Verdrag van scheepvaart en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk van Zweden en Noorwegen

Type Verdrag
Publication 1847-11-26
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden van de eene zijde, en Zijne Majesteit de Koning der vereenigde Koningrijken van Zweden en Noorwegen van de andere zijde, de betrekkingen van scheepvaart en handel, tusschen hunne Staten, op eene wederkeerig voordeelige wijze, wenschende gemakkelijk te maken en uittebreiden, zijn met die bedoeling overeengekomen in onderhandeling te treden, en hebben daartoe tot hunne gevolmagtigden benoemd, te weten:

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, den heer James Albert Hendrik De La Sarraz, commandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder der militaire Willems-orde, 3de klasse, en der orden van den witten Adelaar, van St. Anna 1ste klasse en van St. Stanislas 1ste klasse, ridder grootkruis der orde van Leopold van Belgie, ridder van den Rooden Adelaar 2de klasse, officier der Koninklijke orde van het Legioen van eer, luitenant-generaal, Hoogstdeszelfs adjudant en minister van buitenlandsche zaken, en

Zijne Majesteit de Koning van Zweden en Noorwegen, den heer Axel baron van Wahrendorff, Hoogstdeszelfs kamerheer en zaakgelastigde bij de Hoven van Nederland en van Belgie, ridder der orde van de Poolster, commandeur der orde van de Eikenkroon en van die van Leopold van Belgie, officier der orde van het Legioen van eer van Frankrijk;

dewelke, na uitwisseling hunner in goede en behoorlijke orde bevonden volmagten, de volgende artikelen hebben vastgesteld.

Art. I

De Nederlandsche schepen, welke, van waar ook komende, in ballast of geladen in de havens van een der Vereenigde Koningrijken in Europa kinnen komen, zullen zoowel bij het in- als bij het uitgaan, behandeld worden op denzelfden voet als de nationale schepen, wat betreft de haven-, tonne- baken- en loodsgelden, alsmede alle andere regten of lasten, van welken aard of benaming ook, welke ten voordeele der kroon, van steden of van eenige bijzondere instellingen worden geheven.

Art. II

Wederkeerig zullen de Zweedsche of Noorweegsche schepen, welke, van waar ook komende, in ballast of geladen in de havens van het Koningrijk der Nederlanden in Europa, binnen komen, zoo wel bij het in- als bij het uitgaan, op denzelfden voet behandeld worden als de Nederlandsche schepen, wat betreft de haven- tonne- baken- en loodsgelden, alsmede alle andere regten of lasten, van welken aard of benaming ook, welke ten voordeele der kroon, van steden, of van eenige bijzondere instellingen geheven worden.

Art. III

Alle goederen en handels-artikelen, hetzij voortbrengselen van den grond of van de nijverheid van het Koningrijk der Nederlanden, hetzij van elk ander land, van welke de invoer in de havens van Zweden en Noorwegen in Europa, met Zweedsche en Noorweegsche schepen geoorloofd is, zullen in die havens insgelijks mogen ingevoerd worden met Nederlandsche schepen, regtstreeks komende uit eene Nederlandsche haven in Europa, zonder aan hoogere regten of andere lasten, onder welke benaming of van welken aard het ook zij, onderworpen te zijn, dan wanneer de invoer dezer koopwaren door Zweedsche of Noorweegsche schepen geschied ware.

Alle koopwaren en goederen, hetzij voortbrengselen van den grond of van de nijverheid van Zweden of Noorwegen, of van elk ander land, van welke de uitvoer uit de havens van Zweden of Noorwegen in Europa, met Zweedsche of Noorweegsche schepen geoorloofd is, zullen insgelijks met Nederlandsche schepen, van waar deze ook komen, en waarheen zij ook bestemd zijn, uitgevoerd mogen worden, zonder aan andere of hoogere lasten onder welke benaming of van welken aard het ook zij, onderworpen te zijn, dan wanneer zij uitgevoerd wierden door Zweedsche of Noorweegsche schepen.

