Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Type Verdrag
Publication 1985-02-01
State In force
Source BWB
artikelen 208
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voort te zetten,

Vastbesloten, in de geest van deze Verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen,

Overwegende dat artikel 237 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap alsmede artikel 205 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie , aan de Europese Staten de mogelijkheid bieden lid van deze Gemeenschappen te worden,

Overwegende dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hebben verzocht lid te worden van deze Gemeenschappen,

Overwegende dat de Raad der Europese Gemeenschappen, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen, zich heeft uitgesproken voor toelating van deze Staten,

Hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de voorwaarden voor deze toelating en de in de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie aan te brengen aanpassingen vast te stellen, en hebben daartoe als gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen

De heer G. Eyskens, Eerste Minister;

De heer P. Harmel, Minister van Buitenlandse Zaken;

De heer J. van der Meulen, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken

De heer J. O. Krag, Eerste Minister;

De heer I. Nørgaard, Minister van Buitenlandse Handel;

De heer J. Christensen, Secretaris-Generaal voor Buitenlandse Handel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

de President van de Bondsrepubliek Duitsland

De heer W. Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken;

De heer H.-G. Sachs, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

de President van de Franse Republiek

De heer M. Schumann, Minister van Buitenlandse Zaken;

De heer J.-M. Boegner, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

de President van Ierland

De heer J. A. Lynch, Eerste Minister;

De heer P. J. Hillery, Minister van Buitenlandse Zaken;

de President van de Italiaanse Republiek

De heer E. Colombo, Eerste Minister;

De heer A. Moro, Minister van Buitenlandse Zaken;

De heer G. Bombassei Frascani de Vettor, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg

De heer G. Thorn, Minister van Buitenlandse Zaken;

De heer J. Dondelinger, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

De heer W. K. N. Schmelzer, Minister van Buitenlandse Zaken;

De heer Th. E. Westerterp, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

De heer E. M. J. A. Sassen, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen

De heer T. Bratelli, Eerste Minister;

De heer A. Cappelen, Minister van Buitenlandse Zaken;

De heer S. Chr. Sommerfelt, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur;

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

De heer E. Heath, M.B.E., M.P., Eerste Minister, First Lord of the Treasury, Minister van de Administratie;

Sir Alec Douglas-Home, K.T., M.P., Minister van Buitenlandse en Gemenebestzaken;

De heer G. Rippon, Q.C., M.P., Kanselier van het Hertogdom Lancaster

die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

Artikel 1

1.

Het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland worden lid van de Europese Economische Gemeenschap en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en worden Partij bij de Verdragen tot oprichting van deze Gemeenschappen, zoals deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld.

2.

De voorwaarden voor de toelating en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie zijn neergelegd in de bij dit Verdrag gevoegde Akte . De bepalingen van deze Akte die betrekking hebben op de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie maken een integrerend deel van dit Verdrag uit.

3.

De in de in lid 1 genoemde Verdragen voorkomende bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de Lid-Staten alsmede de algemene en bijzondere bevoegdheden van de Instellingen van de Gemeenschappen, zijn van toepassing ten aanzien van dit Verdrag.

Artikel 2

Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De Akten van bekrachtiging zullen uiterlijk 31 december 1972 worden neergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari 1973, mits alle Akten van bekrachtiging voor dit tijdstip zijn neergelegd en mits alle Akten van toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op dit tijdstip zijn neergelegd.

Indien echter niet alle in artikel 1, lid 1, genoemde Staten tijdig hun Akten van bekrachtiging en hun Akten van toetreding hebben neergelegd, treedt het Verdrag in werking voor die Staten die tot de nederlegging zijn overgegaan. In dit geval besluit de Raad van de Europese Gemeenschappen, met eenparigheid van stemmen, onmiddellijk over de hierdoor noodzakelijk geworden aanpassingen van artikel 3 van het onderhavige Verdrag en van de artikelen 14, 16, 17, 19, 20, 23, 129, 142, 143, 155 en 160 van de Akte betreffende de voorwaarden van toetreding en de aanpassing van de Verdragen, de bepalingen van zijn bijlage I, die betrekking hebben op de samenstelling en de functionering van verschillende comités en van de artikelen 5 en 8 van het Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank, gehecht aan deze Akte; de Raad kan eveneens, met eenparigheid van stemmen, de bepalingen van voornoemde Akte, die betrekking hebben op een met name genoemde Staat die zijn Akten van bekrachtiging en van toetreding niet heeft neergelegd, vervallen verklaren of aanpassen.

Artikel 3

Dit Verdrag, opgesteld in één enkel exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse en de Noorse taal, zijnde de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse en de Nederlandse tekst gelijkelijk authentiek, zal worden neergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

DEEL EERSTE. BEGINSELEN

Artikel 1

In de zin van deze Akte:

  • –. worden met de uitdrukking „oorspronkelijke Lid-Staten” bedoeld het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden;
  • –. worden met de uitdrukking „nieuwe Lid-Staten” bedoeld het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Artikel 2

Vanaf de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen van de Gemeenschappen genomen besluiten verbindend voor de nieuwe Lid-Staten en in deze Staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte.

Artikel 3

1.

Bij deze Akte treden de nieuwe Lid-Staten toe tot de door de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, genomen besluiten en gesloten overeenkomsten. Zij verbinden zich ertoe op het tijdstip van de toetreding ook toe te treden tot elke andere door de oorspronkelijke Lid-Staten gesloten overeenkomst die de werking van de Gemeenschappen betreft of in nauw verband staat met het optreden van deze Gemeenschappen.

2.

De nieuwe Lid-Staten verbinden zich ertoe toe te treden tot de overeenkomsten bedoeld in artikel 220 van het E.E.G.-Verdrag , alsmede tot de Protocollen betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van deze overeenkomsten, die door de oorspronkelijke Lid-Staten zijn ondertekend, en te dien einde onderhandelingen aan te knopen met de oorspronkelijke Lid-Staten om daarin de vereiste aanpassingen aan te brengen.

3.

De nieuwe Lid-Staten bevinden zich ten aanzien van de verklaringen, resoluties of andere standpuntbepalingen van de Raad alsmede ten aanzien van die, welke betrekking hebben op de Europese Gemeenschappen en in onderling overleg tussen de Lid-Staten zijn aanvaard, in dezelfde situatie als de oorspronkelijke Lid-Staten. Zij zullen derhalve de beginselen en beleidslijnen eerbiedigen die voortvloeien uit deze verklaringen, resoluties of andere standpuntbepalingen en de maatregelen treffen die nodig zouden kunnen blijken ter verzekering van de toepassing daarvan.

