Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zuid-Afrika betreffende audiovisuele coproductie

Type Verdrag
Publication 2015-12-11
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zuid-Afrika (hierna gezamenlijk te noemen „de partijen” en afzonderlijk „partij”);

Ernaar strevend de samenwerking tussen beide landen in de audiovisuele sector te versterken;

Geleid door de wens de coproductie van audiovisuele werken uit te breiden en te faciliteren, hetgeen bevorderlijk kan zijn voor de audiovisuele industrie van beide landen en voor de ontwikkeling van hun culturele en economische uitwisselingen;

Ervan overtuigd dat deze uitwisselingen bijdragen aan het verbeteren van de betrekkingen tussen beide landen;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag:

2.

De bepalingen van het Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op coproducties voor televisie, video en andere categorieën van audiovisuele werken, maar uitsluitend indien dat in de nationale wet- en regelgeving van beide partijen wordt voorzien.

3.

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 2. Bevoegde autoriteiten
1.

De bevoegde autoriteiten verantwoordelijk voor de toepassing van dit Verdrag zijn:

2.

De partijen stellen elkaar schriftelijk in kennis van wijzigingen van hun bevoegde autoriteiten.

3.

De bevoegde autoriteiten erkennen coproducties waarop dit Verdrag van toepassing is.

Artikel 3. Erkenning van nationale audiovisuele werken en voordelen
1.

De audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden gecoproduceerd, worden door de bevoegde autoriteiten van elk van de partijen aangewezen als nationale audiovisuele werken, overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving op het grondgebied van elk van de partijen.

2.

De coproducenten van audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden gecoproduceerd hebben toegang tot ondersteuning en andere financiële voordelen op het grondgebied van elk van de partijen overeenkomstig hun nationale wet- en regelgeving.

3.

De bevoegde autoriteiten doen elkaar een lijst met teksten toekomen van de nationale wet- en regelgeving van elk van de partijen voor zover die betrekking hebben op ondersteuning en financiële voordelen voor audiovisuele werken. Indien deze teksten op enigerlei wijze door een van de partijen worden gewijzigd, verplichten de bevoegde autoriteiten van de desbetreffende partij zich ertoe de inhoud van die wijziging te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de andere partij.

4.

De voordelen die met dit Verdrag inzake gecoproduceerde audiovisuele werken worden beoogd, worden toegekend aan coproducenten die over voldoende toegeruste financiële en technische entiteiten en voldoende professionele kwalificaties en ervaring beschikken. De beide partijen houden elkaar via hun bevoegde autoriteiten op de hoogte van deze erkenning.

Artikel 4. Vestigingsplaats van coproducenten

De coproducenten van audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden geproduceerd dienen hun hoofdvestiging dan wel een nevenvestiging te hebben op het grondgebied van een van de partijen.

Artikel 5. Goedkeuring van een gecoproduceerd audiovisueel werk
1.

De bevoegde autoriteiten, die gezamenlijk handelen, kunnen een gecoproduceerd audiovisueel werk goedkeuren dat voldoet aan de in de Bijlage bij dit Verdrag vervatte vereisten.

2.

De goedkeuring dient schriftelijk te worden verstrekt onder vermelding van de eventuele voorwaarden waaronder deze is verstrekt.

3.

De bevoegde autoriteiten doen elkaar relevante informatie toekomen over de goedkeuring van daarvoor in aanmerking komende audiovisuele werken. Alvorens een verzoek om goedkeuring af te wijzen dienen beide bevoegde autoriteiten hiertoe in gezamenlijk overleg te hebben besloten.

4.

Voorlopige of definitieve goedkeuring kan uitsluitend met wederzijdse instemming van beide bevoegde autoriteiten worden ingetrokken in het geval van substantiële afwijkingen van de artistieke, financiële of technische kenmerken van het gecoproduceerde audiovisuele werk zoals omschreven in het verzoek om voorlopige of definitieve goedkeuring.

5.

De voorlopige of definitieve goedkeuring door de bevoegde autoriteiten staat volledig los van de beoordelingssystemen voor audiovisuele werken van elk van de partijen.

Artikel 6. Bijdragen
1.

Het aandeel van de respectieve bijdragen van de coproducent(en) van elk van de partijen in een gecoproduceerd audiovisueel werk bedraagt ten minste 20% (twintig procent) en ten hoogste 80% (tachtig procent) van het totale budget voor het audiovisuele werk. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de bevoegde autoriteiten andere grenzen overeenkomen, maar hierbij gelden een nieuw minimum van 10% (tien procent) en een nieuw maximum van 90% (negentig procent).

