Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot regeling der wateraftappingen uit de Maas
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, wenschende op duurzame en afdoende wijze regelen te stellen voor de wateraftappingen van de Maas ten behoeve der voeding van de scheepvaart- en bevloeijingskanalen, hebben besloten te dien einde een tractaat aan te gaan, en tot hunne gevolmagden benoemd:
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden:
jhr PAUL VAN DER MAESEN DE SOMBREFF, ridder-grootkruis van de orde van den Nichan Iftihar van Tunis, Hoogstdeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken;
den heer JOHAN RUDOLF THORBECKE, ridder-grootkruis van de orde van den Nederlandschen Leeuw, grootkruis van de Leopoldsorde van Belgie en van verschillende andere orden, Hoogstdeszelfs Minister van Binnenlandsche Zaken; en
den heer GERARD HENDRIK BETZ, Hoogstdeszelfs Minister van Financien;
en Zijne Majesteit de Koning der Belgen:
den heer ALDEPHONSE ALEXANDER FELIX baron DU JARDIN, kommandeur der Leopoldsorde, versierd met het IJzeren Kruis, kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder-grootkruis der orde van de Eikenkroon, grootkruis en kommandeur van verschillende andere orden, Hoogstdeszelfs buitengewoon gezant en gevolmagtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden;
dewelke, na hunne in behoorlijken vorm bevonden volmagten te hebben uitgewisseld, de volgende artikelen hebben vastgesteld.
Art. 1
Er zal beneden Maastricht, aan den voet van het glacis der vesting, eene nieuwe prise d'eau aan de Maas worden gemaakt, die tot voedingskanaal zal strekken voor alle beneden die stad gelegen kanalen, zoowel als voor de bevloeijingen in de Kempen en in Nederland.
Art. 2
De sluis n°. 19 te Hocht zal opgeruimd worden en vervangen door eene nieuwe sluis, te maken in de Zuidwillemsvaart, boven het in art. 1 genoemde voedingskanaal.
Het gedeelte van het kanaal tusschen de sluis te Hocht en de nieuwe sluis zal zoodanig worden verbreed en verdiept, dat hetzelfde afvoervermogen en dezelfde diepgang worde verkregen als op het gedeelte van het pand tusschen de sluis n°. 19 te Hocht en de sluis n°. 19 te Bocholt.
Art. 3
Het peil voor den waterspiegel van het gedeelte van het kanaal tusschen Maastricht en de sluis n°. 18 te Bocholt zal zoodanig worden verhoogd, dat de afstrooming der hoeveelheden water, vermeld in de artt. 4 en 5 van het tegenwoordig tractaat, kunne geschieden zonder dat de middelbare snelheid van den stroom, gemeten in de as van het kanaal, een maximum van 25 tot 27 duim per seconde te boven ga.
Art. 4
De hoeveelheid van het aan de Maas af te tappen water word vastgesteld als volgt:
- a. wanneer de waterstand op de Maas boven het vaarpeil der rivier is, 10 kub. el per seconde;
- b. wanneer de waterstand gelijk met het vaarpeil of daarbeneden is, 7½ kub. el per seconde van den 15den October tot den 20sten Junij, en 6 kub. el van den 21sten Junij tot den 4den October.
De hoogte van het vaarpeil, thans afwisselend tusschen de merken van 30 en 40 duim boven de nul der peilschaal aan de brug te Maastricht, komt overeen met een minimum van diepgang tusschen Maastricht en Venlo van 70 duim.
Binnen een jaar na de bekrachtiging van het tegenwoordig tractaat, zal aan den mond der nieuwe, bij Maastricht aan te leggen prise d'eau, aan de zijde der Maas, eene peilschaal worden geplaatst, waarop met gemeen overleg een merk zal worden gesteld, overeenkomende met den waterstand aan de peilschaal bij bovengemelde brug, dat dan het vaarpeil aanwijst.
Ten gevolge van het voorafgaande zal, te rekenen van de voltooijing van het in art. 1 vermelde voedingskanaal, geen gebruik meer worden gemaakt van de prise d'eau aan de Maas te Hocht.
Art. 5
Van de 10 kub. el water, aan de Maas te Maastricht afgetapt, zal voor de kanalen en voor de bevloeijing in Nederland worden bestemd 2 kub. el per seconde, door te laten aan de sluis n°. 17 te Loozen.
Deze hoeveelheid van 2 kub. el wordt verminderd tot 1,50 kub. el, zoodra de te Maastricht afgetapte watermassa verminderd wordt, overeenkomstig het bepaalde in het vorig artikel. Het zal aan de Nederlandsche Regering vrijstaan, de hoeveelheid water, aan de Maas te Maastricht af te tappen, te vermeerderen, zonder dat daardoor de snelheid van den stroom in het kanaal de in art. 3 gestelde grenzen moge overschrijden.