Artikel 4

1.

De door één van de Gemeenschappen met één of meer derde Staten, met een internationale organisatie dan wel met een onderdaan van een derde Staat gesloten overeenkomsten of akkoorden zijn verbindend voor de nieuwe Lid-Staten, en wel onder de in de oorspronkelijke Verdragen en in deze Akte neergelegde voorwaarden.

2.

De nieuwe Lid-Staten verplichten zich ertoe onder de in deze Akte neergelegde voorwaarden toe te treden tot de door de oorspronkelijke Lid-Staten gezamenlijk met één van de Gemeenschappen gesloten overeenkomsten of akkoorden, alsmede tot de door de oorspronkelijke Lid-Staten gesloten overeenkomsten die verband houden met deze overeenkomsten of akkoorden. De Gemeenschap en de oorspronkelijke Lid-Staten zijn de nieuwe Lid-Staten hierbij behulpzaam.

3.

Bij deze Akte en onder de daarin neergelegde voorwaarden, treden de nieuwe Lid-Staten toe tot de interne overeenkomsten welke door de oorspronkelijke Lid-Staten werden gesloten voor de toepassing van de in lid 2 bedoelde overeenkomsten en akkoorden.

4.

De nieuwe Lid-Staten treffen de passende maatregelen om zo nodig hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij andere Lid-Staten of één van de Gemeenschappen eveneens partij zijn aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding tot de Gemeenschappen.

Artikel 5

Artikel 234 van het E.E.G.-Verdrag en de artikelen 105 en 106 van het E.G.A.-Verdrag zijn voor de nieuwe Lid-Staten van toepassing op de overeenkomsten en akkoorden gesloten vóór de toetreding.

Artikel 6

De bepalingen van deze Akte kunnen, tenzij anders is bepaald, uitsluitend worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de procedures voorzien in de oorspronkelijke Verdragen die het mogelijk maken tot een herziening van die Verdragen te komen.

Artikel 7

De door de Instellingen van de Gemeenschappen genomen besluiten waarop de in deze Akte vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze besluiten geldende wijzigingsprocedures van toepassing.

Artikel 8

De bepalingen van deze Akte waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de Instellingen van de Gemeenschappen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, verkrijgen hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn onderworpen aan dezelfde regels als laatstgenoemde bepalingen.

Artikel 9

1.

Ten einde voor de nieuwe Lid-Staten de aanpassing aan de in de Gemeenschappen geldende regels te vergemakkelijken, gelden ten aanzien van de toepassing van de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen genomen besluiten, bij wijze van overgang, de in deze Akte neergelegde afwijkende bepalingen.

2.

Onder voorbehoud van de in deze Akte vervatte data, termijnen en bijzondere bepalingen, eindigt de toepassing van de overgangsmaatregelen aan het einde van het jaar 1977.

DEEL TWEEDE. AANPASSING DER VERDRAGEN

Titel I. Institutionele bepalingen

HOOFDSTUK 1. De vergadering

Artikel 10

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK 2. De Raad

Artikel 11

Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.

Artikel 12

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

Artikel 13

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

Artikel 14

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK 3. De Commissie

Artikel 15

Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.

Artikel 16

Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.

HOOFDSTUK 4. Het Hof van Justitie

Artikel 17

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 18

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 19

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 20

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK 5. Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel 21

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK 6. Het Raadgevend Comité E.G.K.S.

Artikel 22

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

HOOFDSTUK 7. Het wetenschappelijk en technisch comité

Artikel 23

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

TITEL II. Andere aanpassingen

Artikel 24

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 25

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

Artikel 26

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 27

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 28

De besluiten van de Instellingen van de Gemeenschap die betrekking hebben op de produkten van bijlage II van het E.E.G.-Verdrag en op de produkten die bij invoer in de Gemeenschap aan een bijzondere regeling zijn onderworpen als gevolg van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alsmede de besluiten inzake de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de belastingen op de toegevoegde waarde zijn niet van toepassing op Gibraltar, tenzij de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen anders besluit.

DEEL DERDE. AANPASSING VAN DE BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel 29

Ten aanzien van de besluiten genoemd in de lijst die voorkomt in bijlage I van deze Akte vinden de aanpassingen plaats die in die bijlage worden omschreven.

Artikel 30

De ingevolge de toetreding noodzakelijke aanpassingen van de in de lijst die voorkomt in bijlage II van deze Akte genoemde besluiten, worden verricht overeenkomstig de in die bijlage vervatte richtsnoeren en volgens de procedure en op de wijze bepaald in artikel 153.

DEEL VIERDE. OVERGANGSBEPALINGEN

Titel I. Vrij verkeer van goederen

HOOFDSTUK 1. Tariefbepalingen

Artikel 31

1.

Voor ieder produkt is het basisrecht waarop de in de artikelen 32 en 59 bedoelde achtereenvolgende verlagingen moeten worden toegepast, het op 1 januari 1972 werkelijk toegepaste recht.

Het basisrecht dat als grondslag dient voor de in de artikelen 39 en 59 bedoelde aanpassingen aan het gemeenschappelijk douanetarief en aan het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief, is voor elk produkt het op 1 januari 1972 door de nieuwe Lid-Staten werkelijk toegepaste recht.

In de zin van deze Akte wordt onder het „ééngemaakte E.G.K.S.-tarief” verstaan, het geheel van douanenomenclatuur en douanerechten, geldende voor de produkten in de zin van bijlage I van het E.G.K.S.-Verdrag, met uitzondering van kolen.

2.

Indien na 1 januari 1972 tariefverlagingen van toepassing worden, die voortvloeien uit het Akkoord betreffende voornamelijk chemische produkten, dat is gevoegd bij het aan de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel gehechte Protocol van Genève (1967), komen de aldus verlaagde tarieven in de plaats van de in lid 1 bedoelde basisrechten.

Artikel 32

1.

De invoerrechten tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling worden geleidelijk afgeschaft volgens het onderstaande ritme:

  • –. op 1 april 1973, wordt elk invoerrecht verlaagd tot 80% van het basisrecht;
  • –. de vier overige verlagingen van 20% elk vinden plaats op:
  • 1 januari 1974
  • 1 januari 1975
  • 1 januari 1976
  • 1 juli 1977.
2.