2.

Elke coproducent levert een doelmatige artistieke en technische bijdrage en voldoet aan de desbetreffende voorwaarden van elk van de partijen.

3.

De bijdrage van de coproducent met de kleinste inbreng omvat zowel artistieke als technische functies in overeenstemming met zijn respectieve bijdrage.

Artikel 7. Inbreng, filmen op locatie en soundtrack
1.

De belangrijkste artistieke en technische functies in een gecoproduceerd audiovisueel werk worden bekleed door personen uit de volgende categorieën:

Met betrekking tot de Republiek Zuid-Afrika:

Met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden:

2.

Aan elk gecoproduceerd audiovisueel werk nemen belangrijke artiesten en technici afkomstig uit een van de partijen deel. Het aandeel in en de samenstelling van de belangrijkste artiesten en technici van elk van de partijen wordt door middel van onderhandelingen tussen de coproducenten bepaald voordat het audiovisuele werk voor voorlopige goedkeuring aan de bevoegde autoriteiten van beide partijen wordt voorgelegd.

3.

Personen die niet behoren tot een van de in het eerste lid van dit artikel genoemde categorieën kunnen uitsluitend worden aanvaard als de gelijken van personen die wel deel uitmaken van een van de in het eerste lid genoemde categorieën na schriftelijke toestemming van beide bevoegde autoriteiten, rekening houdend met de vereisten van het audiovisuele werk.

4.

De partijen komen overeen dat ook wanneer een audiovisueel werk wordt gecoproduceerd met een of meer coproducenten uit andere staten waarmee een van de partijen een coproductieovereenkomst of -verdrag heeft gesloten, de bevoegde autoriteiten per geval kunnen besluiten voor dat audiovisuele werk toegang te verlenen tot de voordelen uit hoofde van dit Verdrag. Het aandeel van de bijdragen van een staat aan een dergelijke coproductie is ten minste 20% (twintig procent) van het budget voor het audiovisuele werk. Onder bepaalde omstandigheden kunnen de bevoegde autoriteiten andere grenzen overeenkomen, maar hierbij geldt een minimum van 10% (tien procent).

5.

Studio-opnamen en filmen op locatie voor een gecoproduceerd audiovisueel werk vinden bij voorkeur plaats in studio’s gevestigd op het grondgebied van een van de of beide partijen. De bevoegde autoriteiten van beide partijen kunnen, indien het script of de oorspronkelijke setting van het audiovisuele werk dat vereist, om redenen van artistieke aard besluiten dat het filmen op locatie elders geschiedt.

6.

De oorspronkelijke soundtrack van elk gecoproduceerd audiovisueel werk wordt vervaardigd in een van de officiële talen van hetzij de Republiek Zuid-Afrika, hetzij het Koninkrijk der Nederlanden, hetzij elke combinatie van de toegestane talen. De dialogen kunnen andere talen omvatten indien het script dat vereist.

Artikel 8. Invoer

Elk van de partijen voorziet, in overeenstemming met de relevante nationale wetgeving die in haar land van kracht is, in de tijdelijke toelating van filmapparatuur en technische apparatuur voor het vervaardigen van gecoproduceerde audiovisuele werken, vrij van invoerrechten en -heffingen, onder voorwaarde van zekerheidstelling, totdat de apparatuur weer wordt uitgevoerd.

Artikel 9. Immigratie en facilitatie

De partijen verlenen toestemming aan het personeel van de andere partij dat voldoet aan artikel 7, eerste lid, of van een derde staat als bedoeld in artikel 7, vierde lid, naargelang het geval, Zuid-Afrika of Nederland binnen te komen en er te verblijven ten behoeve van het vervaardigen of exploiteren van een gecoproduceerd audiovisueel werk, op voorwaarde dat zij voldoen aan de relevante wetten van de onderscheiden grondgebieden met betrekking tot binnenkomst en verblijf, met inbegrip van terugkeer.

Artikel 10. Toetsing en evaluatie
1.

Er dient over de gehele linie een evenwicht te worden bewaard tussen de partijen ten aanzien van de prestaties van de acteurs, artistieke betrokkenheid en financiële en technische bijdrage (studio’s, laboratoria en postproductie) van elk van de partijen. Dit evenwicht wordt getoetst en geëvalueerd door het in artikel 15, tweede lid, genoemde gezamenlijk comité.

2.

