederlanden zijn toegestaan, vrijgesteld van de inkwartiering, van de personele belasting en daarenboven van alle lands- of gemeentelijke belastingen, die worden aangemerkt als van personelen aard. Deze vrijdom kan zich nimmer uitstrekken tot de in- en uitgaande regten of andere indirecte of reële belastingen.
De consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten die geen ingezetenen of erkende onderdanen zijn der Nederlanden, maar die, gelijktijdig met hunne betrekking van consul, eenig beroep of eenigen handel mogten uitoefenen, zijn gehouden de lasten te dragen en de regten en belastingen te voldoen, even als alle Nederlandsche onderdanen en andere inwoners.
De consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten, die onderdanen zijn der Nederlanden, maar aan wie is toegestaan eene consulaire betrekking waar te nemen, door de Ottomanische regering opgedragen, zijn gehouden alle regten en belastingen, van welken aard ook, te voldoen.
Art. 14
De consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten van de Verhevene Porte genieten in de Nederlandsche kolonien alle andere voorregten, vrijstellingen en vrijdommen, die in het vervolg aan de agenten van gelijken rang van de meest bevoordeelde natie mogten worden toegestaan.
Art. 15
De tegenwoordige overeenkomst zal van kracht blijven gedurende vijf jaren, in te gaan met de uitwisseling der bekrachtigingen, welke zal plaats hebben binnen den termijn van twee maanden, of zoo mogelijk vroeger.
Ingeval geene der contracterende partijen twaalf maanden vóór het verloop van den gezegden tijd van vijf jaren haar voornemen te kennen geeft om de werking er van te doen ophouden, zal de overeenkomst gedurende nog één jaar van kracht blijven, te rekenen van den dag waarop de eene of andere der partijen haar zal hebben opgezegd.
En foi de quoi les plénipotentiaires respectifs ont signé la présente convention et y ont apposé leurs cachets.
Fait à la Haye, le vingt quatrième jour du mois d'Octobre de l'an de grâce mil huit cent cinquante six.
(get.) GEVERS D'ENDEGEEST.
(L. S.)
(get.) P. MIJER.
(L. S.)
(get.) le Pr. C. CARADJA.
(L. S.)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.