In afwijking van lid 1:

  • a). worden de invoerrechten op kolen in de zin van bijlage I van het E.G.K.S.-Verdrag, tussen de Lid-Staten onmiddellijk bij de toetreding afgeschaft;
  • b). worden de invoerrechten voor de produkten vermeld in bijlage III van deze Akte op 1 januari 1974 afgeschaft;
  • c). wordt onmiddellijk bij de toetreding vrijdom van douanerechten toegepast op de invoer van goederen welke vallen onder de bepalingen inzake belastingvrijdom in het kader van het reizigersverkeer tussen de Lid-Staten.
3.

Voor de produkten vermeld in bijlage IV van deze Akte, ten aanzien waarvan op overeenkomsten berustende preferentiemarges bestaan tussen het Verenigd Koninkrijk en bepaalde andere landen waarvoor de preferenties van het Gemenebest gelden, kan het Verenigd Koninkrijk de eerste van de in lid 1 bedoelde tariefverlagingen uitstellen tot 1 juli 1973.

4.

Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan de mogelijkheid tariefcontingenten te openen voor bepaalde produkten van de ijzeren staalindustrie die niet of in niet voldoende hoeveelheid of kwaliteit in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling worden geproduceerd.

Artikel 33

In geen geval worden binnen de Gemeenschap douanerechten toegepast die hoger zijn dan die welke gelden ten opzichte van derde landen waarvoor de meestbegunstigingsclausule geldt.

Ingeval de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden gewijzigd of geschorst of ingeval de nieuwe Lid-Staten artikel 41 toepassen, kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de nodige maatregelen nemen ter handhaving van de communautaire preferentie.

Artikel 34

Elke nieuwe Lid-Staat kan de heffing van de rechten die worden toegepast op uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten geheel of gedeeltelijk schorsen. Hij stelt de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 35

Elke heffing van gelijke werking als een invoerrecht, die met ingang van 1 januari 1972 wordt ingevoerd in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling, wordt op 1 januari 1973 afgeschaft.

Elke heffing van gelijke werking als een invoerrecht, waarvan het peil op 31 december 1972 hoger is dan het peil van de heffing die op 1 januari 1972 daadwerkelijk wordt toegepast, wordt op 1 januari 1973 tot op dit laatstgenoemd peil teruggebracht.

Artikel 36

1.

De heffingen van gelijke werking als invoerrechten worden tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling geleidelijk afgeschaft volgens het onderstaande ritme:

  • –. uiterlijk op 1 januari 1974, wordt iedere heffing verlaagd tot op 60% van het op 1 januari 1972 geldende heffingsbedrag;
  • –. de drie overige verlagingen van 20% elk vinden plaats op:
  • 1 januari 1975
  • 1 januari 1976
  • 1 juli 1977.
2.

In afwijking van lid 1:

  • a). worden de heffingen van gelijke werking als invoerrechten op kolen in de zin van bijlage I van het E.G.K.S.-Verdrag, tussen de Lid-Staten onmiddellijk bij de toetreding afgeschaft;
  • b). worden de heffingen van gelijke werking als invoerrechten voor de produkten vermeld in bijlage III van deze Akte, op 1 januari 1974 afgeschaft.

Artikel 37

De uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking worden tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling uiterlijk op 1 januari 1974 afgeschaft.

Artikel 38

1.

Onverminderd het bepaalde in de volgende leden zijn de bepalingen inzake de geleidelijke afschaffing van de douanerechten van toepassing op de douanerechten van fiscale aard.

2.

De nieuwe Lid-Staten behouden de mogelijkheid om een douanerecht van fiscale aard of het fiscale element van zulk een recht te vervangen door een binnenlandse belasting die strookt met artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag. Wanneer een nieuwe Lid-Staat gebruik maakt van die mogelijkheid, vormt het element dat eventueel niet is gedekt door de binnenlandse belasting het basisrecht als bedoeld in artikel 31. Dit element wordt in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap afgeschaft en aan het gemeenschappelijk douanetarief aangepast overeenkomstig de artikelen 32, 39 en 59.

3.

Wanneer de Commissie constateert dat de vervanging van een douanerecht van fiscale aard of van het fiscale element van zulk een recht, in een nieuwe Lid-Staat met ernstige moeilijkheden gepaard gaat, machtigt zij die Staat, op een verzoek dat vóór 1 februari 1973 moet worden ingediend, om dat recht of dat fiscale element te handhaven, op voorwaarde dat de Lid-Staat het uiterlijk op 1 januari 1976 afschaft. De Commissie beslist vóór 1 maart 1973.

Het beschermend element, waarvan het bedrag vóór 1 maart 1973 door de Commissie na raadpleging van de betrokken Staat wordt vastgesteld, vormt het basisrecht als bedoeld in artikel 31. Dit element wordt in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap afgeschaft en aan het gemeenschappelijk douanetarief aangepast overeenkomstig de artikelen 32, 39 en 59.

4.

De Commissie kan het Verenigd Koninkrijk machtigen om de douanerechten van fiscale aard of het fiscale element van deze rechten op tabak gedurende een extra periode van twee jaar te handhaven, indien de omvorming van die rechten tot binnenlandse belastingen op tabaksfabrikaten op een geharmoniseerde basis overeenkomstig artikel 99 van het E.E.G.-Verdrag op 1 januari 1976 nog niet kon worden verwezenlijkt, hetzij omdat op 1 januari 1975 nog geen communautaire bepalingen op dat gebied bestonden, hetzij omdat de datum voor de inwerkingtreding van die communautaire bepalingen na 1 januari 1976 valt.

5.

De richtlijn van de Raad van 4 maart 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende uitstel van betaling van douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen is in de nieuwe Lid-Staten niet van toepassing op de douanerechten van fiscale aard of het fiscale element van deze rechten als bedoeld in de leden 3 en 4.

6.

De richtlijn van de Raad van 4 maart 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de regeling „actieve veredeling” is in het Verenigd Koninkrijk niet van toepassing op de douanerechten van fiscale aard of het fiscale element van deze rechten als bedoeld in de leden 3 en 4.

Artikel 39

1.