Art. IV

Alle goederen of handelsartikelen, hetzij voortbrengselen van den grond of van de nijverheid der Vereenigde Koningrijken, of wel van elk ander land, van welke de invoer in de havens van het Koningrijk der Nederlanden in Europa, met Nederlandsche schepen wettig geoorloofd is, zullen insgelijks met Zweedsche of Noorweegsche schepen, regtstreeks uit eene der havens van de Vereenigde Koningrijken in Europa komende, mogen ingevoerd worden, zonder aan hoogere of andere regten, onder welke benaming het ook zij, onderworden te zijn, dan wanneer de invoer dezer koopwaren en voortbrengselen met Nederlandsche schepen geschied ware.

Alle koopwaren en goederen, hetzij voortbrengselen van den grond of van de nijverheid der Nederlanden, of wel van elk ander land, van welke de uitvoer uit de Nederlandsche havens in Europa, met Nederlandsche schepen wettig geoorloofd is, zullen insgelijks door Zweedsche of Noorweegsche schepen, van waar ook gekomen, of waarheen ook bestemd, mogen uitgevoerd worden, zonder aan andere regten of hoogere lasten, onder welke benaming of van welken aard het ook zij, onderworpen te zijn, dan wanneer de uitvoer dezer zelfde koopwaren en goederen met Nederlandsche schepen geschied ware.

Art. V

Alle premien, vrijstellingen of teruggave van regten, hoe ook genaamd, toegestaan aan de nationale schepen, of aan koopwaren onder nationale vlag, in de staten van eene der hooge partijen in- of uitgevoerd wordende, zullen insgelijks toegekend worden aan de schepen van de andere partij, en aan de koopwaren door hen in- of uitgevoerd wordende, in al de gevallen bedoeld bij de artikelen I-IV.

Art. VI

De schepen der hooge contracterende partijen, zich in eene der havens van de respective Staten ophoudende, hetzij in geval van binnenvallen uit nood, of om er den winter door te brengen, of wel om orders te halen, en dezelve weder verlatende, zonder eenige daad van koophandel verrigt te hebben, zullen van tonnengelden vrijgesteld worden. Zij zullen ten opzigte der andere regten, aan welke schepen onderworpen zijn, behandeld worden op den voet der nationalen.

Noch het tijdelijk lossen van koopwaren, hetzij ter herstelling van het schip, hetzij om aan hetzelve eene veiliger ligplaats te bezorgen, noch de aankoopen, ter weder aanvulling der leeftogt voor de bemanning, of van andere scheepsbehoeften, zullen als daden van koophandel beschouwd worden.

Art. VII

De hooge contracterende partijen zijn overeengekomen, om als Nederlandsche, Zweedsche en Noorweegsche schepen te erkennen en te behandelen, alle dezulken, die voorzien zullen zijn van een der door de bevoegde magten afgegeven paspoort, zeebrief of zoodanige andere documenten, als ter voldoening aan de wetten en reglementen der respective landen vereischt worden, om van de nationaliteit en scheepsruimte der vaartuigen te doen blijken.

Art. VIII

Het tegenwoordige verdrag zal van kracht blijven gedurende vijf jaren, gerekend van den dag van de uitwisseling der ratificatien, en wanneer twaalf maanden vóór het verschijnen van dezen tijd, noch de eene noch de andere der hooge contracterende partijen, bij eene officiele verklaring haar voornemen bekend maakt, om de werking er van te doen ophouden, zal het verdrag weder voor één jaar langer van kracht blijven, en zoo vervolgens van jaar tot jaar.

Art. IX

Het tegenwoordige verdrag zal bekrachtigd worden, en de bekrachtigingen zullen te 's Gravenhage, binnen den tijd van drie maanden, of zoo mogelijk vroeger, uitgewisseld worden.

Ter oorkonde waarvan de wederzijdsche gevolmagtigden het tegenwoordige verdrag hebben geteekend en met hunne cachetten bezegeld.

Fait à la Haye, le vingt cinq Septembre de l'an de grâce mil huit cent quarante sept.

DE LA SARRAZ.

(l. S.)

A. DE WAHRENDORFF.

(l. S.)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.