Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lid-Staten van de Europese Unie) en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, betreffende de toetreding van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie

Type Verdrag
Publication 1995-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

de President van de Helleense Republiek,

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

de President van de Franse Republiek,

de President van Ierland,

de President van de Italiaanse Republiek,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen,

de Federale President van de Republiek Oostenrijk,

de President van de Portugese Republiek,

de President van de Finse Republiek,

Zijne Majesteit de Koning van Zweden,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest voort te zetten,

Vastbesloten, in de geest van deze Verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen,

Overwegende dat artikel O van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de Europese Staten de mogelijkheid biedt lid van de Unie te worden,

Overwegende dat het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden hebben verzocht lid te worden van de Unie,

Overwegende dat de Raad van de Europese Unie, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen en na de instemming van het Europees Parlement te hebben verkregen, zich heeft uitgesproken voor toelating van deze Staten,

Hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de voorwaarden voor deze toelating en de in de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest aan te brengen aanpassingen vast te stellen, en hebben daartoe als gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Jean-Luc Dehaene

Minister-President

Willy Claes

Minister van Buitenlandse Zaken

Ph. de Schoutheete de Tervarent

Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van België bij de Europese Unie

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

Poul Nyrup Rasmussen

Minister-President

Niels Helveg Petersen

Minister van Buitenlandse Zaken

Gunnar Riberholdt

Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van Denemarken bij de Europese Unie

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

Dr. Helmut Kohl

Bondskanselier

Dr. Klaus Kinkel

Minister van Buitenlandse Zaken en Plaatsvervangend Bondskanselier

Dr. Dietrich von Kyaw

Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van de Bondsrepubliek Duitsland bij de Europese Unie

de President van de Helleense Republiek,

Andreas Papandreou

Minister-President

Karolos Papoulias

Minister van Buitenlandse Zaken

Theodoros Pangalos

Onderminister van Buitenlandse Zaken

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

Felipe Gonzalez Marquez

Minister-President

Javier Solana Madariaga

Minister van Buitenlandse Zaken

Carlos Westendorp y Cabeza

Staatssecretaris voor de Betrekkingen met de Europese Gemeenschappen

de President van de Franse Republiek,

Edouard Balladur

Minister-President

Alain Juppé

Minister van Buitenlandse Zaken

Alain Lamassoure

Onderminister van Europese Zaken

Pierre de Boissieu

Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van de Franse Republiek bij de Europese Unie

de President van Ierland,

Albert Reynolds

Minister-President

Dick Spring

Vice-Minister-President en Minister van Buitenlandse Zaken

Padraic McKernan

Ambassadeur, Permanente Vertegenwoordiger van Ierland bij de Europese Unie

de President van de Italiaanse Republiek,

Silvio Berlusconi

Minister-President

Antonio Martino

Minister van Buitenlandse Zaken

Livio Caputo

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Jacques Santer

Minister-President

Jacques F. Poos

Vice-Minister-President,

Minister van Buitenlandse Zaken

Jean-Jacques Kasel

Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van Luxemburg bij de Europese Unie

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

R. F. M. Lubbers

Minister-President

Dr. P. H. Kooijmans

Minister van Buitenlandse Zaken

Dr. B. R. Bot

Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Europese Unie

Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen,

Gro Harlem Brundtland

Minister-President

Bjørn Tore Godal

Minister van Buitenlandse Zaken

Grete Knudsen

Minister van Handel en Koopvaardij

Eivinn Berg

Hoofd van de delegatie belast met de onderhandelingen

de Federale President van de Republiek Oostenrijk,

Franz Vranitzky

Bondskanselier

Alois Mock

Bondsminister van Buitenlandse Zaken

Ulrich Stacher

Directeur-Generaal,

Bondskanselarij

Manfred Scheich

Hoofd van de Missie van Oostenrijk bij de Europese Gemeenschappen

de President van de Portugese Republiek,

Anibal Cavaco Silva

Minister-President

José Durão Barroso

Minister van Buitenlandse Zaken

Vitor Martins

Staatssecretaris van Europese Zaken

de President van de Republiek Finland,

Esko Aho

Minister-President

Pertti Salolainen

Minister van Buitenlandse Handel

Heikki Haavisto

Minister van Buitenlandse Zaken

Veli Sundbäck

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Zijne Majesteit de Koning van Zweden,