Ten behoeve van de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijke douanetarief en van het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief wijzigen de nieuwe Lid-Staten hun ten opzichte van derde landen van toepassing zijnde tarieven als volgt:

  • a). voor de tariefposten waarbij de basisrechten niet meer dan 15% naar boven of naar beneden afwijken van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief of van het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief, worden laatstgenoemde rechten toegepast met ingang van 1 januari 1974;
  • b). in de overige gevallen past elke nieuwe Lid-Staat vanaf dat tijdstip een recht toe waarbij het verschil tussen het basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief of van het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief met 40% wordt verminderd.

Dit verschil wordt opnieuw met telkens 20% verminderd op 1 januari 1975 en op 1 januari 1976.

Met ingang van 1 juli 1977 passen de nieuwe Lid-Staten het gemeenschappelijk douanetarief en het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief volledig toe.

2.

Wanneer na 1 januari 1974 sommige rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden geschorst of gewijzigd, schorsen of wijzigen de nieuwe Lid-Staten gelijktijdig hun tarieven volgens de uit de toepassing van lid 1 voortvloeiende verhouding.

3.

Op de produkten vermeld in bijlage III van deze Akte passen de nieuwe Lid-Staten met ingang van 1 januari 1974 het gemeenschappelijk douanetarief toe.

4.

De nieuwe Lid-Staten passen vanaf de toetreding de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief toe. Denemarken en het Verenigd Koninkrijk zijn evenwel gemachtigd de toepassing daarvan tot 1 januari 1974 uit te stellen.

De nieuwe Lid-Staten kunnen in deze nomenclatuur de bestaande nationale onderverdelingen overnemen die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de geleidelijke aanpassing van hun douanerechten aan die van het gemeenschappelijk douanetarief plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in deze Akte.

5.

Ter vergemakkelijking van de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijk douanetarief door de nieuwe Lid-Staten bepaalt de Commissie, indien nodig, hoe de nieuwe Lid-Staten hun douanerechten dienen te wijzigen.

Artikel 40

Voor de volgende produkten die zijn opgenomen in het gemeenschappelijk douanetarief:

No. van het gemeenschappelijk douanetarief Omschrijving (E.G.K.S.)
73.01 Gietijzer (spiegelijzer daaronder begrepen), onbewerkt, in ingots, gietelingen, blokken en klompen
73.02 Ferrolegeringen: A. Ferromangaan: I. bevattende meer dan 2 gewichtspercenten koolstof
73.07 Blooms, billets, bramen en largets, van ijzer of van staal; smeedstukken van ijzer of van staal, enkel ruw voorgesmeed A. Blooms en billets: ex I. Gewalste billets

past Ierland, in afwijking van artikel 39, met ingang van 1 januari 1975, rechten toe waarbij het verschil tussen de op 1 januari 1972 daadwerkelijk toegepaste rechten en die van het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief met één derde wordt verminderd. Het verschil dat uit deze eerste aanpassing voortvloeit, wordt op 1 januari 1976 opnieuw met 50% verminderd.

Met ingang van 1 juli 1977 past Ierland het ééngemaakte E.G.K.S.tarief volledig toe.

Artikel 41

Bij de aanpassing van hun tarieven aan het gemeenschappelijk douanetarief en aan het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief, staat het de nieuwe Lid-Staten vrij om hun douanerechten in een sneller ritme te wijzigen dan is bepaald in artikel 39, leden 1 en 3. Zij geven de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan kennis.

HOOFDSTUK 2. Afschaffing van kwantitatieve beperkingen

Artikel 42

De kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling worden onmiddellijk bij de toetreding afgeschaft.

De maatregelen van gelijke werking als zulke beperkingen worden uiterlijk op 1 januari 1975 afgeschaft.

Artikel 43

In afwijking van artikel 42, kunnen de Lid-Staten uitvoerbeperkingen inzake schroot, resten en afvallen van werken van gietijzer, van ijzer of van staal van post 73.03 van het gemeenschappelijk douanetarief gedurende een periode van twee jaar handhaven, mits deze regeling niet beperkender is dan de regeling die geldt voor de uitvoer naar derde landen.

Voor Denemarken wordt bovengenoemde periode vastgesteld op drie jaar en voor Ierland op vijf jaar.

Artikel 44

1.

De nieuwe Lid-Staten passen hun nationale monopolies van commerciële aard, als bedoeld in artikel 37, lid 1, van het E.E.G.-Verdrag geleidelijk aan, in dier voege dat vóór 31 december 1977 elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten, wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, is uitgesloten.

De oorspronkelijke Lid-Staten gaan jegens de nieuwe Lid-Staten gelijkwaardige verplichtingen aan.

2.

Vanaf begin 1973 doet de Commissie aanbevelingen met betrekking tot de wijze waarop en het ritme waarin de in dit artikel voorgeschreven aanpassing moet worden verwezenlijkt, met dien verstande dat deze wijze en dit ritme dezelfde dienen te zijn voor de nieuwe Lid-Staten en voor de oorspronkelijke Lid-Staten.

HOOFDSTUK 3. Overige bepalingen

Artikel 45

1.

Rekening houdend met de geldende voorschriften, met name met die betreffende het communautaire douanevervoer, stelt de Commissie vóór 1 april 1973 de methoden van administratieve samenwerking vast welke de afschaffing van de douanerechten en heffingen van gelijke werking, alsmede van de kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking moeten waarborgen voor goederen die aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoen.

2.

Vóór het verstrijken van deze termijn stelt de Commissie de bepalingen vast die van toepassing zijn op het handelsverkeer binnen de Gemeenschap in de in de Gemeenschap verkregen goederen, bij de vervaardiging waarvan:

  • –. produkten zijn verwerkt welke niet onderworpen zijn geweest aan de douanerechten of heffingen van gelijke werking die hierop van toepassing waren in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling of in een nieuwe Lid-Staat, of die in aanmerking zijn gekomen voor een volledige of gedeeltelijke teruggave van deze rechten of heffingen;
  • –. landbouwprodukten zijn verwerkt die niet voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn om te worden toegelaten tot het vrije verkeer in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling of in een nieuwe Lid-Staat.

Bij het vaststellen van deze bepalingen houdt de Commissie rekening met de in deze Akte neergelegde voorschriften voor de afschaffing van de douanerechten tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling en voor de geleidelijke toepassing door de nieuwe Lid-Staten van het gemeenschappelijk douanetarief en van de bepalingen inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Artikel 46

1.