Ten behoeve van deze toetsing en evaluatie stellen de bevoegde autoriteiten van beide partijen op basis van het dossier voor de procedure inzake de toegang van een film tot de voordelen uit hoofde van dit Verdrag een overzicht op van alle subsidies en financieringsbronnen.

Artikel 11. Eigendom

Voor toegang tot de voordelen uit hoofde van dit Verdrag dienen de coproducenten gezamenlijk eigenaar te zijn van de materiële onderdelen van het audiovisuele werk, met inbegrip van de filmmaster, en alle overige bronmaterialen van het gecoproduceerde audiovisuele werk. Voorts heeft elke coproducent het recht kopieën van het gecoproduceerde audiovisuele werk te maken voor exploitatie in zijn eigen land. Het materiaal van het audiovisuele werk wordt bewaard op een door de coproducenten onderling overeen te komen locatie die voor elk van hen toegankelijk is.

Artikel 12. Credits

Credits, trailers en al het promotiemateriaal voor in het kader van dit Verdrag gecoproduceerde audiovisuele werken dienen de status van het audiovisuele werk als officiële coproductie van de Republiek Zuid-Afrika en het Koninkrijk der Nederlanden te vermelden of, waar relevant, een credit waaruit de bijdrage van de Republiek Zuid-Afrika, Nederland en een derde coproducerend land blijkt.

Artikel 13. Delen van opbrengsten
1.

De verdeling van alle opbrengsten uit de exploitatie van een audiovisueel werk dat in het kader van dit Verdrag is gecoproduceerd, geschiedt in beginsel naar rato van de bijdrage van elk van de coproducenten. Mits voldoende met redenen omkleed kunnen bijdragen met betrekking tot acteren en artistieke en technische betrokkenheid in aanmerking worden genomen.

2.

Onverminderd het in het eerste lid van dit artikel vermelde beginsel kunnen de coproducenten ervoor kiezen in plaats van de opbrengsten, de grondgebieden te verdelen waarvan zij alle opbrengsten ontvangen, of een combinatie van beide formules toe te passen, met inachtneming van de uiteenlopende omvang van de bestaande markten op het grondgebied van de partijen.

3.

De bevoegde autoriteiten streven naar afstemming van de regelingen voor toewijzing van opbrengsten voor terugbetaling van ondersteuning en andere financiële voordelen die door de partijen conform hun nationale procedures en wetgeving worden verstrekt.

Artikel 14. Samenwerking op filmgebied
1.

De overeenkomst tussen de coproducenten dient te voorzien in een regeling ten aanzien van de opbrengsten die worden gegenereerd met de internationale verkoop en distributie van het in het kader van dit Verdrag gecoproduceerde audiovisuele werk.

2.

De partijen komen overeen om hun uiterste best te doen, met de beschikbare middelen, de distributie en promotie van de gecoproduceerde audiovisuele werken op hun grondgebied te bevorderen.

3.

De partijen komen overeen om hun uiterste best te doen, met de beschikbare middelen, publiciteit te genereren voor de in het kader van dit Verdrag gecoproduceerde audiovisuele werken en deze onder de aandacht van het publiek te brengen tijdens nationale filmfestivals, filmopleidingen, programma's ter bevordering van deelname aan filmfestivals en andere culturele evenementen.

4.

Voor de presentatie van in het kader van dit Verdrag gecoproduceerde audiovisuele werken op filmfestivals ligt de primaire verantwoordelijkheid bij de coproducent met de grootste inbreng, tenzij anders is overeengekomen tussen de coproducenten.

Artikel 15. Gezamenlijke commissie
1.

De bevoegde autoriteiten van beide partijen stellen elkaar in kennis van de toepassing van dit Verdrag teneinde problemen op te lossen in verband met de interpretatie van de bepalingen van dit Verdrag. Voorts doen de bevoegde autoriteiten van beide partijen ter versterking van de samenwerking tussen de partijen door middel van dit Verdrag per geval een voorstel voor wijziging van dit Verdrag in het belang van de partijen.

2.

Er wordt een gezamenlijke commissie ingesteld bestaande uit vertegenwoordigers van de regeringen van de partijen, de bevoegde autoriteiten en de audiovisuele industrie, dat de toepassing van het Verdrag zal toetsen en evalueren en wijzigingen van het Verdrag zal aanbevelen.

3.

Het gezamenlijke commissie komt eenmaal per twee jaar bijeen, afwisselend in Nederland en in Zuid-Afrika.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.