Z. Exc. Carl Bildt

Minister-President

H. Exc. Margaretha af Ugglas

Minister van Buitenlandse Zaken

Z. Exc. Ulf Dinkelspiel

Minister van Europese Zaken en van Buitenlandse Handel

Frank Belfrage

Staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Handel

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

The Rt Hon John Major

Minister-President

The Rt Hon Douglas Hurd

Minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

David Heathcoat-Amory

Onderminister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

Artikel 1
1.

Het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden worden lid van de Europese Unie en worden Partij bij de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest, zoals deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld.

2.

De voorwaarden voor de toelating en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest zijn neergelegd in de bij dit Verdrag gevoegde Akte. De bepalingen van deze Akte maken een integrerend deel van dit Verdrag uit.

3.

De in de in lid 1 genoemde Verdragen voorkomende bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de Lid-Staten, alsmede de algemene en bijzondere bevoegdheden van de Instellingen van de Unie, zijn van toepassing ten aanzien van dit Verdrag.

Artikel 2
1.

Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen uiterlijk 31 december 1994 worden neergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

2.

Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari 1995, mits alle akten van bekrachtiging voor dit tijdstip zijn neergelegd.

Indien echter niet alle in artikel 1, lid 1, genoemde Staten tijdig hun akten van bekrachtiging hebben neergelegd, treedt het Verdrag in werking voor de Staten die tot de nederlegging zijn overgegaan. In dit geval besluit de Raad van de Europese Unie, met eenparigheid van stemmen, onmiddellijk over de hierdoor noodzakelijk geworden aanpassingen van artikel 3 van het onderhavige Verdrag en van de artikelen 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 25, 26, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 170 en 176 van de Toetredingsakte, van bijlage I bij die Akte en van de Protocollen nr. 1 en nr. 6 die daaraan zijn gehecht; de Raad kan eveneens, met eenparigheid van stemmen, de bepalingen van voornoemde Akte, met inbegrip van de daaraan gehechte bijlagen en Protocollen, waarin een Staat die zijn akte van bekrachtiging niet heeft neergelegd, met name wordt genoemd, vervallen verklaren of aanpassen.

3.

In afwijking van lid 2 kunnen de Instellingen van de Unie voor de toetreding de maatregelen vaststellen bedoeld in de artikelen 30, 39, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 53, 57, 59, 62, 74, 75, 76, 92, 93, 94, 95, 100, 102, 105, 119, 120, 121, 122, 127, 128, 131, 142, lid 2 en lid 3, tweede alinea, 145, 148, 149, 150, 151 en 169 van de Toetredingsakte en de artikelen 11, lid 6, en 12, lid 2, van Protocol nr. 9. Deze maatregelen treden slechts in werking onder voorbehoud en op de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Verdrag.

Artikel 3

Dit Verdrag, opgesteld in één enkel exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de lerse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Noorse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de lerse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse tekst gelijkelijk authentiek, zal worden neergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

DEEL EERSTE. BEGINSELEN

Artikel 1

In de zin van deze Akte:

Artikel 2

Onmiddellijk bij de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor de nieuwe Lid-Staten en in deze Staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte.

Artikel 3

De nieuwe Lid-Staten verbinden zich ertoe met betrekking tot die overeenkomsten of instrumenten op het gebied van Justitie en Binnenlandse zaken welke onlosmakelijk zijn verbonden met de doelstellingen van het EU-Verdrag:

Artikel 4
1.

Bij deze Akte treden de nieuwe Lid-Staten toe tot de door de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, genomen besluiten en gesloten overeenkomsten. Zij verbinden zich ertoe op het tijdstip van de toetreding ook toe te treden tot elke andere door de huidige Lid-Staten gesloten overeenkomst die de werking van de Unie betreft of in nauw verband staat met het optreden van deze Unie.