Zolang er douanerechten worden geheven in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap zijn, tenzij anders is bepaald in deze Akte, de bepalingen inzake douanewetgeving van toepassing op dat handelsverkeer onder dezelfde voorwaarden als voor het handelsverkeer van de Gemeenschap met derde landen.

Voor de vaststelling van de douanewaarde in dat handelsverkeer is het in aanmerking te nemen douanegebied het douanegebied dat wordt omschreven in de in de Gemeenschap en de nieuwe Lid-Staten op 31 december 1972 geldende bepalingen.

2.

In het handelsverkeer binnen de Gemeenschap passen de Lid-Staten vanaf de toetreding de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief toe. Denemarken en het Verenigd Koninkrijk zijn evenwel gemachtigd de toepassing daarvan tot 1 januari 1974 uit te stellen.

De nieuwe Lid-Staten kunnen in deze nomenclatuur de bestaande nationale onderverdelingen overnemen die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de geleidelijke afschaffing van hun invoerrechten binnen de Gemeenschap plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in deze Akte.

Artikel 47

1.

Voor zover in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling compenserende bedragen als bedoeld in artikel 55, lid 1 sub a) , worden geheven op de basisprodukten die geacht worden te zijn verwerkt in goederen die vallen onder Verordening No. 170/67/EEG betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer van ovoalbumine en lactoalbumine en Verordening (EEG) No. 1059/69 tot vaststelling van de handelsregeling die van toepassing is op bepaalde goederen, verkregen door de verwerking van landbouwprodukten, wordt bij de invoer van deze goederen een compenserend bedrag toegepast, dat wordt bepaald op de grondslag van genoemde bedragen en volgens de voorschriften die in deze verordeningen zijn neergelegd voor de berekening van de belasting dan wel van het variabele element van toepassing op de betreffende goederen.

Bij de invoer van dezelfde goederen uit derde landen in de nieuwe Lid-Staten wordt de in Verordening No. 170/67/EEG bedoelde belasting en het in Verordening (EEG) No. 1059/69 bedoelde variabele element, naar gelang van het geval, verlaagd of verhoogd met het compenserende bedrag onder dezelfde voorwaarden als die neergelegd in artikel 55, lid 1 sub b).

2.

Het bepaalde in artikel 61, lid 2, is van toepassing ten aanzien van de bepaling van het douanerecht dat het vaste element vormt van de belasting die in de nieuwe Lid-Staten van toepassing is op de goederen die onder Verordening (EEG) No. 1059/69 vallen.

Elk vast element dat wordt toegepast in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling wordt afgeschaft overeenkomstig artikel 32, lid 1.

Elk vast element dat door de nieuwe Lid-Staten bij invoer uit derde landen wordt toegepast, wordt overeenkomstig artikel 39 aan het gemeenschappelijk douanetarief aangepast.

3.

De nieuwe Lid-Staten passen uiterlijk op 1 februari 1973 ten aanzien van de goederen die onder de Verordeningen No. 170/67/ EEG en (EEG) No. 1059/69 vallen de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief volledig toe.

4.

De douanerechten en heffingen van gelijke werking, andere dan die bedoeld in de leden 1 en 2, worden door de nieuwe Lid-Staten afgeschaft op 1 februari 1973.

Op hetzelfde tijdstip worden de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen door de nieuwe Lid-Staten in hun onderling handelsverkeer en in dat met de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling afgeschaft.

5.

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de bepalingen ter uitvoering van dit artikel vast met inachtneming met name van bijzondere situaties die uit de uitvoering van het bepaalde in lid 1, eerste alinea, en in artikel 97 kunnen voortvloeien voor dezelfde goederen.

Artikel 48

1.

Het bepaalde in deze Titel belet niet dat Ierland, ten aanzien van de produkten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk, een regeling toepast die het mogelijk maakt om, overeenkomstig de bepalingen van de op 14 december 1965 ondertekende Overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk en de daarmede verbonden Overeenkomsten, de douanerechten en de beschermende elementen in de douanerechten van fiscale aard sneller af te schaffen.

2.

Vanaf 1 januari 1974 zijn de bepalingen vastgesteld krachtens artikel 45, lid 2, van toepassing in het kader van de tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk geldende douaneregeling.

Artikel 49

1.

De aan deze Akte gehechte Protocollen No. 8 tot en met 15 vormen geen beletsel voor wijziging of schorsing van rechten waartoe krachtens artikel 28 van het E.E.G.-Verdrag wordt besloten.

2.

De Protocollen gehecht aan het Akkoord inzake de vaststelling van een gedeelte van het gemeenschappelijk douanetarief met betrekking tot de produkten van lijst G bij het E.E.G.-Verdrag komen, met uitzondering van Protocol No. XVII, te vervallen.

Titel II. Landbouw

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 50

Voor zover in deze Titel niet anders is bepaald, zijn de bepalingen van deze Akte van toepassing op landbouwprodukten.

Artikel 51

1.

Het bepaalde in dit artikel is van toepassing voor de prijzen ten aanzien waarvan in de hoofdstukken 2 en 3 naar dit artikel wordt verwezen.

2.

Tot aan de eerste van de in artikel 52 bedoelde prijsaanpassingen worden de prijzen die in elke nieuwe Lid-Staat moeten worden toegepast, overeenkomstig de in de gemeenschappelijke marktordening van de betrokken sector neergelegde regels vastgesteld op een zodanig peil dat het de producenten in deze sector mogelijk is inkomsten te verwerven die gelijkwaardig zijn aan die welke zij onder het voordien geldende nationale stelsel verwierven.

3.

Voor het Verenigd Koninkrijk worden deze prijzen evenwel op een zodanig peil vastgesteld dat de toepassing van de communautaire regeling leidt tot een marktprijspeil dat vergelijkbaar is met het in de betrokken Lid-Staat tijdens een aan de toepassing van deze regeling voorafgaande representatieve periode geconstateerde peil.

Artikel 52

1.

Indien de toepassing van deze Titel leidt tot een prijspeil dat afwijkt van het peil van de gemeenschappelijke prijzen, worden de prijzen ten aanzien waarvan in de hoofdstukken 2 en 3 wordt verwezen naar dit artikel, in zes etappes aangepast aan het peil der gemeenschappelijke prijzen.

2.