Dit meerdere water zal evenzeer worden doorgelaten aan de sluis n°. 17 te Loozen.
Art. 6
Vervallen
Art. 7
De Belgische Regering zal aan de beken en waterleidingen, die, haren oorsprong in Belgie hebbende, naar het Nederlandsch grondgebied vloeijen, haren natuurlijken loop laten of teruggeven.
Art. 8
De Hooge contracterende Partijen zullen de noodige maatregelen nemen om, zooveel mogelijk, de stremming door aftapping van de kanalen van Luik tot de sluis n°. 17 te Loozen te voorkomen.
Geene verlaging dezer kanalen beneden het gewoon vaarpeil zal mogen geschieden, dan na voorafgaand overleg tusschen de beide Regeringen.
Art. 9
Ten einde de bevaarbaarheid der Maas tusschen Maastricht en Venlo te verbeteren, zullen de Hooge contracterende Partijen op dit gedeelte der rivier gedurende negen achtereenvolgende jaren, te beginnen met 1864, de werken doen uitvoeren, aangewezen in den staat en in de toelichtende nota, bij het tegenwoordig tractaat gevoegd; en zulks ten beloope van eene som van f 100 000 per jaar.
Een derde dezer som komt ten laste van Nederland en twee derden ten laste van Belgie.
De eind-ontwerpen dezer jaarlijks uit te voeren werken zullen, met gemeen overleg, door de daartoe aan te wijzen ambtenaren worden opgemaakt, en aan de goedkeuring der beide Regeringen onderworpen.
De aldus ontworpen en vastgestelde werken zullen worden uitgevoerd door de zorg der beambten van de Regering op wier grondgebied zij gelegen zijn.
Het onderhoud dier werken na hunne voltooijing komt ten laste der Regering op wier grondgebied zij zijn aangelegd.
Art. 10
De aanleg der nieuwe prise d'eau te Maastricht, vermeld in art. 1, zoowel als de uitvoering der werken, noodig ter voldoening aan de bepalingen van art. 2, geschiedt voor gemeenschappelijke rekening.
De ontwerpen voor deze werken zullen worden vastgesteld en uitgevoerd op de wijze, in art. 9 voor de werken aan de Maas voorgeschreven.
Intusschen wordt verstaan dat het totaal bedrag der uitgaven, die, krachtens de bepalingen der artt. 9 en 10, ten laste der Belgische Regering komen, niet de som van f 900 000 zal te boven gaan.
Art. 11
Indien in het vervolg de Nederlandsche Regering het nuttig mogt oordeelen werken uit te voeren of te laten uitvoeren, waardoor eene vermeerdering van de hoeveelheid te Maastricht aan de Maas af te tappen water, zoo als die in het tegenwoordig tractaat is vastgesteld, noodig mogt worden, zal de medewerking van de Belgische Regering tot de vereischte maatregelen, om de afstrooming van het water door de Zuidwillemsvaart te verzekeren, tusschen de beide Regeringen worden geregeld.
Art. 12
Met uitbreiding der bepalingen van art. 10 der conventie van 8 Augustus 1843, zal geen werk, dat invloed zou kunnen uitoefenen op den stroom en daardoor den tegenover liggenden oever benadeelen, op een afstand van minstens 150 el uit den thalweg van de Maas, waar zij de grensscheiding vormt, mogen worden aangelegd, dan met gemeen goedvinden der beide Hooge contracterende Partijen.
Art. 13
De Hooge contracterende Partijen verbinden zich, de in de artt. 1, 2 en 4 omschreven werken vóór den 1sten Januarij 1866, of zoo mogelijk vroeger, te doen uitvoeren.
Onmiddellijk na de voltooijing dezer werken zal aan de bepalingen der artt. 3, 4, 5, 6 en 7 gevolg worden gegeven.
Tot die voltooijing zal de voeding der kanalen en der bevloeijingen plaats hebben op dezelfde wijze, als zulks is geschied gedurende de twee laatste jaren.
Art. 14
Het tegenwoordig tractaat zal bekrachtigd en de bekrachtigingen zullen te 's Gravenhage uitgewisseld worden, binnen verloop van vier maanden of, zoo mogelijk, vroeger.
En foi de quoi les plénipotentiaires susdits l'ont signé et y ont apposé leur cachet.
Fait à La Haye, le douze Mai mil huit-cent soixante-trois.
(L. S.) (Get.) P. VAN DER MAESEN DE SOMBREFF.
(Get.) THORBECKE.
(Get.) G. H. BETZ.
(L. S.) (Get.) baron DU JARDIN.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.