2.

De nieuwe Lid-Staten verbinden zich ertoe toe te treden tot de overeenkomsten bedoeld in artikel 220 van het EG-Verdrag en tot de overeenkomsten die niet te scheiden zijn van het bereiken van de doelstellingen van het EG-Verdrag, alsmede tot de Protocollen betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van deze overeenkomsten, die door de Lid-Staten zijn ondertekend, en te dien einde onderhandelingen aan te knopen met de huidige Lid-Staten om daarin de vereiste aanpassingen aan te brengen.

3.

De nieuwe Lid-Staten bevinden zich ten aanzien van de verklaringen, resoluties of andere standpuntbepalingen van de Europese Raad of de Raad, alsmede ten aanzien van die welke betrekking hebben op de Gemeenschappen of de Unie en in onderling overleg tussen de Lid-Staten zijn aanvaard, in dezelfde situatie als de huidige Lid-Staten; zij zullen derhalve de beginselen en beleidslijnen die hieruit voortvloeien eerbiedigen en de maatregelen treffen die nodig zouden kunnen blijken ter verzekering van de toepassing daarvan.

Artikel 5
1.

De door één van de Gemeenschappen met een of meer derde Staten, met een internationale organisatie dan wel met een onderdaan van een derde Staat gesloten overeenkomsten of akkoorden, zijn verbindend voor de nieuwe Lid-Staten, en wel onder de in de oorspronkelijke Verdragen en in deze Akte neergelegde voorwaarden.

2.

De nieuwe Lid-Staten verplichten zich ertoe onder de in deze Akte neergelegde voorwaarden toe te treden tot de door de huidige Lid-Staten en één van de Gemeenschappen gezamenlijk gesloten overeenkomsten of akkoorden, alsmede tot de door deze Staten gesloten overeenkomsten die verband houden met deze overeenkomsten of akkoorden. De Gemeenschap en de huidige Lid-Staten in het kader van de Unie zijn de nieuwe Lid-Staten hierbij behulpzaam.

3.

Bij deze Akte en onder de daarin neergelegde voorwaarden treden de nieuwe Lid-Staten toe tot de interne overeenkomsten welke door de Lid-Staten werden gesloten voor de toepassing van de in lid 2 bedoelde overeenkomsten en akkoorden.

4.

De nieuwe Lid-Staten treffen de passende maatregelen om zo nodig hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij één van de Gemeenschappen of andere Lid-Staten eveneens partij zijn, aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding tot de Unie.

Artikel 6

Artikel 234 van het EG-Verdrag en de artikelen 105 en 106 van het Euratom-Verdrag zijn voor de nieuwe Lid-Staten van toepassing op de overeenkomsten en akkoorden gesloten vóór hun toetreding.

Artikel 7

De bepalingen van deze Akte kunnen, tenzij anders is bepaald, uitsluitend worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de procedures voorzien in de oorspronkelijke Verdragen die het mogelijk maken tot een herziening van die Verdragen te komen.

Artikel 8

De door de Instellingen genomen besluiten waarop de in deze Akte vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze besluiten geldende wijzigingsprocedures van toepassing.

Artikel 9

De bepalingen van deze Akte waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de Instellingen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, verkrijgen hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn onderworpen aan dezelfde regels als laatstgenoemde bepalingen.

Artikel 10

Ten aanzien van de toepassing van de oorspronkelijke Verdragen en van de door de Instellingen genomen besluiten gelden, bij wijze van overgang, de in deze Akte neergelegde afwijkende bepalingen.

DEEL TWEEDE. AANPASSING DER VERDRAGEN

TITEL I. INSTITUTIONELE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1. HET EUROPEES PARLEMENT

Artikel 11

Wijzigt de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen; Brussel, 20 september 1976.

HOOFDSTUK 2. DE RAAD

Artikel 12

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

Artikel 13

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

Artikel 14

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

Artikel 15

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.