Behoudens het bepaalde in lid 4 vindt de aanpassing jaarlijks plaats aan het begin van het verkoopseizoen volgens onderstaande bepalingen:

  • a). wanneer de prijs in een nieuwe Lid-Staat voor een bepaald produkt lager is dan de gemeenschappelijke prijs, wordt de prijs van deze Lid-Staat op het ogenblik van elke aanpassing achtereenvolgens verhoogd met een zesde, een vijfde, een kwart, een derde en de helft van het verschil tussen het prijspeil van deze nieuwe Lid-Staat en het peil van de gemeenschappelijke prijs die vóór elke aanpassing van toepassing zijn; de prijs die uit deze berekening voortvloeit wordt verhoogd in evenredigheid met de eventuele verhoging van de gemeenschappelijke prijs voor het komende seizoen;
  • b). wanneer de prijs in een nieuwe Lid-Staat voor een bepaald produkt hoger is dan de gemeenschappelijke prijs, wordt het verschil tussen het prijspeil dat vóór elke aanpassing in de nieuwe Lid-Staat van toepassing is, en het peil van de gemeenschappelijke prijs voor het komende seizoen achtereenvolgens verminderd met een zesde, een vijfde, een kwart, een derde en de helft.
3.

In het belang van een harmonieus verloop van het integratieproces kan de Raad, in afwijking van het bepaalde in lid 2, volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag, besluiten dat de prijs voor één of meer produkten ten aanzien van één of meer nieuwe Lid-Staten, gedurende een verkoopseizoen afwijkt van de prijzen die voortvloeien uit de toepassing van lid 2.

Deze afwijking mag niet meer bedragen dan 10% van de te verrichten prijsaanpassing.

In dat geval geldt voor het volgende verkoopseizoen het prijspeil dat zou zijn voortgevloeid uit de toepassing van het bepaalde in lid 2, indien niet tot afwijking zou zijn besloten. Voor dit verkoopseizoen kan evenwel opnieuw tot een afwijking van dat peil worden besloten, overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande alinea's.

4.

De gemeenschappelijke prijzen worden in de nieuwe Lid-Staten uiterlijk op 1 januari 1978 toegepast.

Artikel 53

Indien wordt vastgesteld dat het verschil tussen het prijspeil voor een bepaald produkt in een nieuwe Lid-Staat en het peil van de gemeenschappelijke prijs van geringe betekenis is, kan de Raad volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag besluiten dat in deze nieuwe Lid-Staat voor het betrokken produkt de gemeenschappelijke prijs wordt toegepast.

Artikel 54

1.

Zolang er in het Verenigd Koninkrijk een verschil blijft bestaan tussen de onder het nationale stelsel van garantieprijzen verkregen prijzen en de marktprijzen die voortvloeien uit de toepassing van de regelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van het bepaalde in deze Titel, is deze Lid-Staat gemachtigd om produktiesubsidies te handhaven.

2.

Het Verenigd Koninkrijk streeft ernaar voor elk produkt ten aanzien waarvan lid 1 van toepassing is, deze subsidies in het in artikel 9, lid 2, bedoelde tijdvak zo spoedig mogelijk af te schaffen.

3.

Deze subsidies mogen niet ten gevolge hebben dat de inkomsten van de producenten uitgaan boven het peil dat zou voortvloeien uit de toepassing van de in artikel 52 neergelegde regels inzake prijsaanpassing op deze inkomsten.

4.

De Raad stelt volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag de regels vast die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit artikel ten einde de goede werking van het landbouwbeleid en met name van de gemeenschappelijke ordening der markten te waarborgen.

Artikel 55

1.

De verschillen in het prijspeil worden gecompenseerd volgens onderstaande regels:

  • a). in het handelsverkeer van de nieuwe Lid-Staten onderling en met de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling, worden compenserende bedragen geheven door de invoerende Staat of toegekend door de uitvoerende Staat;
  • b). in het handelsverkeer van de nieuwe Lid-Staten met derde landen, worden de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toegepaste heffingen of andere belastingen bij invoer alsmede de restituties bij uitvoer, naar gelang van het geval, verlaagd of verhoogd met de compenserende bedragen die gelden in het handelsverkeer met de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling. De douanerechten kunnen evenwel niet met het compenserende bedrag worden verlaagd.
2.

Voor produkten waarvoor prijzen worden vastgesteld volgens het bepaalde in de artikelen 51 en 52, zijn de in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen laatstgenoemde en derde landen toepasselijke compenserende bedragen gelijk aan het verschil tussen de prijzen die voor de betrokken nieuwe Lid-Staat zijn vastgesteld, en de gemeenschappelijke prijzen.

Voor de overige produkten worden de compenserende bedragen vastgesteld in de gevallen en op de wijze voorzien in de hoofdstukken 2 en 3.

3.

De compenserende bedragen die in het handelsverkeer tussen de nieuwe Lid-Staten van toepassing zijn, worden bepaald aan de hand van de voor elk hunner overeenkomstig lid 2 vastgestelde compenserende bedragen.

4.

Er wordt evenwel geen compenserend bedrag vastgesteld, indien de toepassing van de leden 2 en 3 leidt tot een bedrag dat van geringe betekenis is.

5.

Ten aanzien van produkten waarvoor het recht van het gemeenschappelijk douanetarief is geconsolideerd in het kader van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, wordt rekening gehouden met de consolidering.

6.

Het door een Lid-Staat overeenkomstig lid 1, sub a) , geheven of toegekende compenserende bedrag mag niet hoger zijn dan het totale bedrag dat door dezelfde Lid-Staat bij invoer uit derde landen, wordt geheven.

De Raad kan, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen van deze regel afwijken met name om verlegging van het handelsverkeer en distorsies van de mededinging te voorkomen.

Artikel 56

Indien de prijs op de wereldmarkt voor een bepaald produkt hoger is dan de prijs aangehouden voor de berekening van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingestelde belasting bij invoer, verminderd met het compenserende bedrag dat wordt afgetrokken van de belasting bij invoer krachtens artikel 55, of wanneer de restitutie bij uitvoer naar derde landen lager is dan het compenserende bedrag of wanneer er geen restitutie wordt verleend, kunnen passende maatregelen worden getroffen om de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten te waarborgen.

Artikel 57

Bij het vaststellen van het peil van de verschillende elementen van de regeling inzake prijzen en interventies, andere dan de prijzen bedoeld in de artikelen 51 en 70, wordt, voor zover zulks noodzakelijk is voor de goede werking van de communautaire regeling, ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten rekening gehouden met het prijsverschil dat wordt uitgedrukt door het compenserende bedrag.

Artikel 58

De toegekende compenserende bedragen worden door de Gemeenschap gefinancierd ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie.

Artikel 59

Ten aanzien van produkten uit derde landen waarvan de invoer in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling is onderworpen aan douanerechten, gelden de volgende bepalingen:

    1. De douanerechten bij invoer worden tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling, in vijf etappes geleidelijk afgeschaft. De eerste verlaging waarbij de douanerechten worden verlaagd tot 80% van het basisrecht en de vier overige verlagingen van 20% elk vinden plaats in het volgende ritme:
  • a). voor de produkten die onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees vallen: jaarlijks aan het begin van het verkoopseizoen, terwijl de eerste verlaging in 1973 plaatsvindt;
  • b). voor de produkten die vallen onder Verordening No. 23 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, onder Verordening (EEG) No. 234/68 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector levende planten en produkten van de bloementeelt en onder Verordening (EEG) No. 865/68 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten: jaarlijks op 1 januari, terwijl de eerste verlaging plaatsvindt op 1 janari 1974;
  • c). voor de overige landbouwprodukten: in het ritme neergelegd in artikel 32, lid 1, met dien verstande dat de eerste verlaging plaatsvindt op 1 juli 1973.
    1. Met het oog op de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijk douanetarief, vermindert elke nieuwe Lid-Staat het verschil tussen het basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief in etappes van 20%. Deze aanpassingen vinden plaats op de data die in lid 1 voor de betreffende produkten worden genoemd. Ten aanzien van de in lid 1, sub c), bedoelde produkten vinden de aanpassingen plaats volgens het ritme voorgeschreven in artikel 39, lid 1. Voor de tariefposten waarbij de basisrechten niet meer dan 15% naar boven of naar beneden afwijken van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, worden laatstgenoemde rechten echter toegepast vanaf de datum van de eerste aanpassing voor elk van de categorieën van de betrokken produkten.
    1. Wat de in lid 1, sub b) , bedoelde produkten betreft, kan de Raad, voor de tweede, de derde en de vierde verlaging of aanpassing, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat voor één of meer nieuwe Lid-Staten de rechten voor één of meer van deze produkten gedurende een jaar afwijken van de rechten die voortvloeien uit de toepassing van het bepaalde in lid 1 of, naargelang van het geval, in lid 2. Deze afwijking mag niet meer bedragen dan 10% van het bedrag van de wijziging die krachtens lid 1 of lid 2 dient te worden verricht. In dat geval zijn de voor het volgende jaar toe te passen douanerechten de rechten die zouden zijn voortgevloeid uit de toepassing van lid 1 of, naar gelang van het geval, lid 2, indien niet tot afwijking zou zijn besloten. Voor dat jaar kan evenwel opnieuw tot een afwijking van deze rechten worden besloten, overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande alinea's. Op 1 januari 1978 worden de douanerechten voor deze produkten afgeschaft en passen de nieuwe Lid-Staten volledig het gemeenschappelijk douanetarief toe.
    1. Ten aanzien van de produkten die onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, kunnen de nieuwe Lid-Staten volgens de procedure van artikel 26 van Verordening No. 120/67/ EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen of, naar gelang van het geval, van het overeenkomstige artikel van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, gemachtigd worden over te gaan tot de afschaffing der in lid 1 bedoelde douanerechten of tot de in lid 2 bedoelde aanpassing, in een sneller tempo dan in voorgaande leden is bepaald, dan wel tot een gehele of gedeeltelijke schorsing van de douanerechten toepasselijk op produkten die worden ingevoerd uit de andere Lid-Staten. Voor de overige produkten is voor het nemen van de in de voorgaande alinea bedoelde maatregelen geen machtiging vereist. De douanerechten die voortvloeien uit een versnelde aanpassing mogen niet lager zijn dan die welke worden toegepast bij invoer van dezelfde produkten uit de andere Lid-Staten. De nieuwe Lid-Staten stellen de overige Lid-Staten en de Commissie in kennis van de genomen maatregelen.

Artikel 60

1.

Ten aanzien van de produkten die op het tijdstip van toetreding onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen is de regeling die in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling van toepassing is inzake douanerechten en heffingen van gelijke werking, kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking in de nieuwe Lid-Staten van toepassing met ingang van 1 februari 1973, behoudens het bepaalde in de artikelen 55 en 59.

2.

Ten aanzien van de produkten die op het tijdstip van toetreding niet onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, zijn de bepalingen van Titel I inzake de geleidelijke afschaffing van de heffingen van gelijke werking als invoerrechten, van de kwantitatieve beperkingen en van de maatregelen van gelijke werking, niet van toepassing op deze heffingen, beperkingen en maatregelen wanneer zij op het tijdstip van de toetreding deel uitmaken van een nationale marktordening.

Deze bepaling geldt slechts voor zover zulks noodzakelijk is om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen en totdat de gemeenschappelijke ordening der markten voor deze produkten van toepassing wordt.

3.

Uiterlijk op 1 februari 1973 passen de nieuwe Lid-Staten voor de landbouwprodukten die onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief toe.

Voor zover hieruit geen moeilijkheden voortvloeien voor de toepassing van de communautaire regeling, met name voor de werking van de gemeenschappelijke ordening der markten en van de in deze titel neergelegde overgangsregelingen, kan de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, een nieuwe Lid-Staat machtigen in deze nomenclatuur de bestaande nationale onderverdelingen over te nemen, die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de geleidelijke aanpassing van het gemeenschappelijk douanetarief of de afschaffing van rechten binnen de Gemeenschap plaatsvindt overeenkomstig de in deze Akte neergelegde voorwaarden.

Artikel 61

1.

Het element ter bescherming van de verwerkende industrie dat in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de lasten ter zake van invoer uit derde landen voor produkten die vallen onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren granen, rijst en verwerkte produkten op basis van groenten en fruit, wordt geheven bij invoer in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling uit de nieuwe Lid-Staten.

2.

Voor de invoer in de nieuwe Lid-Staten wordt dit element bepaald door uit de op 1 januari 1972 geldende bescherming het element of de elementen ter bescherming van de verwerkende industrie te lichten.

Dit element wordt of deze elementen worden geheven bij invoer uit de andere Lid-Staten en vervangen, wat de lasten ter zake van invoer uit derde landen betreft, het communautaire element van bescherming.

3.

Het bepaalde in artikel 59 is van toepassing op het in de leden 1 en 2 bedoelde element. De desbetreffende verlagingen of aanpassingen vinden echter voor de produkten van de sector granen en de sector rijst plaats aan het begin van het verkoopseizoen voor het betrokken basisprodukt.

Artikel 62

1.

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de bepalingen vast die nodig zijn ter uitvoering van deze Titel.

2.

De Raad kan, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Vergadering, met eenparigheid van stemmen overgaan tot de noodzakelijke aanpassingen van de regels neergelegd in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze Titel, ingeval de noodzaak daartoe bestaat ten gevolge van een wijziging van de communautaire regeling.

Artikel 63

1.

Indien overgangsmaatregelen noodzakelijk zijn om de overgang van het in de nieuwe Lid-Staten geldende stelsel naar het stelsel dat voortvloeit uit de toepassing van de gemeenschappelijke ordening der markten overeenkomstig het bepaalde in deze Titel te vergemakkelijken, met name wanneer de toepassing van het nieuwe stelsel op de vastgestelde datum voor bepaalde produkten op aanzienlijke moeilijkheden zou stuiten, worden die maatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 26 van Verordening No. 120/67/ EEG of, naar gelang van het geval, van het overeenkomstig artikel van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten. Deze maatregelen kunnen worden getroffen gedurende een tijdvak dat op 31 januari 1974 afloopt; zij kunnen slechts tot deze datum worden toegepast.

2.

Op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Vergadering, kan de Raad de in lid 1 bedoelde termijn met eenparigheid van stemmen verlengen tot 31 januari 1975.

Artikel 64

Het bepaalde in deze Titel doet geen afbreuk aan de mate waarin het handelsverkeer in landbouwprodukten is geliberaliseerd ingevolge de op 14 december 1965 ondertekende Overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk en de daarmede verbonden Overeenkomsten.

HOOFDSTUK 2. Bepalingen betreffende bepaalde gemeenschappelijke marktordeningen

Afdeling 1. Groenten en fruit

Artikel 65

1.

Er wordt een compenserend bedrag vastgesteld voor groenten en fruit waarvoor:

  • a). de betrokken nieuwe Lid-Staat in de loop van het jaar 1971 kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking toepaste,
  • b). een gemeenschappelijke basisprijs is vastgesteld, en
  • c). de produktieprijs in deze nieuwe Lid-Staat aanmerkelijk hoger ligt dan de basisprijs van toepassing in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling gedurende de periode voorafgaande aan de toepassing van de communautaire regeling op de nieuwe Lid-Staten.
2.

De in lid 1, sub c), bedoelde produktieprijs wordt berekend door de beginselen neergelegd in artikel 4, lid 2, van Verordening No. 159/66/EEG, houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, toe te passen op de nationale gegevens van de betrokken nieuwe Lid-Staat.

3.

Het compenserende bedrag is slechts van toepassing gedurende het tijdvak waarin de basisprijs geldt.

Artikel 66

1.

Tot de eerste aanpassing is het compenserende bedrag dat van toepassing is in het handelsverkeer tussen enerzijds een nieuwe Lid-Staat waarin aan de voorwaarden genoemd in artikel 65, lid 1, is voldaan, en anderzijds de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling of een andere nieuwe Lid-Staat, met uitzondering van die bedoeld in de volgende alinea, dan wel derde landen, gelijk aan het verschil tussen de in artikel 65, lid 1 sub c) , bedoelde prijzen.

Voor het handelsverkeer tussen twee nieuwe Lid-Staten waarin aan de voorwaarden genoemd in artikel 65, lid 1, is voldaan, is het compenserende bedrag gelijk aan het verschil tussen hun produktieprijzen. Het wordt niet toegepast indien dit verschil gering is.

De in de bovenstaande alinea's bedoelde verschillen worden gecorrigeerd, voor zover zulks nodig is, met de invloed der douanerechten.

2.

Vervolgens wordt het compenserende bedrag jaarlijks op 1 januari met een vijfde van het oorspronkelijke bedrag verminderd. De eerste verlaging vindt plaats op 1 januari 1974.

De bepalingen van artikel 52, lid 3, zijn van overeenkomstige toepassing. Het compenserende bedrag wordt op 1 januari 1978 afgeschaft.

Artikel 67

Voor de vaststelling van de invoerprijzen worden de in de nieuwe Lid-Staten waargenomen noteringen verminderd met:

  • a). het eventueel compenserende bedrag;
  • b). de rechten die van toepassing zijn bij invoer uit derde landen in deze Lid-Staten, in plaats van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.

Artikel 68

De bepalingen inzake de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen zijn op het in de handel brengen in het Verenigd Koninkrijk van de binnenlandse produktie niet eerder van toepassing dan vanaf:

  • a). 1 februari 1974 voor artisjokken, asperges, spruitjes, bleekselderij, witlof, knoflook en uien;
  • b). 1 februari 1975 voor bonen, sluitkool, wortelen, sla, krulandijvie en andijvie, doperwten, spinazie en aardbeien.

Afdeling 2. Wijn

Artikel 69

Tot en met 31 december 1975 zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk gemachtigd het gebruik van de samengestelde benamingen waarin het woord wijn voorkomt te handhaven voor de aanduiding van bepaalde dranken ten aanzien waarvan het gebruik van deze aanduiding niet verenigbaar is met de communautaire voorschriften. Deze afwijking is evenwel niet van toepassing voor de produkten die worden uitgevoerd naar de Lid-Staten van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

Afdeling 3. Oliehoudende zaden

Artikel 70

1.

Voor oliehoudende zaden is het bepaalde in artikel 52 van toepassing op de afgeleide interventieprijzen.

2.

De interventieprijzen toepasselijk in de nieuwe Lid-Staten tot de eerste aanpassing worden vastgesteld volgens de in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten neergelegde regels, rekening houdend met de normale verhouding die moet bestaan tussen het voor oliehoudende zaden te verkrijgen inkomen en het inkomen uit de produktie van produkten die bij wisselbouw concurreren met deze zaden.

Artikel 71

Het bedrag van de steun voor oliehoudende zaden die in een nieuwe Lid-Staat zijn geoogst, wordt gecorrigeerd met het in die Lid-Staat toepasselijke compenserende bedrag, vermeerderd met de invloed van de daar toegepaste douanerechten.

Artikel 72

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)